Rechtbank Midden-Nederland – ECLI:NL:RBMNE:2026:87
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: UTR 25/6299 en UTR 25/6300 uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 januari 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker (gemachtigden: mr. A. Cinar en mr. N.A.M. Teunissen), en het college van procureurs-generaal van het Openbaar Ministerie, het OM (gemachtigden: mr. J. Langelaar en mr. S. van Hensbeek).
Inleiding 1. Verzoeker is werkzaam als ambtenaar bij de Gemeente [.] . Verzoeker wordt verdacht van het online verkopen van goederen tegen betaling met het oogmerk om zonder volledige levering zich of een ander van de betaling van de goederen te verzekeren. Daarnaast wordt verzoeker verdacht van het witwassen van een bedrag van € 4.335,-.
1.1.
Volgens het OM is de strafzaak van verzoeker een bewijsbare zaak, is een vervolgingsbeslissing genomen en zal het OM binnen afzienbare tijd een dagvaarding uitbrengen. Op 27 juni 2025 heeft het OM verzoeker daarom bericht dat hij voornemens is om op grond van artikel 39f, eerste lid, en onder e, Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) het strafdossier over verzoeker te verstrekken aan zijn werkgever. Verzoeker heeft tegen deze voorgenomen verstrekking bezwaar gemaakt. Het OM heeft dit bezwaar aangemerkt als het aantekenen van verzet als bedoeld in artikel 39q Wjsg.
1.2.
Met het besluit van 29 september 2025 heeft het OM het verzet van verzoeker niet gehonoreerd. Met het bestreden besluit van 21 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is het OM bij zijn besluit gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
1.3.
Het OM heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn gemachtigden en de gemachtigden van het OM.
Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiser daartegen. Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Toetsingskader 4. De Wjsg bevat waarborgen voor een zorgvuldige omgang met strafvorderlijke gegevens door het OM. Artikel 39f, eerste lid, Wjsg bepaalt dat het OM strafvorderlijke gegevens aan derden mag verschaffen voor verschillende doeleinden, waaronder (sub e) het beoordelen van de noodzaak tot het treffen van een rechtspositionele tuchtrechtelijke maatregel. Op grond van artikel 39f, het tweede lid, onder a is die verstrekking alleen toegestaan wanneer dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang of met het oog op de vaststelling, uitoefening of verdediging van een recht in rechte. Strafvorderlijke gegevens mogen dus niet worden verstrekt op grond van het enkele belang dat de derde daarbij heeft. De Wjsg kent geen verplichting om aan derden strafvorderlijke gegevens te verstrekken, maar schept een bevoegdheid. De grenzen van die bevoegdheid zijn uitgewerkt in de Wet en in de Aanwijzing Wjsg. Deze aanwijzing geeft aan in welke gevallen, onder welke voorwaarden en aan wie het OM informatie kan verstrekken voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden.
4.1.
Op grond van artikel 39q Wjsg kan de betrokkene tegen de verstrekking verzet aantekenen wegens bijzondere persoonlijke omstandigheden.
Wat voert verzoeker aan?
Verzoeker meent daarom dat het OM de resultaten van de onderzoekswensen moet afwachten en niet nu al strafvorderlijke informatie mag delen met zijn werkgever. Dit zou in strijd zijn met de onschuldpresumptie en verzoekers recht op eerlijk proces. Bovendien heeft het OM ook niet of onvoldoende gemotiveerd waarom niet kan worden gewacht op een rechterlijke uitspraak in de strafzaak of op de uitslag van de onderzoekswensen, alvorens de strafvorderlijke gegevens aan zijn werkgever te verstrekken. Verder vindt verzoeker van belang dat hij als [functie] slechts een ondersteunde functie heeft. Verzoeker is niet bevoegd voor financiële transacties, heeft geen gezagsfunctie en hij werkt ook niet met kwetsbare doelgroepen.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
De ambtenaar moet deze gedragscode naleven en hij moet twijfels en overtredingen rond de naleving van de gedragscode bekendmaken bij zijn leidinggevende, het Bureau Integriteit of bij een vertrouwenspersoon. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het OM zich op het standpunt kunnen stellen dat er een zwaarwegend belang van de werkgever is gediend bij het verkrijgen van de informatie over de strafzaak van verzoeker. De werkgever kan dan zelf onderzoek doen naar de integriteit van verzoeker om te beoordelen of zijn gedrag een reëel risico vormt voor de organisatie en/of rechtspositionele maatregelen nodig zijn. Voor zover verzoeker vreest dat de werkgever bij dat onderzoek van eenzijdige informatie kennis zal nemen, overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken dat verzoeker niet zelf zijn werkgever kan voorzien van voor hem ontlastende informatie en bewijsstukken.
De stelling van verzoeker dat het Bureau Integriteit van zijn werkgever alleen zou kijken naar de gegevens van het OM, berust verder op vermoedens en aannames van verzoeker. Het staat niet op voorhand vast dat de werkgever direct zonder nader onderzoek vergaande rechtspositionele maatregelen zal nemen zonder daarbij acht te slaan op ontlastende informatie van de kant van verzoeker.
Conclusie en gevolgen 12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verzoeker geen gelijk krijgt. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open. artikel 326e Wetboek van Strafrecht. artikel 420bis en artikel 420qtr Wetboek van Strafrecht.
Zie Memorie van Toelichting, nr 3 pg. 12-13. Zie ook ECLI:NL:RBMNE:2018:4423, r.o 15.
Paragrafen 6 en 7.
Vgl. Kamerstukken II, vergaderjaar 2002-2003, nr. 3, p. 5 en 6.