RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Familie- en Jeugdrecht Zaaknummer: C/16/604753 / JL RK 25-913 Datum uitspraak: 13 januari 2026 Beschikking van de rechtbank over de bevoegdheid in de zaak van SAMEN VEILIG MIDDEN-NEDERLAND, gevestigd te Almere, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] , advocaat: mr. G.G. Kempenaars, [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. W.N. Sardjoe. 1Het verloop van de procedure 1.
- De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 december 2025; het bevoegdheidsincident met bijlage van de moeder, ontvangen op 7 januari 2026; de brief namens de vader met een reactie op het bevoegdheidsincident, ontvangen op 8 januari 2026 (kennelijk abusievelijk digitaal ingediend in het OTS-dossier met nummer 603196); de brief van de moeder, ontvangen op 8 januari 2026; het bericht van de GI, ontvangen op 9 januari 2026; het bericht van de moeder met bijlagen 1 tot en met 14, ontvangen op 12 januari 2026; het verweerschrift van de moeder, ontvangen op 13 januari
- 1.
- De mondelinge behandeling (zitting) heeft achter gesloten deuren plaatsgevonden om 13 januari
- Daarbij waren aanwezig: de moeder met haar advocaat; de vader met zijn advocaat; [A] en [B] namens de GI. 1.
- Op deze zitting is gelijktijdig de zaak met het zaaknummer C/16/603196 / JL RK 25-840 (verlenging van de ondertoezichtstelling) behandeld. 2De beoordeling 2.
- De rechtbank zal zich onbevoegd verklaren om van de verzoeken kennis te nemen, en de zaak in de stand waarin deze zich bevindt verwijzen naar de rechtbank Gelderland. Hierna legt de rechtbank uit waarom zij deze beslissing neemt. 2.
- Vóór de rechtbank een verzoek inhoudelijk beoordeeld, moet zij beoordelen of zij relatief bevoegd is om over het verzoek te oordelen. ‘Relatieve bevoegdheid’ gaat over de vraag of het verzoek bij de juiste rechtbank in Nederland is ingediend. De rechtbank moet haar relatieve bevoegdheid ambtshalve (dus: uit zichzelf) toetsen. In dit geval heeft de moeder bovendien expliciet gezegd dat de rechtbank Midden-Nederland niet bevoegd is. De vader en de GI vinden van wel. 2.
- In de wet is geregeld welke rechtbank relatief bevoegd is. Het gaat in deze zaak om een verzoek tot het verlenen van een machtiging uithuisplaatsing (verlenging). Op grond van artikel 265 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de rechter van de woonplaats van de minderjarige of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van de minderjarige, bevoegd om van dit verzoek kennis te nemen. In artikel 1:12 van het Burgerlijk Wetboek staat dat de woonplaats van de minderjarige dezelfde is als de woonplaats van degene die het gezag over de minderjarige uitoefent. Wanneer de ouders het gezag samen uitoefenen en zij niet in dezelfde woonplaats wonen, dan is de woonplaats van de minderjarige dezelfde als de woonplaats van de ouder bij wie de minderjarige feitelijk verblijft. Het toetsingsmoment voor wat betreft de bevoegdheid is de datum van de indiening van het verzoekschrift. 2.
- De woonplaats van [minderjarige] op het moment van indiening van het verzoekschrift (29 december 2025) was niet in het werkgebied (arrondissement) van de rechtbank Midden-Nederland. Bij beschikking van 3 december 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader (met gezag) verleend tot 28 januari
- De uithuisplaatsing heeft enkele dagen daarna, op 7 december 2025, feitelijk plaatsgevonden. Op het moment dat de GI het verzoekschrift heeft ingediend om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen (29 december 2025), verbleef [minderjarige] dus feitelijk bij haar vader en stond zij ook ingeschreven op het adres van haar vader. Dit betreft een geheim adres, maar uit de stukken blijkt dat alle betrokkenen in deze procedure ervan op de hoogte zijn dat het gaat om een adres in [plaats] . [plaats] ligt niet in het werkgebied van de rechtbank Midden-Nederland, maar in dat van de rechtbank Gelderland. De rechtbank Midden-Nederland is hierdoor onbevoegd. Dat, zoals de vader en de GI hebben aangevoerd, deze rechtbank wel bevoegd is in de zaak over de ondertoezichtstelling van [minderjarige] , leidt niet tot een andere conclusie. Ook al hebben de verzoeken inhoudelijk met elkaar te maken, het gaat om twee afzonderlijke zaken. In elk van die zaken moet de rechtbank relatief bevoegd zijn om daarover inhoudelijk te kunnen oordelen. 2.
- Zoals voorgeschreven is in artikel 270, eerste lid, Rv zal de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, worden verwezen naar de rechter die wel bevoegd is: de rechtbank Gelderland. 3De beslissing De rechtbank: 3.
- verklaart zich onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen; 3.
- verwijst de zaak, in de stand waarin zich deze bevindt, naar de rechtbank Gelderland. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026 door mr. J.M. Atema, kinderrechter, in aanwezigheid van J. Mather als griffier, en op schrift gesteld op 13 januari 2026.