RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 23/5213 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen [eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE), en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap [gemeente], verweerder (gemachtigde: D. Koopmans). Procesverloop 1.1 De heffingsambtenaar heeft met de beschikking van 28 februari 2023 de WOZ-waarde van de onroerende zaak aan de [adres] in [plaats] vastgesteld op € 152.000,- naar waardepeildatum 1 januari 2022. De heffingsambtenaar heeft bij deze beschikking aan eiseres als eigenaar van de woningen ook een aanslag onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd. 1.2 In de uitspraak op bezwaar van 17 oktober 2023 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de waarde van het object gehandhaafd. 1.3 Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft diverse aanvullende stukken overgelegd. 1.4 Het beroep is behandeld op de zitting van 10 november 2025. De gemachtigde van de heffingsambtenaar was aanwezig vergezeld door [taxateur] , taxateur. Eiseres is niet verschenen. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiseres via de griffie laten weten dat de rechter wordt gewraakt. Het onderzoek is om die reden ter zitting geschorst. 1.5 Bij beslissing van de wrakingskamer van 13 november 2025 (zaaknummer 602292 HA RK 25-197) is de gemachtigde van eiseres niet-ontvankelijk in zijn wrakingverzoek verklaard. 1.6 De behandeling van het beroep is hervat op de zitting van 12 januari 2026. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, vergezeld door [taxateur] , taxateur. Overwegingen Beoordeling van het geschil 2. Eiseres is eigenaar (en gebruiker) van de onroerende zaak aan de [adres] . Na onderzoek heeft de heffingsambtenaar de aanslag in de beroepsfase vernietigd, omdat er sprake is van een onjuiste objectafbakening. Er is gebleken dat [adres] en Voorstraat 79 als een samenstel in de zin van artikel 16, onder d, van de Wet WOZ moeten worden aangemerkt. 3. De rechtbank overweegt als volgt. Nu de heffingsambtenaar in beroep de door hem vastgestelde waarde niet langer handhaaft en de aanslag is vernietigd, is het beroep gegrond en moet de uitspraak op bezwaar worden vernietigd. Eiseres heeft daarom recht op een vergoeding van het griffierecht en de proceskosten. Proceskostenvergoeding en griffierecht 4. Omdat het beroep gegrond is, is er aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten van eiseres voor de bezwaar- en beroepsfase. Ook vindt de rechtbank een vergoeding van het betaalde griffierecht van € 365,- op zijn plaats. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. 5. De vergoeding voor de kosten van de bezwaar- en beroepsfase wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vastgesteld. De rechtbank zal bij de vaststelling van de wegingsfactor aansluiting zoeken bij de uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden van 14 oktober 2025 en het door de gerechtshoven gehanteerde Richtsnoer. 6. Op 1 januari 2024 is artikel 30a van de Wet WOZ in werking getreden. Op grond van het eerste en tweede lid worden de te vergoeden proceskosten vermenigvuldigd met de daar bepaalde factor. Op grond van het overgangsrecht blijft deze wettelijke vermenigvuldigingsfactor echter buiten toepassing ten aanzien van (I) de bezwaarfase, als de aanslag van voor 1 januari 2024 dateert, en van (II) de beroepsfase, als de uitspraak op bezwaar van voor 1 januari 2024 dateert. 7. De aanslag en de uitspraak op bezwaar dateren van voor 1 januari 2024, waardoor de wettelijke vermenigvuldigingsfactor buiten toepassing blijft. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,- en wegingsfactor 1). De rechtbank stelt de proceskosten voor de beroepsfase dan ook vast met toepassing van op € 1868,-, (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- wegingsfactor 1). 8. In totaal wijst de rechtbank € 3.200,- aan proceskosten toe. 9. Op grond van artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ mag de heffingsambtenaar de in deze uitspraak toegekende proceskosten en het griffierecht uitsluitend uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van eiseres. Immateriële schadevergoeding 10. Eiseres heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt. 11. De rechtbank moet eerst beoordelen of het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024 van toepassing is op deze zaak. Uit overweging 3.5 van voornoemd arrest van de Hoge Raad volgt dat de weergegeven wijzigingen niet gelden voor zaken waarin (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.