RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND StrafrechtZittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16.148620.23 (vordering omzetting tbs dwang) Beslissing op grond van artikel 6:6:10 van het Wetboek van Strafvordering van de meervoudige kamer voor strafzaken van 12 februari 2026 in de zaak van de officier van justitie tegen de ter beschikking gestelde: [betrokkene] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , op dit moment gedetineerd in [verblijfplaats] , hierna te noemen: betrokkene. 1De stukken De rechtbank heeft acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken waaronder: het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 juli 2025 waarbij betrokkene ter beschikking is gesteld (hierna: tbs) onder voorwaarden omdat hij zich schuldig heeft gemaakt aan belaging en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd. Het gerechtshof heeft de tbs dadelijk uitvoerbaar verklaard; stukken waaruit blijkt dat de tbs is ingegaan op; het voorlopige advies omzetting naar tbs met verpleging van overheidswege van Reclassering Nederland van 11 november 2025, opgemaakt door E. Konings, reclasseringswerker; de vordering van de officier van justitie van 13 november 2025, inhoudende dat de rechter-commissaris de voorlopige verpleging van overheidswege van betrokkene zal bevelen; de vordering van de officier van justitie van 13 november 2025, inhoudende dat de rechtbank zal bevelen dat betrokkene alsnog van overheidswege zal worden verpleegd; het proces-verbaal van de rechter-commissaris van verhoor ter beschikking gestelde vordering tot voorlopige verpleging van 13 november 2025; het bevel van de rechter-commissaris van 13 november 2025, waarbij de vordering van de officier van justitie toegewezen is en de voorlopige verpleging van betrokkene is bevolen; het definitief advies omzetting naar tbs met verpleging van overheidswege van Reclassering Nederland van 26 november 2025, opgemaakt door E. Konings, reclasseringswerker; het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden zitting van de meervoudige kamer voor strafzaken op 1 december 2025. 2Het onderzoek ter terechtzitting De behandeling van de zaak heeft op 1 december 2025 en 12 februari 2026 ter terechtzitting plaatsgevonden. Daarbij zijn gehoord: de officier van justitie, mr. A. Drogt; de betrokkene, bijgestaan door zijn raadsman mr. B.H.J. van Rhijn, advocaat te Doorn; de aan de reclassering verbonden deskundigen, E. Konings en D. Duinkerke. 3Het standpunt van de reclassering Het standpunt van de reclassering blijkt uit de onder 1 genoemde adviezen. Op zitting heeft de aan de reclassering verbonden deskundige de adviezen nader toegelicht. De reclassering schrijft in haar laatste advies van 26 november 2025 het volgende. Betrokkene heeft van 3 september 2024 tot 30 juli 2025 positief in de eerste behandeling bij de [kliniek 1] gestaan, is afgeschaald in beveiligingsniveau en had meerdaagse onbegeleide verloven. Hierna werd hij voor een time-out opgenomen vanwege een terugval in middelen en sterk onsamenhangend gedrag. Hierop is een tweede behandel-poging van 25 september 2025 tot 11 november 2025 naar de [kliniek 2] ingezet. Deze behandelpoging is in deze korte periode onvoldoende van de grond gekomen om aan gedragsverandering en risicobeperking te werken. Betrokkene heeft tijdens zijn eerste behandelpoging laten zien dat hij zich goed in kan zetten tijdens een klinische behandeling, te werken aan gedragsveranderingen en risico’s kan verlagen. Onder andere hierdoor ziet de reclassering nog mogelijkheden voor een nieuwe behandelpoging, maar meer gericht op persoonlijkheidsproblematiek. Daarnaast toont betrokkene voldoende inzicht in zijn valkuilen en problematieken maar heeft hij nog onvoldoende geleerd om hier op een adequate manier mee om te gaan. Ook toont hij intrinsieke motivatie. De deskundige heeft op de zitting van 12 februari 2026 verklaard dat voor betrokkene op vrijdag 13 februari 2026 een plek beschikbaar is in [kliniek 3] voor een nieuwe behandelpoging. 4Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft naar aanleiding van het verhandelde ter zitting de rechtbank verzocht om haar vordering tot omzetting van de tbs met voorwaarden in tbs met dwangverpleging af te wijzen. 5Het standpunt van de verdediging De verdediging kan zich vinden in het standpunt van de officier van justitie. 6Het oordeel van de rechtbank De wet Op grond van artikel 6:6:10 eerste lid, aanhef en onder e van het Wetboek van Strafvordering, voor zover hier relevant, is de rechter, indien de ter beschikking gestelde een gestelde voorwaarde niet heeft nageleefd of anderszins het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen zulks eist, gedurende de looptijd van de tbs met voorwaarden, bevoegd te beslissen dat de ter beschikking gestelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd. Geen omzetting De rechtbank is van oordeel dat de vroegtijdige negatieve beëindigingen van betrokkenes opname en behandeling in de [kliniek 1] en [kliniek 2] voldoende reden zijn te beslissen dat hij alsnog van overheidswege wordt verpleegd. De voorwaarde van een klinische opname is hiermee onvoldoende nageleefd en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen is in geding. De rechtbank zal de (schriftelijke) vordering van de officier van justitie toch afwijzen. De reclassering ziet namelijk nog mogelijkheden om de behandeling van betrokkene in een klinische setting te hervatten, op een nieuwe plek. Partijen zijn het erover eens dat betrokkene nog een kans geboden moet worden in het kader van zijn tbs met voorwaarden. De rechtbank is het daarmee eens. De behandeling van betrokkenes problematiek vraagt om een lange adem. Betrokkene toont zelfreflectie en kan goed benoemen wat zijn behandeldoelen zijn. Nu er een behandelplek voor betrokkene is gevonden, moet betrokkene die kans worden geboden. De rechtbank benadrukt dat het slagen van de behandeling mede afhangt van betrokkenes inzet en motivatie om tot gedragsverandering te komen. Hoewel verwacht werd dat het traject met vallen en opstaan zou verlopen, moet hij er ook rekening mee houden dat een volgende keer mogelijk geen kliniek nog bereid is hem een nieuwe behandelpoging te bieden, met alle (omzettings)gevolgen van dien. De rechtbank hoopt dat betrokkene deze kans dan ook met beide handen aangrijpt. 7De beslissing De rechtbank wijst af de vordering tot omzetting van de tbs met voorwaarden in tbs met dwangverpleging. Deze beslissing is genomen door mr. L.M.M. Heppe, voorzitter, mr L.C. Michon en mr. J.M. Kuin, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Troostheide als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.