← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:719

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Amersfoort Zaaknummer: 11841733 \ AC EXPL 25-1898 Vonnis van 18 februari 2026 in de zaak van [eiser] H.O.D.N. [handelsnaam 1], wonende te [woonplaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [handelsnaam 1] , gemachtigde: AGIN Pranger Gerechtsdeurwaarders Juristen Incassospecialisten, tegen [gedaagde] H.O.D.N. [handelsnaam 2], wonende te [woonplaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [handelsnaam 2] , gemachtigde: mr. E.R. Jonker. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 12 augustus 2025 met zes producties;- de conclusie van antwoord;- de conclusie van repliek met twee producties;- de conclusie van dupliek. 1.
  2. Ten slotte is bepaald dat er een vonnis wordt uitgesproken. 2De kern van de zaak 2.
  3. [handelsnaam 1] en [handelsnaam 2] hebben een overeenkomst gesloten op grond waarvan [handelsnaam 1] in opdracht van [handelsnaam 2] werkzaamheden verrichte bij klanten van [handelsnaam 2] . [handelsnaam 1] heeft [handelsnaam 2] facturen verzonden voor de door hem verrichte werkzaamheden. Er zijn twee facturen voor een bedrag van € 7.250,00 onbetaald gebleven. [handelsnaam 1] wil dat [handelsnaam 2] dit bedrag betaald, vermeerderd met rente en kosten. [handelsnaam 2] is het daar niet mee eens. Hij voert aan dat de gefactureerde werkzaamheden niet zijn verricht en dat hij daarom niet hoeft te betalen. De kantonrechter wijst de vorderingen van [handelsnaam 1] toe. 3De beoordeling 3.
  4. [handelsnaam 1] heeft twee facturen gestuurd aan [handelsnaam 2] voor een totaalbedrag van € 7.250,
  5. In de factuur van week 24 (2024-0121) is zes keer een dagprijs van € 500,00 gefactureerd en in de factuur van week 25 (2025-0122) is zeven keer een dagprijs van € 500,00 en twee keer een dagprijs van € 375,00 gefactureerd. 3.
  6. [handelsnaam 2] voert aan dat niet duidelijk is wat de grondslag van de vordering is. Hij vraagt zich af of dat een vaste prijsafspraak is of regie (dat wil zeggen uurtarief maal de daadwerkelijk bestede uren). De kantonrechter begrijpt hieruit dat [handelsnaam 2] de stelling van [handelsnaam 1] , dat partijen hebben afgesproken dat de werkzaamheden worden uitgevoerd op basis van regie met een vooraf besproken dagprijs van € 500,00 per werknemer, betwist. Partijen hebben afgesproken dat [handelsnaam 2] € 500 per werknemer per dag zou betalen 3.
  7. [handelsnaam 1] heeft toegelicht dat partijen mondeling een prijs van € 500,00 per persoon per dag zijn overeengekomen. Dit hebben partijen gedaan, omdat op voorhand niet duidelijk was om hoeveel dagen en locaties het zou gaan. Om die reden is geen totale prijs overeengekomen. Er is daarbij afgesproken dat er wekelijks gefactureerd zou worden, zodat de hoogte van de kosten inzichtelijk zou blijven. Dit is volgens [handelsnaam 1] de gebruikelijke gang van zaken tussen partijen. Een deel van de facturen, die op basis van deze afspraken zijn opgesteld, zijn ook door [handelsnaam 2] voldaan, aldus [handelsnaam 1] . 3.
  8. De kantonrechter oordeelt dat vast is komen te staan dat partijen een prijs van € 500,00 per werknemer per dag zijn overeengekomen. [handelsnaam 1] heeft, tegenover de onvoldoende gemotiveerde betwisting door [handelsnaam 2] , voldoende onderbouwd dat partijen deze afspraak hebben gemaakt. [handelsnaam 2] heeft alleen in het algemeen betwist dat die afspraak tussen partijen is gemaakt. Hij heeft bijvoorbeeld niet aangevoerd wat partijen in zijn beleving wel hebben afgesproken en hij heeft geen uitleg gegeven waarom hij een deel van de facturen, waaruit het bedrag van € 500,00 per werknemer per dag duidelijk blijkt, zonder opmerking of protest heeft voldaan. [handelsnaam 1] heeft de werkzaamheden uitgevoerd 3.
  9. Tussen partijen is niet in geschil dat zij via WhatsApp afspraken hebben gemaakt over de werkzaamheden op de locaties en data die in de facturen staan vermeld. [handelsnaam 2] stelt zich op het standpunt dat het maken van die afspraken niet betekent dat de werkzaamheden ook zijn uitgevoerd. Volgens [handelsnaam 1] zijn de werkzaamheden wel uitgevoerd. 3.
  10. Op grond van artikel 150 Rv moet [handelsnaam 1] stellen, en bij betwisting bewijzen, dat de werkzaamheden die zijn gefactureerd door zijn werknemers zijn uitgevoerd. De kantonrechter oordeelt dat vast is komen te staan dat de werkzaamheden door de werknemers van [handelsnaam 1] zijn uitgevoerd. 3.
  11. [handelsnaam 1] heeft met foto’s onderbouwd dat zijn werknemers op de afgesproken locaties en data zijn geweest. Op die foto’s is onder andere een aanhangwagen, een stijger en een hoogwerker van [handelsnaam 1] te zien. Volgens [handelsnaam 1] blijkt daaruit dat de werknemers op locatie zijn geweest en dat zij daar werkzaamheden hebben uitgevoerd. Ook heeft [handelsnaam 1] met een verklaring van een werknemer onderbouwd dat de werkzaamheden zijn uitgevoerd. 3.
  12. [handelsnaam 2] heeft alleen in het algemeen betwist dat de werkzaamheden zijn uitgevoerd en dat is onvoldoende tegenover de onderbouwing door [handelsnaam 1] . 3.
  13. Zoals [handelsnaam 1] terecht opmerkt, heeft [handelsnaam 2] geen enkele keer aan [handelsnaam 1] laten weten dat zijn werknemers niet zouden zijn komen opdagen op de afgesproken data en locatie. Het had op de weg van [handelsnaam 2] gelegen om terstond melding te maken bij [handelsnaam 1] over het niet uitvoeren van de werkzaamheden. Verder bleef [handelsnaam 2] [handelsnaam 1] inschakelen voor de werkzaamheden. Dat is onbegrijpelijk als de werknemers de werkzaamheden niet uitvoeren. Daarbij komt dat [handelsnaam 2] niet heeft gesteld en is niet uit het dossier gebleken dat hij klachten heeft gekregen van zijn opdrachtgevers over niet uitgevoerde werkzaamheden. 3.
  14. [handelsnaam 2] heeft op geen enkele manier toegelicht waarom zij pas in deze procedure aanvoert dat er geen werkzaamheden zijn verricht. Hoewel [handelsnaam 2] stelt dat hij op 2 september 2024 al heeft geklaagd bij [handelsnaam 1] , blijkt dat niet uit het WhatsAppbericht. In dat bericht staat: ‘Ga er via jou incasso vanuit. Dat jullie ervan uit gaan dat [straat] goed gespoten is ?’ Uit het bericht maakt de kantonrechter op dat er een vraag is gesteld over de kwaliteit van het werk en niet dat [handelsnaam 2] [handelsnaam 1] erop aanspreekt dat zijn werknemers de werkzaamheden niet hebben uitgevoerd. 3.
  15. Daarbij komt dat [handelsnaam 1] onweersproken heeft gesteld dat [handelsnaam 1] meermalen via Whatsappberichten bevestigt dat hij de facturen zou betalen. Zo schijft [handelsnaam 2] op 11 augustus 2024 aan [handelsnaam 1] : ‘Zal morgenochtend op je rek staan gezien wij badge betalingen versturen. Dienworden weekend niet verwerkt’. 3.
  16. [handelsnaam 2] heeft nog aangevoerd dat er geen werkbonnen en urenregistraties van de werkzaamheden zijn overgelegd en [handelsnaam 1] daarom de werkzaamheden niet kan declareren. Door [handelsnaam 2] is niet aangevoerd dat tussen partijen was afgesproken dat dit als voorwaarden voor betaling is afgesproken, daarom is dit niet relevant. 3.
  17. Het voorgaande brengt met zich mee dat vast is komen te staan van de werkzaamheden zijn uitgevoerd. Dit betekent dat [handelsnaam 2] in beginsel gehouden is de facturen te betalen. Ondeugdelijke nakoming? 3.
  18. [handelsnaam 2] heeft ook aangevoerd dat [handelsnaam 1] is tekortgeschoten, omdat hij niet de zorg betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. Volgens [handelsnaam 2] heeft [handelsnaam 1] de werkzaamheden niet op een deugdelijke wijze gespecificeerd c.q. geregistreerd. Voor zover [handelsnaam 2] een beroep doet op (gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst heeft het volgende te gelden. 3.
  19. In artikel 6:265 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat iedere tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst aan de wederpartij de bevoegdheid geeft de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming - gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis - deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. In lid 2 is bepaald dat voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas, wanneer de schuldenaar in verzuim is. 3.
  20. Er is geen sprake van een tekortkoming. [handelsnaam 1] heeft in de facturen een duidelijke omschrijving toegevoegd. Daarin staat wat voor werkzaamheden er zijn verricht, zoals: ‘1 man + spuit of telewash’, met daarbij de locatie en datum van de werkzaamheden. 3.
  21. Bovendien is er ook geen verzuim aan de kant van [handelsnaam 1] . Hiervoor is vereist dat [handelsnaam 1] schriftelijk in gebreke is gesteld om alsnog deugdelijk na te komen binnen een redelijke termijn. Hiervan is geen sprake geweest. Er is geen reden voor opschorting van de betaling 3.
  22. [handelsnaam 2] heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat hij nog niet hoeft te betalen, omdat de werkzaamheden nog niet zijn uitgevoerd. Bij gerede twijfel omtrent de nakoming van de werkzaamheden is [handelsnaam 2] gerechtigd haar betalingsverplichting op te schorten, aldus [handelsnaam 2] . Volgens [handelsnaam 1] is er niet geklaagd over niet uitgevoerde werkzaamheden. 3.
  23. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:52 BW mag [handelsnaam 2] zich op opschorting van zijn betalingsverplichting beroepen, indien hij een opeisbare vordering heeft op [handelsnaam 1] . Hiervoor moet duidelijk te zijn welke verplichtingen [handelsnaam 1] concreet moet nakomen. 3.
  24. Zoals hiervoor is besproken volgt uit het WhatsApp bericht van 2 september 2024 alleen dat [handelsnaam 2] een vraag stelt over de kwaliteit van het werk aan de [straat] . Er is daarin niet genoemd dat [handelsnaam 1] nog werkzaamheden moet verrichten. Verder is door [handelsnaam 2] niet gesteld en blijkt uit het dossier niet welke werkzaamheden niet of niet goed zijn uitgevoerd. Ook is niet gebleken dat bij [handelsnaam 2] al eerder gerede twijfel was ontstaan over de nakoming van de werkzaamheden. Nergens blijkt immers uit dat [handelsnaam 2] bijvoorbeeld in de periode dat partijen veelvuldig contact hadden over opdrachten, heeft nagavraagd of [handelsnaam 1] bepaalde werkzaamheden wel had uitgevoerd. [handelsnaam 2] kan zich daarom niet op opschorting beroepen. Conclusie 3.
  25. Het voorgaande betekent dat [handelsnaam 2] de facturen moet betalen. De vordering van [handelsnaam 1] zal worden toegewezen. [handelsnaam 2] moet handelsrente betalen en buitengerechtelijke kosten vergoeden 3.
  26. [handelsnaam 1] vordert op grond van artikel 6:119a BW de wettelijke handelsrente over het bedrag van € 7.250,
  27. Tot 6 augustus 2025 is dit volgens [handelsnaam 1] € 907,
  28. [handelsnaam 2] heeft de facturen ontvangen en is onder andere op 12 augustus 2024 aangemaand om te betalen. [handelsnaam 2] heeft vervolgens, met uitzondering van een betaling van € 1.500,00 van een andere factuur, niet betaald. De rechtbank zal daarom als op de wet gegrond en onweersproken het bedrag van € 907,88 en de wettelijke handelsrente vanaf 6 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling toewijzen. 3.
  29. [handelsnaam 1] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [handelsnaam 1] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van € 737,50 komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen. [handelsnaam 2] moet de proceskosten van [handelsnaam 1] vergoeden 3.
  30. [handelsnaam 2] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [handelsnaam 1] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 123,73 - griffierecht € 257,00 - salaris gemachtigde € 720,00 (2 punten × € 360,00) - nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.244,73 4De beslissing De kantonrechter 4.
  31. veroordeelt [handelsnaam 2] om aan [handelsnaam 1] te betalen een bedrag van € 8.895,38, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 7.250,00, met ingang van 6 augustus 2025, tot de dag van volledige betaling, 4.
  32. veroordeelt [handelsnaam 2] in de proceskosten van € 1.244,73, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [handelsnaam 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 4.
  33. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 4.
  34. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 18 februari
  35. 64510

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.