RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf Locatie Schiphol Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/840166-11 (onderzoek Everest) Uitspraakdatum: 14 november 2013 Tegenspraak Strafvonnis Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 24 september 2013, 26 september 2013, 27 september 2013, 30 september 2013, 1 oktober 2013, 7 oktober 2013, 17 oktober 2013, 18 oktober 2013 en 31 oktober 2013in de zaak tegen: [verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Suriname), ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zwaag Hoorn, locatie Zwaag te Zwaag. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L.B. Haneveld en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. B.J. de Groot, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht. 1. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: Feit 1 (zaaksdossier B03): hij in of omstreeks de periode van 7 maart 2012 tot en met 13 maart 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of in Amsterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 1 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; en/of hij op of omstreeks 26 maart 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of in Amsterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 5927 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Feit 2: hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 mei 2012 tot en met 22 augustus 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meerdere malen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende (telkens) cocaïne, immers heeft/ hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(
- s)tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen: - op of omstreeks 12 mei 2012 ongeveer 4 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne binnen het grondgebied van Nederland gebracht (zaaksdossier B04) en/of - op of omstreeks 25 met 2012 ongeveer 8,7 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne binnen het grondgebied van Nederland gebracht (zaaksdossier B05) en/of - op of omstreeks 28 mei 2012 ongeveer 16017 gram van een materiaal bevattende cocaïne binnen het grondgebied van Nederland gebracht (zaaksdossier B06) en/of - op of omstreeks 18 juni 2012 ongeveer 6030 gram van een materiaal bevattende cocaïne binnen het grondgebied van Nederland gebracht (zaaksdossier B07) en/of - op of omstreeks 18 juni 2012 ongeveer 9942,1 gram van een materiaal bevattende cocaïne binnen het grondgebied van Nederland gebracht (zaaksdossier B08) en/of - op of omstreeks 28 juni 2012 ongeveer 3,5 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne binnen het grondgebied van Nederland gebracht (zaaksdossier B09) en/of - op of omstreeks 1 juli 2012 ongeveer 7705,2 gram van een materiaal bevattende cocaïne binnen het grondgebied van Nederland gebracht (zaaksdossier B10) en/of - op of omstreeks 22 augustus 2012 ongeveer 14470,6 gram van een materiaal bevattende cocaïne binnen het grondgebied van Nederland gebracht (zaaksdossier B11) zijnde (telkens) cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende (telkens) een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Feit 3 (zaaksdossier B18): hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 oktober 2011 tot en met 3 september 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of Amsterdam en/of Rotterdam en/of Almere en/of Medemblik en/of Purmerend en/of (elders) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, waartoe hij, verdachte en/of zijn mededader(
- s)en/of andere personen behoorden, welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en/of 10a eerste lid van de Opiumwet, te weten - het (telkens) tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van (telkens) een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, althans een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, (artikel 2A OW jo 10 lid 5 OW) en/of - het (telkens) tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van (telkens) een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, althans een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, voor te bereiden en/of te bevorderen, * zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(
- en)heeft getracht te verschaffen en/of * een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(
- en)te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of * voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(
- s)wist(
- en)of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(
- en)(art 10A OW). 2. Beroep op niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging De verdediging heeft gesteld dat meermalen sprake is geweest van schending van een goede procesorde. Enkele schendingen van vormverzuimen zouden zo ernstig zijn dat deze op zichzelf beschouwd reeds tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging van verdachte zouden moeten leiden. In ieder geval zouden alle schendingen, beschouwd in onderling verband en samenhang tot dit rechtsgevolg, dan wel subsidiair tot uitsluiting van alle bewijsmiddelen en meer subsidiair tot strafvermindering, moeten leiden. De rechtbank zal de door de verdediging genoemde punten hieronder afzonderlijk behandelen. Beginselplicht en doorlatenDoor de raadsvrouw van verdachte is gesteld dat het Openbaar Ministerie – door niet eerder strafrechtelijk handhavend op te treden – heeft gehandeld in strijd met de beginselplicht tot voortvarendheid in de strafrechtelijke handhaving. Prioriteit kan hierbij geen rol hebben gespeeld, nu verdachte reeds vanaf 2011 – in het onderzoek Vinson (de voorloper van onderzoek Everest) – onderwerp van onderzoek naar een of meer 12-jaars feit(
- en)was. Ook opsporings- en/of strategische overwegingen kunnen hierbij evenmin een rol hebben gespeeld. Reeds uit het onderzoek Vinson zijn gelet op de grote hoeveelheden verdovende middelen die in dat kader onderschept zijn, voldoende redenen gebleken om strafrechtelijk handhavend op te treden tegen verdachte. Voorts is [hoofdverdachte] de hoofdverdachte in het onderzoek Everest, zodat ook in de wens om de ‘grote vis’ te vangen geen reden gelegen kan zijn om niet eerder in te grijpen. Door doelbewust af te wachten om op een later tijdstip in te grijpen zijn er verdovende middelen in de samenleving terechtgekomen. Hiermee heeft het Openbaar Ministerie in strijd gehandeld met het doorlaatverbod van artikel 126ff van het Wetboek van Strafvordering (hierna Sv) en is tevens sprake van een combinatie van schendingen waardoor een schending van de beginselen van de goede procesorde kan worden aangenomen. De rechtbank merkt allereerst op dat het Openbaar Ministerie uit tactische overwegingen kan beslissen een verdachte niet direct aan te houden. Dit kan te maken hebben met het verkrijgen van inzicht in de organisatie en de personen die zich bezig houden met de invoer van verdovende middelen en met het vergaren van bewijsmiddelen. De rechtbank is niet gebleken dat dusdanig lang is gewacht met strafrechtelijk handhavend optreden dat is gehandeld in strijd met de beginselplicht. De rechtbank stelt verder vast dat uit de jurisprudentie (HR 2 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9915) volgt dat een beroep van de verdachte op de onjuiste naleving van artikel 126ff Sv in beginsel al niet kan slagen, omdat het bepaalde in artikel 126ff Sv niet in het leven is geroepen in het belang van verdachte en voor hem derhalve geen rechtens te beschermen belang in het geding is. De rechtbank overweegt dat niet is gebleken dat door het onderzoeksteam van de Koninklijke Marechaussee (hierna te noemen: KMar) dan wel de officier van justitie opzettelijk verdovende middelen zijn doorgelaten. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat – op het moment van het plaatsvinden van de invoer of het voorhanden hebben van de verdovende middelen – de aanwijzingen die het onderzoeksteam had omtrent de aanwezigheid en vindplaats van de drugs zodanig waren dat deze geen ruimte voor twijfel lieten. De officier van justitie heeft in dat verband nog aangevoerd dat het onderzoeksteam waar mogelijk direct heeft ingegrepen en dat soms pas bij een latere uitwerking van opgenomen tapgesprekken naar voren kwam dat er eerder een overdacht van verdovende middelen had plaatsgevonden. Dat het voorgaande anders ligt, is door de verdediging niet aannemelijk gemaakt. Voorts constateert de rechtbank dat in diverse zaaksdossiers achteraf blijkt dat er een transport verdovende middelen is geweest, al dan niet geslaagd, omdat er door de bij dat transport betrokken verdachten een en ander wordt nabesproken. Bovendien betreft onderzoek Everest een dossier met een groot aantal verdachte met veel taplijnen, waarbij meerdere gesprekken vertaald moesten worden. In het door de raadsvrouw aangevoerde ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat de Hoge Raad heeft geformuleerd en dat hiervoor is weergeven. De rechtbank verwerpt dan ook de hiertoe gevoerde verweren. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat een verdachte er zelf voor kiest om strafbare feit(
- en)te plegen, dit dient uitsluitend voor eigen rekening en risico te komen. Het kan nu niet zo zijn dat een verdachte geen of minder straf moet krijgen omdat de KMar hem daarvan niet heeft weerhouden door hem niet eerder aan te houden. Proportionaliteit en subsidiariteit De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat de rechtbank de rechtmatigheid van de toepassing van de gehanteerde bijzondere opsporingsbevoegdheden (telefoon- en internettaps) in de periode 2011-2012 door de rechter-commissaris zal toetsen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Volgens de verdediging is namelijk sprake van een onrechtmatigheid. Ter onderbouwing van het verweer met betrekking tot de internettaps heeft de verdediging gewezen op een bevel IPv4-tap dat tweemaal zou zijn afgegeven (op 9 en 14 november 2011) voor een deels overlappende periode en een bevel IP-tap dat op 3 januari 2012 zou zijn afgegeven, zowel de aanvraag van 14 november 2011 als die van 3 januari 2012 is zonder actuele onderbouwing. Volgens de verdediging dient een en ander te leiden tot uitsluiting van het bewijs van alle IP-taps en al datgene dat is voortgevloeid uit de IP-taps na 10 november 2011. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Het wettelijk systeem van toedeling van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 126m Sv tot het bevelen van het opnemen van telecommunicatie met een technisch hulpmiddel houdt in dat de officier van justitie een vordering daartoe indient bij de rechter-commissaris voor strafzaken in een rechtbank. Na schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris kan de officier van justitie vervolgens een bevel tot het opnemen van telecommunicatie met een technisch hulpmiddel geven. Het is dus in eerste instantie ter beoordeling van de officier van justitie of voldaan is aan de vereisten van artikel 126m Sv. Bij deze laatste toetsing spelen de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een rol. De rechter-commissaris dient vervolgens bij de vraag of een machtiging kan worden verstrekt, te toetsen of aan de vereiste voorwaarden is voldaan. Aan de zittingsrechter ten slotte staat de rechtmatigheid van de toepassing van die bevoegdheid ter beoordeling. In het wettelijk systeem houdt deze beoordeling in dit geval, waarin de rechter-commissaris tevoren een machtiging heeft verstrekt, een beantwoording in van de vraag of de rechter-commissaris in redelijkheid tot haar oordeel omtrent het afgeven van die machtiging heeft kunnen komen. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. De rechtbank constateert dat de officier van justitie middels een vordering als bedoeld in artikel 126m en 126n Sv de betreffende gegevens over verdachte heeft gevorderd en dat dit in eerste instantie is gebeurd in het kader van het opsporingsonderzoek Vinson. Nadat het onderzoek Everest is opgestart zijn ook in dit onderzoek de nodige vorderingen 126m bij de rechter-commissaris gedaan. De rechter-commissaris heeft vervolgens meerdere machtigingen afgegeven. De rechtbank is niet gebleken dat er onrechtmatigheden kleven aan de verstrekte machtigingen en door de verdediging is dit ook niet nader onderbouwd, Ten aanzien van het tweemaal (op 9 en 14 november 2011) gedurende deels dezelfde periode afgegeven bevel IP-tap na voorafgaande machtigingen van de rechter-commissaris, merkt de rechtbank op dat, bezien in het licht van de hoeveelheid vorderingen ex artikel 126m Sv, welke vorderingen mede zijn gebaseerd op de grote hoeveelheid telefoons die bij verdachte en diens medeverdachten zijn aangetroffen, sprake is van een kennelijk misslag. Ten aanzien van het bevel IP-tap op 3 januari 2012 is de rechtbank, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat de rechter-commissaris in redelijkheid tot het verstrekken van de voorafgaande machtiging heeft kunnen overgaan. Gelet op het feit dat er mailcommunicatie tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] plaatsvond in de maand november 2011 is het geenszins denkbeeldig dat in de periode waarvoor de machtiging is afgegeven weer contact zou worden opgenomen door [medeverdachte 1]. Het gegeven dat er ten tijde van de aanvraag geen actuele informatie ter onderbouwing van een verlenging van een machtiging over gelegd kan worden, wil niet zeggen dat er geen machtiging verstrekt zou mogen worden. Er kan immers door verdachten een windstilte een in acht zijn genomen, alvorens opnieuw met elkaar in contact te treden. In een dergelijke situatie is ook de periode waarvoor een machtiging reeds is verstrekt, van belang. Deze is in de onderhavige situatie niet onredelijk lang geweest. Het verweer van de raadsvrouw wordt dan ook verworpen. OVC-gesprekken De verdediging heeft aangevoerd dat het gebruik van het OVC-middel in de auto van verdachte een wettelijke grondslag ontbeert, dan wel strijdig is met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, dan wel dat er onvoldoende controle op inzet en gebruik van het OVC-middel door de rechter-commissaris en de rechtbank mogelijk is geweest. De rechter-commissaris had de machtigingen ook niet mogen verlengen gelet op de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Ter onderbouwing van het verweer heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet is gebleken dat is voldaan aan de technische eisen en waarborgen van het Besluit (de rechtbank begrijpt: het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering, in de versie die van 1 juni 2007 tot 1 januari 2013 geldend was) dat behoort bij de artikelen 126l en 126ee Sv, zodat er vraagtekens moeten worden geplaatst bij de betrouwbaarheid van de opgenomen OVC-gesprekken. Voorts geeft de Aanwijzing Opsporingsbevoegdheden (2012A012) (hierna ook: de Aanwijzing) aan dat voor het inzetten van een 126l-bevel de officier van justitie ook de toestemming van de hoofdofficier van justitie nodig heeft. Noch uit de aanvraag van de KMar noch uit het dossier zelf blijkt dat deze toestemming is gegeven. Een en ander dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dan wel bewijsuitsluiting. De rechtbank overweegt als volg. Het Besluit strekt blijkens de daarop gegeven toelichting ertoe waarborgen te creëren voor de betrouwbaarheid en herleidbaarheid van de gegevens die met de desbetreffende apparatuur zijn verkregen. Daartoe zijn in dat besluit technische eisen gesteld en is voorzien in een keuring, een door de keuringsdienst op te maken keuringsrapport en een op basis daarvan door de Minister af te geven verklaring van goedkeuring. De rechtbank merkt op dat de officier van justitie – weliswaar in een zeer laat stadium – aanvullende stukken met betrekking tot de inzet van het technisch hulpmiddel en de conformiteitverklaring heeft overgelegd, zodat kan worden vastgesteld dat aan voornoemde waarborgen is voldaan en de apparatuur mocht worden ingezet ter uitvoering van het op de voet van art. 126l, eerste lid, Sv gegeven bevel tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie. Het door de raadsvrouw aangehaald arrest van de Hoge Raad ziet naar het oordeel van de rechtbank overigens niet op de situatie, zoals die hier aan de orde is. Uit de Aanwijzing volgt dat een bevel opnemen van vertrouwelijke communicatie slechts door de officier van justitie kan worden afgegeven, nadat hij op zijn vordering een schriftelijke machtiging heeft gekregen van de rechter-commissaris. Als uitgangspunt geldt echter dat de officier van justitie eerst toestemming dient te verkrijgen binnen de ‘OM-lijn’ alvorens hij een vordering kan doen aan de rechter-commissaris. Indien vertrouwelijke communicatie moet worden opgenomen in een besloten plaats dan zal de hoofdofficier van justitie van het betrokken parket hiervoor toestemming moeten geven. Anders dan de raadsvrouw ziet de rechtbank het verkrijgen van de toestemming van de hoofdofficier van justitie zoals is aangegeven in de Aanwijzing als een norm die binnen het Openbaar Ministerie dient te worden gehandhaafd. Het betreft een interne controle mogelijkheid in verband met de capaciteit binnen het Openbaar Ministerie en de financiële mogelijkheden binnen het parket voor de inzet van een dergelijk technisch hulpmiddel. Uit de Aanwijzing volgt niet dat de toestemming schriftelijk dient te zijn verleend en dat deze aan het dossier dient te worden toegevoegd. Een eventuele overtreding heeft geen gevolgen voor de positie van een verdachte, nu deze bepaling niet is opgenomen in het belang van verdachte. Het belang van verdachte is immers al gewaarborgd door de vordering van de officier van justitie en de toetsing van de vordering tot inzet van het opnemen van vertrouwelijke communicatie door de rechter-commissaris. De rechter-commissaris heeft schriftelijke machtigingen verstrekt en daarbij de aanvragen getoetst aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. De rechtbank is niet gebleken dat er onrechtmatigheden kleven aan de verstrekte machtigingen of dat de rechter-commissaris in redelijkheid niet tot haar of zijn oordeel heeft kunnen komen. Weergave van de gesprekken De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat is gebleken dat de vertalingen van de gesprekken door de diverse tolken niet 100% kloppen en heeft daarbij verwezen naar een vijftal processen-verbaal. Volgens de verdediging zijn gesprekken geheel of gedeeltelijk verkeerd vertaald en hebben de tolken interpretaties gegeven aan de inhoud van de gesprekken of conclusies getrokken. Volgens de verdediging dienen alle tap- en pinggesprekken die geen letterlijke weergave van het gezegde bevatten te worden uitgesloten van het bewijs. De rechtbank overweegt als volgt. Het dossier bevat een zeer groot aantal afgeluisterde telefoon- en OVC-gesprekken en sms-berichten. Ten aanzien van diverse gesprekken heeft het Openbaar Ministerie enkel samenvattingen overgelegd. Soms zijn de gesprekken gedeeltelijk samengevat. Hier komt bij dat de gesprekssamenvattingen hier en daar zijn voorzien van interpretaties van verbalisanten en/of tolken over welke personen de gesprekken voeren en waarover zij spreken. Vast staat dat de originele afgeluisterde en opgenomen gesprekken nog beschikbaar zijn, zodat het zowel voor de verdediging als voor de rechtbank mogelijk was te beoordelen of die samenvattingen een correcte weergave van de desbetreffende gesprekken geven. Gelet hierop kan niet zonder meer worden gesteld dat de gesprekssamenvattingen onvoldoende betrouwbaar zijn en dat deze reeds om die reden niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd. De omstandigheid dat de vertalingen van de door de KMar ingeschakelde tolken van de tapgesprekken verschillen van vertalingen door later door de verdediging ingeschakelde tolken, maakt dit oordeel niet anders. Sommige woorden zijn inderdaad anders vertaald, de essentie/strekking van het gesprokene is echter in beide vertalingen gelijkluidend. Een en ander kan met de interpretatie van bepaalde woorden te maken hebben. Bovendien gaat het bij de door de raadsvrouw gegeven voorbeelden doorgaans niet om vertaalfouten, maar om (mogelijke) luisterfouten. Afgaande op wat de luisteraar, in casu de tolk, hoort, zal hij tot een andere vertaling komen. Dit blijft onvermijdelijk en is in het kader van de oordeelsvorming in deze zaak - nu de gesprekken in zijn geheel qua strekking geen aanleiding geven tot misverstand - overigens niet van belang. De verdediging heeft reeds in een vroeg stadium onderzoekswensen kunnen uiten, waarbij zij mede door verdachte betwiste gesprekken en pingberichten opnieuw had kunnen uitluisteren of laten vertalen. Zelfs bij gelegenheid van de inhoudelijke behandeling is door de officier van justitie deze mogelijkheid nog geboden. De verdediging heeft hiervan slechts in zeer beperkte mate gebruik gemaakt. Voor de toetsing van de validiteit van de gesprekken beziet de rechtbank voorts de externe betrouwbaarheid, dat wil zeggen de vraag of datgene dat in een vertaald gesprek als werkelijkheid wordt gepresenteerd, ook is terug te vinden in de overige bewijsmiddelen. De rechtbank ziet ook daarin geen aanknopingspunten op voorhand alle tap- en OVC-gesprekken, (sms-) en pingberichten uit te sluiten van het bewijs. De uitspraak van de rechtbank Utrecht, waarnaar de verdediging heeft verwezen maakt dit niet anders, nu de gronden waarop die rechtbank tot bewijsuitsluiting is gekomen in de onderhavige zaak niet aannemelijk zijn en evenmin zijn gebleken. De rechtbank zal telkens per gesprek of sms-bericht beoordelen of deze voor het bewijs kan worden gebruikt, mocht de verdediging daartegen specifieke bezwaren hebben aangevoerd. Suggestieve verbalen De verdediging heeft aangevoerd dat het dossier vele suggestieve samenvattingen en (ongefundeerde) conclusies bevat van verbalisanten, waardoor de beginselen van een goede procesorde zijn geschonden. De verdediging heeft in dat verband gewezen op een uitspraak van de Hoge Raad van 28 maart 2006 (NbSr 2006/112) waarin volgens de verdediging is geoordeeld dat een proces-verbaal niet mag dienen tot bewijs voor zover het een conclusie van een verbalisant betreft. De rechtbank heeft reeds bij de aanvang van de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting een kanttekening gemaakt met betrekking tot de vermoedens en conclusies van de verbalisanten in de diverse zaaksdossiers. Met nadruk is er op gewezen dat de vermoedens of conclusies die verbalisanten uiten naar aanleiding van diverse tap- en of OVC-gesprekken of observaties, niet de vermoedens of conclusies van de rechtbank zijn. Dat verbalisanten in een proces-verbaal vermoedens of conclusies weergeven naar aanleiding van bijvoorbeeld de inhoud van diverse tapgesprekken is niet in strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel. De rechtbank zal echter uitsluitend feiten en omstandigheden uit de processen-verbaal bezigen voor het bewijs die door verbalisanten zelf zijn waargenomen en niet de door leden van het onderzoeksteam van de KMar naar de aanleiding van die zelf waargenomen feiten en omstandigheden getrokken conclusies en vermoedens. Overigens is in de loopprocessen-verbaal in de diverse zaaksdossiers duidelijk gerelateerd dat het vermoedens of hypotheses betrof, zodat er geen sprake is van een situatie zoals in het door de raadsvrouw aangehaalde arrest van de Hoge Raad niet aan de orde is. Het niet horen van de getuige [niet gehoorde getuige] De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat door het niet kunnen horen van de – door de rechter-commissaris toegewezen – getuige [niet gehoorde getuige], er sprake is van schending van de beginselen van een goede procesorde. De rechtbank volgt de verdediging niet. De rechter-commissaris heeft het horen van getuige [niet gehoorde getuige] toegewezen en heeft een rechtshulpverzoek d.d. 20 juni 2013 aan Suriname gestuurd. Vervolgens heeft de rechter-commissaris middels een proces-verbaal van verrichtingen en bevindingen d.d. 5 september 2013 aangegeven dat het niet aannemelijk is dat de getuige [niet gehoorde getuige] binnen een aanvaardbare termijn door haar kan worden gehoord. Ter terechtzitting van 24 september 2013 heeft de rechtbank, gelet op de verklaring van de verdediging dat [niet gehoorde getuige] in de goudvelden in shifts van om en nabij de zes weken werkt, opgemerkt dat de conclusie van de rechter-commissaris wellicht ietwat te snel was getrokken gelet op de periode tussen de datum van het rechtshulpverzoek en de beslissing van de rechter-commissaris, en dat er alsnog pogingen zouden worden ondernomen via de rechter commissaris om de getuige [niet gehoorde getuige] te achterhalen. Een definitieve beslissing over het toe- of afwijzen van het verzoek tot aanhouding is op dat moment niet genomen. Hierbij heeft de rechtbank de verdediging gevraagd om zich bij voorbaat uit te laten over een eventuele afsplitsing van zaaksdossier B10, in welk dossier de verzochte getuige gehoord diende te worden, voor zover mocht blijken dat de getuige traceerbaar was, maar niet tijdig gehoord zou kunnen worden. Diezelfde dag heeft de rechtbank van de rechter-commissaris vernomen dat het rechtshulpverzoek niet was ingetrokken en dat er door de rechter-commissaris in Suriname een datum voor verhoor was gereserveerd. De rechter-commissaris heeft op verzoek van de rechtbank opnieuw pogingen ondernomen de getuige te traceren. De rechter-commissaris heeft de rechtbank vervolgens laten weten dat het kabinet van de rechter-commissaris in Suriname ondanks verschillende pogingen daartoe nog steeds geen contact met de getuige [niet gehoorde getuige] heeft kunnen krijgen. Ter zitting van 17 oktober 2013 heeft de verdediging opgemerkt dat er van de zijde van de verdediging contact is opgenomen met de familie van [niet gehoorde getuige] en er daarbij op aangedrongen is dat [niet gehoorde getuige] zo spoedig mogelijk contact diende op te nemen met de rechter-commissaris in Suriname. Dit is niet gebeurd en ook de verdediging heeft geen idee wanneer de getuige [niet gehoorde getuige] weer ‘boven water’ komt. Gelet op deze stand van zaken, alsmede gelet op het feit dat de verdediging niet heeft onderbouwd dat [niet gehoorde getuige] daadwerkelijk in diensten van zes weken in de goudmijnen van Suriname werkt en er aldus slechts sprake is van een aanname van de verdediging, [niet gehoorde getuige] geen adres heeft in Nederland en het kabinet van de rechter-commissaris in Suriname geen zekerheid over het door de raadsvrouw opgegeven adres van [niet gehoorde getuige] in Suriname heeft kunnen geven, heeft de rechtbank de beslissing van de rechter-commissaris van 5 september 2013 gehandhaafd en het verzoek om verdere aanhouding afgewezen. Er is gelet op deze gang van zaken geen sprake van een schending van de beginselen van een goede procesorde. De verdediging heeft deze stelling overigens op geen enkele wijze onderbouwd, dan wel anderszins aannemelijk gemaakt. Onvolledig dossierDe verdediging heeft opgemerkt dat het Openbaar Ministerie – in elk geval voor wat betreft feit 3 op de tenlastelegging – niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Verdachte was, blijkens het hem toegekende parketnummer, reeds in 2011 in onderzoek Vinson aangemerkt als verdachte. Daarna is het onderzoek Everest gestart. Diverse keren is door de verdediging verzocht om te kunnen beschikken over het volledige dossier Vinson, hetgeen niet mogelijk is gebleken. Hierdoor heeft de verdediging niet volledig kunnen toetsen of de start van het onderzoek naar verdachte en het verdere verloop rechtmatig is geweest. Ook mist de verdediging mogelijk ontlastende stukken uit het dossier Vinson. Dit geldt te meer nu de periode van feit 3 (de aan verdachte ten laste gelegde criminele organisatie) aanvangt in 2011, dus voor de start van onderzoek Everest. Hetgeen in dit verband door de verdediging wordt aangevoerd geeft geen aanleiding te veronderstellen dat er sprake is van enige onzorgvuldigheid in het opsporingsonderzoek en de gebruikte opsporingsmethoden dan wel enig (vorm)verzuim dat relevant is voor de beantwoording van de rechtsvragen vervat in de artikelen 348 en 350 Sv. De rechtbank merkt nog op dat in het zeer uitvoerige start proces-verbaal van onderzoek Everest, de onderzoeksresultaten van het onderzoek Vinson zijn gerelateerd voor zover deze zien op het ontstaan van de verdenking en de start van het onderzoek naar verdachte. Tevens zijn de diverse – aan verdachte ten laste gelegde – incidenten die onder de onderzoeksperiode van Vinson vallen, ook in zijn geheel opgenomen in het onderzoek Everest. Bij twijfel had het op de weg van de verdediging gelegen op grond daarvan concrete en onderbouwde nadere onderzoekswensen te formuleren, hetgeen niet is geschied. De rechtbank ziet geen aanleiding voor de conclusie dat het Openbaar Ministerie om deze reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Eindconclusie: Nu gelet op het voorgaande geen van de afzonderlijke aangevoerde punten een schending van de beginselen van de goede procesorde dan wel een vormverzuim opleveren, verwerpt de rechtbank het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in al zijn onderdelen. Voor bewijsuitsluiting of strafvermindering is gelet op het voorgaande evenmin aanleiding. Overige voorvragen: De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ook overigens ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3. Algemeen 3.1. InleidingOp 2 mei 2011 is het Schipholteam gestart met onderzoek Hazelaar. Vanaf 6 juni 2011 tot 2 april 2012 is het onderzoek projectmatig aangepakt en om die reden onder de naam Vinson overgenomen door de afdeling Zware Criminaliteit van de KMar. Het onderzoek richtte zich primair op een organisatie die zich bezig zou houden met de invoer van cocaïne via de luchthaven Schiphol met behulp van aldaar werkzame corrupte bagagemedewerkers. Tijdens onderzoek Vinson kwam onder andere als verdachte naar voren bagagemedewerker [hoofdverdachte] (hierna ook te noemen: [hoofdverdachte]). Op 2 april 2012 is besloten een afzonderlijk onderzoek met de naam Everest te starten naar [hoofdverdachte] en personen om hem heen die zich bezig zouden houden met de invoer van verdovende middelen via de luchthaven Schiphol. 3.2. Toetsingskader De rechtbank zal om tot een bewezenverklaring van de opzettelijke invoer van cocaïne te komen het toetsingskader hanteren zoals dat door het Gerechtshof Amsterdam onder meer in het onderzoek Pan (onder andere ECLI:GHAMS; 2012:BY0657) is verwoord. Ook de officier van justitie en de verdediging hebben zich tijdens de behandeling van de verschillende zaaksdossiers op dit toetsingskader beroepen. Uitgangspunt is dat de opzettelijke invoer van cocaïne in beginsel pas voor bewezenverklaring in aanmerking komt wanneer tijdens het opsporingsonderzoek ook daadwerkelijk een hoeveelheid cocaïne is aangetroffen en in beslag genomen. Onder bepaalde omstandigheden kan van dat uitgangspunt worden afgeweken. Daarbij is met name het volgende van belang. In zaaksdossiers waar door de opsporingsambtenaren geen cocaïne is aangetroffen en in beslag genomen, is blijkens de inhoud van de afgeluisterde en opgenomen gesprekken door de verdachten evenmin met zoveel woorden over cocaïne gesproken. Toch is ook in die gevallen een bewezenverklaring mogelijk, mits op grond van het samenstel van feiten en omstandigheden geen andere conclusie mogelijk is dan dat er sprake is geweest van handelingen met betrekking tot cocaïne. Deze conclusie kan, naar het oordeel van de rechterbank, ook worden getrokken indien blijkt van een patroon van handelingen en gebeurtenissen dat in aanzienlijke mate overeenkomt met het patroon, beschreven in een zaaksdossier waarin wel een hoeveelheid cocaïne is aangetroffen en in beslag genomen en dat in die zaak tot een bewezenverklaring heeft geleid. In die situatie is onder meer de combinatie van de betrokken personen, het gebezigde taalgebruik in de afgeluisterde en opgenomen gesprekken en de modus operandi van betekenis. Overigens is voor die conclusie geen plaats indien de verdachte een aannemelijke verklaring heeft weten te geven voor de inhoud van de hem voorgehouden relevante gesprekken of andere uit het dossier blijkende belastende feiten en omstandigheden. 3.3. ‘Surinaamse’ woorden De rechtbank is ambtshalve bekend dat de woorden ‘matie’ of ‘mattie’ het Surinaamse woord voor ‘vriend’ is, en dat het woord ‘torie’ in het Surinaams gebruikt wordt om ‘iets’, wat dan ook, aan te duiden. Het woord ‘Lantie’ betekent overheid. Het woord ‘doekoe’ betekent geld. 4. Bewijs 4.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder feit 2 (zaaksdossier B10) ten laste gelegde feit en tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten. 4.2. Vrijspraak Ten aanzien van feit 2 (zaaksdossier B04) Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de invoer van verdovende middelen op 12 mei 2012 via Schiphol. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. Het onderhavige zaaksdossier betreft een drietal incidenten. De onder primair ten laste gelegde invoer van cocaïne ziet uitsluitend op het laatste incident op 12 mei 2012. Bij geen van de eerdere twee incidenten is cocaïne aangetroffen. De eerste keer werden petjes aangetroffen en de tweede keer bananen. De rechtbank constateert dat ook op 12 mei 2012 geen cocaïne is aangetroffen. De koffer van de passagier [passagier] is – zonder onderschept te zijn – mogelijk doorgereisd naar Barcelona. Hoewel het dossier geen rechtshulpverzoek of proces-verbaal hieromtrent bevat, gaat de rechtbank uit van de constatering in het loopproces-verbaal en bevestigd door de officier van justitie ter terechtzitting dat de Spaanse autoriteiten de koffer evenmin hebben kunnen onderscheppen en dat vragen van het Openbaar Ministerie aan de Spaanse autoriteiten hieromtrent, geen (schriftelijke) beantwoording hebben opgeleverd. Gelet hierop staat niet vast dat zich in de koffer van [passagier] daadwerkelijk verdovende middelen bevonden, terwijl uit het zaaksdossier ook overigens geen concrete informatie naar voren komt, waaruit de aanwezigheid van cocaïne met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid volgt. De officier van justitie heeft zich in zijn requisitoir op het standpunt gesteld dat bij de bewijsconstructie gebruik dient te worden gemaakt van schakelbewijs, te weten de modus operandi zoals beschreven in zaaksdossier B07. De rechtbank beziet het standpunt van de officier van justitie in het licht van hetgeen hiervoor in het algemeen ten aanzien van het toetsingskader is overwogen, Het onderzoek Everest betreft een groot aantal verdachten, welke zich in wisselende samenstellingen hebben schuldig gemaakt aan (voorbereiding van
- de)invoer van verdovende middelen en waarbij sprake is van verschillende (in meer of mindere mate uiteenlopende) werkwijzen. De rechtbank stelt vast dat zaaksdossier B07, waarin cocaïne is aangetroffen, een verdenking van invoer van cocaïne van een latere datum betreft. Tevens zijn in dit dossier, naast verdachte, ook andere personen betrokken. De rechtbank is voorts van oordeel dat de modus operandi in zaaksdossier B07 niet zodanig is dat deze op essentiële punten naadloos aansluit bij de modus operandi in de onderhavige zaak. De rechtbank is gelet op al deze factoren dan ook van oordeel dat bij de bewijsconstructie geen gebruik kan worden gemaakt van het door de officier van justitie voorgestane schakelbewijs. Gelet hierop zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het hem ten laste gelegde. Ten aanzien van feit 2 (zaaksdossier B10) Met de officier van justitie en de raadsvrouw van verdachte is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard hetgeen aan verdachte onder 2 ten aanzien van zaaksdossier B10 is ten laste gelegd, kort gezegd het medeplegen van de invoer van een hoeveelheid cocaïne op 1 juli 2012 in Nederland. Verdachte dient daarvan te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt wat dat betreft als volgt. Uit de inhoud van zaaksdossier B10 en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat op 1 juli 2012 een rode koffer met 7.705,2 gram netto cocaïne op de luchthaven Schiphol is aangekomen. Deze koffer was afkomstig van vlucht KL758 vanuit Panama en voorzien van een bagagelabel met het nummer 8074KL200553 en een onleesbare, handgeschreven tekst (zaaksdossier B10, pagina 65-92). De vraag is echter of de aangetroffen koffer met verdovende middelen in direct verband kan worden gebracht met verdachte. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Uit de inhoud van zaaksdossier B10 – meer in het bijzonder de opgenomen tap- en OVC-gesprekken – blijkt niet dat door verdachte en de medeverdachte over dit bagagelabel is gecommuniceerd terwijl ook anderszins geen verband kan worden gelegd tussen verdachte en de koffer. Evenmin is door verdachte met zijn medeverdachte dan wel anderen gesproken, in welke zin dan ook, over het onderscheppen van deze koffer door de douane of de KMar. Ten aanzien van feit 3 (zaaksdossier 18) De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 3 – kort gezegd – deelneming aan een criminele organisatie. De officier van justitie heeft hierbij opgemerkt dat anders dan het zaaksdossier B18 doet vermoeden, het Openbaar Ministerie alleen die verdachten heeft vervolgd die deel zouden uitmaken van het samenwerkingsverband op Schiphol. De criminele organisatie bestaat derhalve volgens de officier van justitie in de periode van 1 mei 2012 tot en met 3 september 2012. De rechtbank overweegt als volgt. Aan de verdachte wordt onder feit 3 feit verweten dat hij in de periode van 27 oktober 2011 tot en met 3 september 2012 heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had – kort gezegd – het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet. Het feit, de deelneming aan georganiseerde illegale drugshandel, is strafbaar gesteld in artikel 11a van de Opiumwet. Dat artikel is een zogenoemde specialis van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht, zodat de bij dat artikel behorende jurisprudentie ook van toepassing is op artikel 11a van de Opiumwet. Volgens de jurisprudentie is van een organisatie als bedoeld in voormeld artikel 140 Sr sprake in geval van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen. Voorts is een zekere bestendigheid van het samenwerkingsverband noodzakelijk. Nu de officier van justitie uitdrukkelijk het standpunt heeft ingenomen dat het samenwerkingsverband ziet op de bagagekeldermedewerkers [medeverdachte 2] en [hoofdverdachte], zal de rechtbank de overige in het zaaksdossier genoemde verdachten bij de beoordeling buiten beschouwing laten. De rechtbank komt ten aanzien van verdachte uitsluitend tot een veroordeling voor medeplegen van de invoer van cocaïne met [medeverdachte 2] in de zaaksdossiers B05 en B06. Tegen die achtergrond bezien kan reeds niet gezegd worden dat sprake is van een duurzaam en bestendig samenwerkingsverband gericht op de invoer van cocaïne. De zaaksdossiers B05 en B06 spelen zich bovendien af in een zeer korte periode, namelijk invoer van cocaïne op 25 mei 2012 en op 28 mei 2012. De contacten tussen verdachte en [medeverdachte 2] zijn naar het oordeel van de rechtbank ook onvoldoende qua frequentie en inhoud om van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband te kunnen spreken. Hoewel verbalisanten in de desbetreffende zaaksdossiers frequent relateren dat er een andere duiding aan de gesprekken gegeven moet worden, in die zin dat zij daarvan vermoedens hebben, zijn vermoedens dan wel hypotheses alleen onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Gelet op het voorgaande is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring te komen van hetgeen onder feit 3 aan verdachte is ten laste gelegd. De rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken. 4.3. Redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder feit 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van het volgende. Ten aanzien van feit 1 (zaaksdossier B03) Communicatie: In het onderzoek Everest zijn verschillende telefoon-, imei-, PIN-nummers en ip-adressen naar voren gekomen. PIN-nummers zijn unieke nummers van BlackBerry smartphones, waarmee de gebruikers van deze toestellen met elkaar kunnen communiceren (‘pingen’). De PIN-code kan gekoppeld worden aan de door de gebruiker opgegeven naam, hetzij de eigen naam of een nickname. Een imei-nummer heeft als eigenschap dat het verbonden is met de mobiele telefoon die gebruikt wordt. Het imei-nummer blijft bij het toestel en verandert nooit. Mocht de gebruiker een andere simkaart in het toestel stoppen dan blijft het imei-nummer hetzelfde maar het 06-nummer verandert wel. Een IP-adres betreft een internetaansluitingsnummer. Alvorens de afzonderlijke zaaksdossiers te bespreken, zal de rechtbank eerst aangeven welke nummers en ip-adressen zij aan welke verdachte toeschrijft en op grond waarvan. Verdachte [hoofdverdachte]: De BlackBerry telefoon met Imei-nummer [IMEI 1 hoofdverdachte] (T921), met bijbehorende unieke pincode [pincode] en gebruikersnaam [pinnaam] zijn in gebruik bij [hoofdverdachte]. Voorts is de telefoon met Imei-nummer [IMEI 2 hoofdverdachte] in gebruik bij hem. Nu door en namens [hoofdverdachte] niet is betwist dat voormelde nummers aan hem toebehoren en dat hij deelnemer is geweest aan de met deze nummers gevoerde gesprekken, zal de rechtbank de Imei-nummers [IMEI 1 hoofdverdachte] en [IMEI 2 hoofdverdachte] en de daarmee gevoerde gesprekken aan hem toeschrijven. Evenmin is door verdachte betwist dat hij de gebruiker is van de pincode [pincode] en pingnaam [pinnaam], zodat de rechtbank ook de onder dat nummer en die naam gevoerde ping-conversaties aan hem zal toeschrijven. Een en ander voor zover in het navolgende geen andersluidend oordeel is gegeven. Medeverdachte [medeverdachte 1]: De mobiele telefoonnummers [telefoonnummer 1 medeverdachte 1], hierna [telefoonnummer 1 medeverdachte 1] (T1001), [telefoonnummer 2 medeverdachte 1], hierna [telefoonnummer 2 medeverdachte 1] en de BlackBerry telefoon met unieke pincode [pincode] en de gebruikersnaam [pinnaam] zijn bij [medeverdachte 1] in gebruik. Voorts maakt [medeverdachte 1] gebruik van het IP-adres [ip-adres] (T1002). Door en namens [medeverdachte 1] is niet betwist dat voormelde nummers [telefoonnummer 1 medeverdachte 1] en [telefoonnummer 2 medeverdachte 1] aan hem toebehoren en dat hij deelnemer is aan de met deze nummers gevoerde gesprekken. Derhalve zal de rechtbank deze gesprekken aan [medeverdachte 1] toeschrijven. Evenmin is door [medeverdachte 1] betwist dat hij de gebruiker is van de pingnaam [pinnaam], zodat de rechtbank ook de onder die naam gevoerde ping-conversaties aan hem zal toeschrijven. Tenslotte is door verdachte evenmin betwist dat hij gebruik maakt van de e-mailadressen [e-mailadres 1], [e-mailadres 2] en [e-mailadres 3] en is in de woning van [medeverdachte 1] een BlackBerry telefoontoestel gevonden met telefoonnummer [telefoonnummer 3 medeverdachte 1] waarvan het hoofdmenu via twee sneltoetsen toegang geeft tot de mailbox surimaria@hotmail.com, zodat de rechtbank ook de daarmee gevoerde e-mailconversaties aan verdachte zal toeschrijven. Een en ander voor zover in het navolgende geen andersluidend oordeel is gegeven. Medeverdachte [medeverdachte 4]: Het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer medeverdachte 4] is bij [medeverdachte 4] in gebruik. Nu door en namens hem niet is betwist dat voormeld nummer aan hem toebehoort en dat hij deelnemer is aan de met dit nummer gevoerde gesprekken, zal de rechtbank deze gesprekken aan hem toeschrijven. OVC-gesprekken Tevens is er in het onderzoek sprake geweest van het opnemen van vertrouwelijke communicatie (OVC) in een personenauto Mazda 3 met kenteken [kenteken hoofdverdachte]. Deze Mazda stond op naam van verdachte. [hoofdverdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] hebben niet betwist dat zij hebben deelgenomen aan de hen toegeschreven gesprekken in deze Mazda. De rechtbank gaat bij de redengevende feiten en omstandigheden dan ook van dat gegeven uit. Redengevende feiten en omstandigheden: De in zaaksdossier B03 figurerende verdachten wordt - kort gezegd - verweten dat zij zich in de periode van 7 maart 2012 tot en met 13 maart en op 26 maart 2012 schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van invoer van cocaïne in Nederland, en wel van ongeveer 1 kilogram respectievelijk bijna 6 kilogram cocaïne. Alle schriftelijke bescheiden welke in de voetnoten worden genoemd zijn gevoegd bij het loopproces-verbaal zaaksdossier B03, opgemaakt d.d. 20 november 2012 en dienen in onderlinge samenhang en verband met dit proces-verbaal te worden bezien. Ten aanzien van het eerste pakket. Op 10 februari 2012 zegt [medeverdachte 4] tegen [hoofdverdachte] dat hij een sms heeft gekregen van ‘die witte man’ en dat zij later telefonisch contact hebben gehad waarbij hij heeft aangegeven in het ziekenhuis te hebben gelegen. Op 13 en 19 februari 2012 hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] contact met elkaar, waarin [medeverdachte 4] ([voornaam medeverdachte 4]) vraagt of [medeverdachte 1] is geïnteresseerd in 2½ brood. [medeverdachte 1] heeft geen interesse, maar wil wel afspreken met [medeverdachte 4]. Er wordt een afspraak gemaakt om elkaar weer te bellen. De volgende dag, 20 februari 2012, belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte in Suriname], die gebruik maakt van een nummer met Suriname als landcode, en vraagt of [medeverdachte in Suriname] nog een mailtje heeft gestuurd. Als het aan hen beiden ligt gaan ze wat doen binnenkort, want [medeverdachte 1] zit maar de hele dag stil. Na een gesprek met [medeverdachte 1] op 21 februari 2012 om 16.32 uur belt [medeverdachte 4] om 18.27 uur naar [hoofdverdachte] en zegt dat beide mensen, koeliman van wit boeba en wit boeba, hem vandaag hebben gebeld. Wit boeba gaat zaterdag bellen. Hij heeft gezegd dat [hoofdverdachte] nog iets van hem krijgt. Later in het gesprek zegt hij dat ‘ie’ vrijdag gaat bellen. Op 22 februari 2012 belt [medeverdachte in Suriname] naar [medeverdachte 1] en vraagt hem of hij Bert kent. [medeverdachte in Suriname] zegt dat je Peppie en Kokkie had en dan had je er nog eentje die noemden ze Bert. [medeverdachte 1] kent Bert wel, hij heeft hem van de week nog gebeld. Van Bert en Ernie. [medeverdachte 1] heeft tegen Bert gezegd dat hij van het weekend bij hem langs gaat, want Bert had hem van de week gebeld of hij een keer langs kon komen. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij met Bert en Ernie [medeverdachte 4] en [hoofdverdachte] bedoelt. Op 22 februari 2012 wordt om 22.09 uur een bericht opgeslagen in de e-mailbox [e-mailadres 1]: ‘Beste [voornaam medeverdachte 1], Na hele lange tijd weer een schrijven van mij. (...) Over het andere die van bert had ik je verleden jaar verteld over pakket van 500euro max en als alles later goed gaat zouden ze het kunnen verhogen met boeken, toen zei je me dat je die kleintjes niet wilde maar nu is de weg weer vrij want heb hier die mensen die het afhandelen. Volgens bert trekt hij het weg maar heb gisteren met bert gesproken want bert zou me vandaag bellen om te vertellen hoeveel dozen hij per keer kan trekken, ik vroeg ook wat zijn kosten zijn hiervoor. Want het is namelijk zo dat ik bij de leverancier van me al 4 maanden 3 boeken heb liggen waardoor ik komende week wil beginnen, hangt nu van bert af wat hij zegt. Die 2500 wat ik voor je zou sturen, kan je daar een deel van gebruiken daar ik wat kosten moet betalen als er gepokert word of wil je die 2500 volgend week pas hebben zodat ik wat ruimte heb om te spelen. Als bert zover is wil ik je vragen of jij het afhandeld. (..)’ Diezelfde avond is er om 22.15 uur telefonisch contact tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte in Suriname]. [medeverdachte 1] heeft de mail gelezen. Over dat andere heeft hij al eens gesproken met Bert. Gisteren heeft [medeverdachte in Suriname] Bert gebeld en Bert heeft gezegd dat hij het kan en dat hij vandaag nadere gegevens zou geven. [medeverdachte in Suriname] zegt ‘in de beginnen 500 euro en na een paar keren gaat hij naar die boeken’. Op de vraag van [medeverdachte 1] of hij een boek per keer kan doen, zegt [medeverdachte in Suriname] ‘2 of 3’. ‘En die 500 euro is per een’. [medeverdachte in Suriname] gaat hem bellen om te vragen hoeveel hij kan afhandelen per keer. Hij zegt ‘Is het 1 maal 5 of 2 maal 5, is ook een boek’. [medeverdachte 1] zegt dat [medeverdachte in Suriname] maar moet bellen en zeggen dat [medeverdachte 1] wel tijd heeft. [medeverdachte in Suriname] wil de prijs van [medeverdachte 1] weten en wil verder weten ‘Hoe hij het verpakt wil hebben in kadopapier weet ik veel. Daarvoor ga ik hem effe bellen’. [medeverdachte in Suriname] zegt nog ‘al is het maar een boek per week dan is het goed’ en ‘de kosten zijn laag’. [medeverdachte 1] beaamt dat. [medeverdachte in Suriname] zal hem bellen en belt dan [medeverdachte 1] terug. Kort daarna belt [medeverdachte in Suriname] terug en zegt dat hij hem heeft gesproken en dat ‘hij’ over een uurtje terugbelt. [medeverdachte in Suriname] gaat hem zeggen dat [medeverdachte 1] morgen of overmorgen bij hem kan zijn. [medeverdachte 1] antwoordt dat hij zijn nummer heeft en hem morgen nog wel even zal bellen.’ Op 23 februari 2012 omstreeks 13.45 uur belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 4]. [medeverdachte 4] geeft aan dat hij gisteren met [medeverdachte in Suriname] heeft gesproken. Ze spreken af dat [medeverdachte 1] die avond rond 18 uur belt en dan geeft [medeverdachte 4] aan of hij om 21.00 uur al thuis is. [medeverdachte 1] zegt dat het goed is en dat het belangrijk is dat hij hem spreekt vanavond. Nadat ze die avond nogmaals telefonisch contact hebben gehad en daarbij rond negen uur hebben afgesproken, belt [medeverdachte 1] om 21.03 uur naar [medeverdachte 4] en zegt dat hij voor de deur staat en vraagt naar het nummer van [medeverdachte 4]. [medeverdachte 4] antwoordt ’druk 12-42’. Omstreeks 21.19 uur belt [medeverdachte 4] naar [hoofdverdachte] en zegt dat [medeverdachte 1], ‘[voornaam medeverdachte 1]’, bij hem is. [medeverdachte 1] komt aan de telefoon en zegt dat [hoofdverdachte] nog geld van hem krijgt en dat hij dat wil geven en dat ze binnenkort even een afspraak moeten maken, waarop [hoofdverdachte] antwoordt dat hij tot zondag aan het werk is. [medeverdachte 1] zegt dat hij zijn ping weer heeft geactiveerd en [hoofdverdachte] antwoordt dat hij zijn ping bij [voornaam medeverdachte 4] moet laten. Nadat [medeverdachte 1] is weggegaan belt [medeverdachte 4] naar [hoofdverdachte] en zegt ‘hij zei, die drie bussen welke hij beneden heeft gekocht, die zijn van hem. [medeverdachte in Suriname] is zijn chauffeur. Je moet maar kijken want hij is nu opgewonden, je moet op tijd zijn.’ en [hoofdverdachte] antwoordt ‘laat hem zaterdag komen.’ [medeverdachte 4] laat [medeverdachte 1] telefonisch weten dat hij zaterdagavond kan komen. Op 24 februari 2012 plaatst [medeverdachte 1] een mail in de e-mailbox [e-mailadres 1] met de tekst: ‘Beste [medeverdachte in Suriname], Ik heb een gesprek gehad met Bert. Nou is Bert over het algemeen niet zo duidelijk maar ik weet nu wat de opzet is. Jij gaat een pakket verzenden en laat hem ook nog even testen door de fotograaf of alles wel goed zit. Bert zorgt er voor samen met mijn andere vriend Ernie dat ze het pakket ophalen. Vervolgens krijg ik het pakket. Mijn vraag is hoeveel kan je op deze manier verzenden en waar wil je mee beginnen? Je hebt gelukkig nog 3 boeken dus we kunnen even vooruit. Wat zijn totale kosten dus boek en verzenden zoals jij dat doet? Ik heb begrepen van Bert en Ernie dat zij 25% krijgen. Ik vind dat een goed percentage. Laten we snel beginnen. Groeten [voornaam medeverdachte 1].’ [medeverdachte 1] heeft verklaard dat deze mail ging over het verzenden van een pakket met daarin 1 stuks. Met 1 stuks wordt bedoeld 1 kilogram of een halve kilogram cocaïne. Met drie boeken wordt bedoeld 3 stuks cocaïne, vermoedelijk 3 kilo. De fotograaf is de X-ray, waarop moet worden gekeken of je het kan zien. [medeverdachte 4] en [hoofdverdachte] wilden 25% ontvangen voor de afwikkeling. Op 24 februari 2012 omstreeks 13.53 uur belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte in Suriname]. [medeverdachte in Suriname] zegt dat hij met die andere gesproken heeft, die hem de adressen gaf enzo. Dat is Ernie zegt [medeverdachte 1]. [medeverdachte in Suriname] denkt dat Ernie ook daar werkt he, hetgeen [medeverdachte 1] bevestigt. [medeverdachte in Suriname] geeft op een vraag van [voornaam medeverdachte 1] aan dat hij denkt tot 500 euro per keer te kunnen doen. Een half boek. [medeverdachte in Suriname] gaat hem van het weekend bellen en vragen een half boek per keer of 2 keer een half boek, maar dat is het maximale. [medeverdachte in Suriname] krijgt vandaag nog de prijs van ze, van de fotoman enzo. [medeverdachte in Suriname] mikt op 2 keer per week, maar kijkt even wat ze vanavond zeggen. [medeverdachte 1] zegt dat hij een mailtje voor [medeverdachte in Suriname] heeft gezet, waarop [medeverdachte in Suriname] antwoordt dat hij ook wat zal zetten. [medeverdachte 1] gaat morgenavond naar ze toe, dan zijn Bert en Ernie samen. [medeverdachte 1] is blij dat [medeverdachte in Suriname] nog 3 boeken heeft liggen, dan kunnen ze daar iets mee doen. [medeverdachte in Suriname] zet het vandaag in de box. En wat opties wat hij moet doen. [medeverdachte 1] zal heel duidelijk antwoordt geven. Op 25 februari 2012 slaat [medeverdachte 1] een mail op in de e-mailbox van [e-mailadres 1]: ‘(..) Nagekomen bericht: Het is nu hier zaterdag 13.00 uur. Vanavond heb ii een gesprek met Bert en Ernie. Laten we zoveel mogelijk via de mail gegevens uitwisselen. Al dat geklets over de telefoon brengt mij ontzettend in gevaar!!!!!!!!!!!!!!!!! Geef berichten via de mail ook snel door. Niet dat ik steeds maar moet bellen om een bericht te krijgen, dat werkt frustrerend. En neem aub een blackberry. Daarmee kan je makkelijk elkaar informeren. Ik neem aan dat je voldoende gegevens van Bert heb gekregen. Ik zal vanavond nog eens doorvragen en je daarvan verslag doen.’ Op 25 februari 2012, om 20.45 uur, vindt een ontmoeting plaats tussen [hoofdverdachte], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] in de auto van [hoofdverdachte]. [medeverdachte 4] zegt op een gegeven moment ‘[medeverdachte in Suriname] heeft me gezegd .. Kijk ik heb een project, we gaan zo werken, kan je zoiets doen om het weg te halen’ en ‘wanneer dat spul is aangekomen moet ik het aan iemand geven’. [medeverdachte 1] vraagt of [hoofdverdachte] het verhaal snapt. ‘Hij gaat een pakketje sturen, laat ik het maar vertalen. [medeverdachte in Suriname] stuurt een pakketje en daar zit iets in.’ en ‘[medeverdachte in Suriname] heeft wel contacten daar met de douane dat ze het er niet uitgooien en onze vriend zegt hier .. [voornaam medeverdachte 4] .. dan haal ik het pakketje op’. [medeverdachte 1] zegt verder ‘ze gooien het wel door de scan, maar hij kan het niet even van te voren laten testen’. [hoofdverdachte] vraagt of het rendabel is en [medeverdachte 1] antwoordt dat hij dat niet weet. [hoofdverdachte] zegt dat die mensen 4.000 euro vragen, ‘voor 1 natuurlijk’. Wat later zegt [hoofdverdachte] dat hij [medeverdachte in Suriname] heeft gesproken. Op de vraagt van [medeverdachte 1] of hij heeft begrepen hoe hij het gaat doen, antwoordt [hoofdverdachte] ‘hij heeft gezegd dat is zijn pakkie aan (..) hij heeft gezegd ik hoef me niet druk te maken met die kant.. Die kant is voor hem’. [hoofdverdachte] zegt later ‘in spijkerbroek gaat ie het zetten .. hij zei hij doet met 1’ en [medeverdachte 1] antwoordt ‘ja hij wou met een half beginnen. Ik weet het niet hoor. Misschien 1 hoor. Maar ik heb begrepen dat ie met een half wou beginnen.’ [hoofdverdachte] zegt nogmaals ‘hij heeft mij door de telefoon gezegd .. 1 (één)’. [medeverdachte 1] vraagt vervolgens aan [medeverdachte 4], ‘[voornaam medeverdachte 4]’, hoe hij het nou precies gaat doen. [medeverdachte 4] zegt dat [medeverdachte in Suriname] hem nu kan uitleggen hoe hij dat spul gaat zetten. [medeverdachte in Suriname] heeft gezegd dat hij een systeem heeft. Vervolgens legt [medeverdachte 4] uit hoe het systeem werkt en zegt ‘luister nou .. als je iets .. een doos ..laten we zeggen, je zou een koffer naar hier toe sturen, je moet toch een adres hebben. En naam van iemand.’ [medeverdachte 1] vraagt hoe het gaat als je het gaat ophalen, waarop [medeverdachte 4] antwoordt dat dat de pakkie an is van de mensen die het gaan ophalen. [medeverdachte 4] zeg dat hij [medeverdachte in Suriname] nu gaat bellen. [medeverdachte 1] zegt tegen [hoofdverdachte] ‘ok, nou ik heb er toch 3 liggen dus dan kunnen we toch wat verdienen.’ [hoofdverdachte] vraagt hoe hij het wil gaan sturen, per stuk. [medeverdachte 1] zegt dat hij waarschijnlijk voorzichtig zal beginnen. [medeverdachte 4] voert op de achtergrond een telefoongesprek en zegt dat [medeverdachte 1] hier bij hem is. [hoofdverdachte] zegt tegen [medeverdachte 4] dat hij moet vragen of hij ‘1’ gaat sturen of ‘een pond. Is het de helft of een hele’. Op de achtergrond stelt [medeverdachte 4] telefonisch de vraag of het een halve auto of een hele is en zegt vervolgens dat hij hem morgen hoort. Na het telefoongesprek zegt [medeverdachte 4] tegen [medeverdachte 1] dat ‘hij vanavond of morgen iets voor hem gaat sturen op zijn mail’. [medeverdachte 1] zegt ‘jullie moeten toch een rooster geven van wanneer ie kan sturen, of niet?’ Waarop [hoofdverdachte] en [medeverdachte 4] beiden ‘nee’ antwoorden. Het gesprek gaat verder over de wijze van contact via een ‘schone’ telefoon van [hoofdverdachte] ([hoofdverdachte]) en vervolgens geeft [medeverdachte 1] zijn pin nummer door aan [hoofdverdachte], nummer [pincode]. [hoofdverdachte] voegt [medeverdachte 1] toe en verzendt, waarop [medeverdachte 1] antwoordt ‘[pinnaam]’ en [hoofdverdachte] bevestigend antwoordt. [medeverdachte 1] accepteert, ‘[pinnaam] ..in behandeling’. [hoofdverdachte] zegt later in het gesprek ‘nee hij zegt hij stuurt 1’ en ‘hij moet broeken zetten ..Dinges goed verpakken omheen ..’ en ‘geef die mensen .. geef de iemand .. degene brengt het daar naartoe en degene scant het ook zelf’ en ‘diegene scant het .. als het goed is bevonden gaat ie gewoon door (..) Maar als het niet goed bevonden is kan diegene hem zeggen wat de schoonheidsfoutjes zijn’. [medeverdachte 1] zegt in antwoord hierop ‘ok ..en jij hebt de naam van die man of het contact’. [hoofdverdachte] zegt ‘Ja ja in Suriname ja’. Later zegt [medeverdachte 1] ‘ok nou we beginnen gewoon, dan verdienen we toch wat’ en ‘ik heb het al liggen daar. Ik heb er een stuk of wat liggen bij hem dus hij kan er gelijk mee werken gaan’ en ‘nou ik heb er maar 3 liggen, maar dat is toch goed om de spullen ff te doen’. Na een minuutje stilte meldt [medeverdachte 1] ‘oh, je bent beschikbaar zie ik… [pinnaam]’ en [hoofdverdachte] herhaalt ‘[pinnaam]oww, [pinnaam]oww’. [hoofdverdachte] meldt ‘van jou’. [medeverdachte 1] reageert daarop dat hij het dus doet, zijn naam is [pinnaam], dat staat er toch bij. Later in het gesprek zegt [medeverdachte 1] tegen [hoofdverdachte] ‘maar laat die jongen wat verdienen met dat doosie, want dat doen jullie samen he met die dozen?’ en [hoofdverdachte] zegt ‘Nee ik doe het voor hem.’ [medeverdachte 1] zegt ‘want wij hadden gezegd, je krijgt 8 ½ per .. dat had [medeverdachte in Suriname] met hem afgemaakt .. 25%. Wat is de prijs op het ogenblik, 34 ofzo’ en ‘dus ik zeg laten we er niet over ouwehoeren, gewoon 8 ½ per stuk want ene keer is het 33 en de andere keer 35’. Op de vraag van [medeverdachte 1] of [hoofdverdachte] er ook geen deeltje van moet hebben, antwoordt [hoofdverdachte] ‘van zijn deel ja’. [medeverdachte 1] zegt dat hij het aan [hoofdverdachte] of aan hem geeft en ‘dan moeten jullie samen maar…’, waarna [hoofdverdachte] aangeeft dat het goed is. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat het in dit gesprek gaat over hetzelfde pakketje met daarin één kilogram cocaïne en wat groente of fruit. Met 4.000 voor 1, wordt bedoeld dat [medeverdachte 1] € 4.000,- moet betalen voor 1 kilogram omdat er mensen betaald moeten worden. [medeverdachte 4] en [hoofdverdachte] zouden voor één kilogram € 8.500,- krijgen. Op 29 februari 2012 pingt [medeverdachte 1] (‘[pinnaam]’) om 10.46 uur aan [hoofdverdachte] (‘[pinnaam]’) dat hij er is. Op 29 februari 2012 omstreeks 12.02 uur vindt een nieuwe ontmoeting plaats tussen [hoofdverdachte] en [medeverdachte 1] in de auto van [hoofdverdachte]. [medeverdachte 1] zegt onder meer dat hij even wil praten over ‘onze’ vriend [voornaam medeverdachte 4] en zegt dat [medeverdachte in Suriname] van het weekend een pakket zal sturen. [medeverdachte 1] wordt niet veel wijzer van [medeverdachte 4]. [hoofdverdachte] zegt dat hij het aan [medeverdachte in Suriname] heeft uitgelegd. [medeverdachte 1] vraagt ‘en één stuks in een doos?’. [hoofdverdachte] legt het verder uit. Het mag geen kleine doos zijn, je moet een ruime doos nemen. Om en nabij de vijf kilo. [medeverdachte 1] vult aan ‘ja, en dan goed verpakken’. [hoofdverdachte] zegt ‘als het die scan is gepasseerd, dan pas kunnen ze het pakken. (..) Een andere jongen weer.’ [medeverdachte 1] vraagt of de man het ziet als het niet goed gaat met de doos. [hoofdverdachte] bevestigt dat en zegt dat de doos niet verder gaat. [hoofdverdachte] zegt later ‘bij die hoe heet dat bedrijf? (..) dat postbedrijf (..) krijgt alleen maar de naam’ Op de vraag van [medeverdachte 1] of dat een echte of een valse naam is, reageert [hoofdverdachte] ‘nee, een echte naam, echte naam. Dat postorderbedrijf krijgt de naam en achter die naam heb je tekentjes. (..) Dat wil zeggen dat het aangehouden is.’ [medeverdachte 1] vraagt of het wordt verzonden naar iemand met een telefoonnummer en ook een adres en of dat allemaal klopt. [hoofdverdachte] bevestigt dat en zegt dat alles klopt. [medeverdachte 1] vraagt verder of als het verkeerd gaat de jongen dan last krijgt. [hoofdverdachte] zegt ‘nee, nee, nee, want niemand weet dat hij hem moet pakken toch?’ en ‘het is net als de koffers, net als de koffer. Je gaat liften toch? (..) Als de koffer gepakt wordt, weet de douane niet wie moest onderscheppen. (..) Ze weten het niet, ze pakken de koffer mee’ en ‘precies zo is het ook met die doos’ en ‘die (de naam op het pakket) heeft er niets mee te maken.’ [medeverdachte 1] vraag of [hoofdverdachte] het samen doet met [medeverdachte 4] en [hoofdverdachte] antwoordt ‘ik en [voornaam medeverdachte 4] ja’. [medeverdachte 1] vraagt ‘dus als ik geld heb, dan geef ik dat aan jou?’ [hoofdverdachte] beaamt dat. Vervolgens wordt afgesproken dat [medeverdachte 1] alles via [hoofdverdachte] regelt. [medeverdachte 1] zal het verkopen en dan het geld meteen naar [hoofdverdachte] brengen. [hoofdverdachte] zegt ‘ik doe het zo: ik zeg [voornaam medeverdachte 4], laat mijn telefoon overgaan dan weet ik, het pakketje is aangekomen’. [medeverdachte 1] dacht dat ‘[medeverdachte in Suriname] het zaterdag zou versturen’. [hoofdverdachte] geeft aan dat het dan de woensdag of donderdag (in de week erna) aankomt. [medeverdachte 1] vraagt of [medeverdachte in Suriname] het ding helemaal plat moet maken. [hoofdverdachte] zegt dat dit moet, dat is beter, maar het is voor hem niet noodzakelijk. [hoofdverdachte] zegt ‘Nee, ik heb hem ook gezegd. Hij kan het in groenten zetten. Groente of fruit in die doos’. [medeverdachte 1] zegt ‘en spijkers eh spijkerstof’ en ‘goed inwikkelen in spijkerstof’. [hoofdverdachte] zegt ‘daarom zeg ik, ze moeten het goed zetten. Daarom moet het in een spijkerbroek. Die spijkerbroek ga je gewoon plat zetten’ en ‘dan valt het niet op dan zie je al die andere dinges’ en ‘nee nee, nee, het moet zweven’. Later in het gesprek zegt [medeverdachte 1] ‘Ja, ik heb het liever allemaal via jou gewoon, klaar.’ en ‘ik ga het gelijk verkopen, breng het geld naar jou toe, klaar, snap je? (..) En dan is de volgende al weer onderweg, want als de eerste geslaagd is, zend hij meteen de volgende al weer af’. [hoofdverdachte] zegt dat dit goed is. Hij heeft aan [medeverdachte in Suriname] aangegeven dat hij, met het beetje geld dat hij verdient, er ook één wil zetten. [medeverdachte in Suriname] vindt dit geen probleem en ook [medeverdachte 1] vindt dit geen probleem. [medeverdachte 1] zegt verder ‘ik heb er drie
(3)liggen bij [medeverdachte in Suriname], dus hij kan drie keer sturen. Ik heb met jou afgesproken, of [medeverdachte in Suriname] heeft dat afgesproken met [voornaam medeverdachte 4], dat ie acht en een half (8 ½) per stuk krijgt.’ En ‘dat betaal ik aan [voornaam medeverdachte 4], aan jou dus. En hoe dat verder tussen jullie verdeeld wordt, dat weet ik niet.’ En later ‘ja nou, als je er gewoon per week één
(1)stuurt en je krijgt tweeduizend (2.000) euro per week, dan is het toch al aardig’ en ‘ja, en [medeverdachte in Suriname] betaalt het daarzo, dat betalen wij samen, de inkoop van die troep’. [medeverdachte 1] vraagt aan [hoofdverdachte] of hij een belletje krijgt als het misgaat, waarop [hoofdverdachte] antwoordt ‘ja zeker’ en ‘als ik daar ga, dan doen ze de computer aan. Als er codes staan achter die naam, dat wil zeggen dat het gevallen is.’ [medeverdachte 1] zegt dat er dus altijd bewijs is dat het niet goed is gegaan en beëindigt kort daarop het gesprek. Kort na dit gesprek wordt een mail geplaatst de e-mailbox van [e-mailadres 1]: ‘Beste vriend, Ik heb zo net Ernie gesproken. Hij had jou telefonisch verteld over het verpakken. Het hoeft niet platgeslagen te worden. Verpak goed in spijkerstof en plaats het midden in de doos. Dus niet op de bodem, niet aan de top maar in het midden (centraal). Zend een ruime doos, bijvoorbeeld een doos van 60 cm, en zend het tezamen met groente of fruit en andere dingen. Ik denk dat je 1 hele moet doen de eerste keer. Maar dat laat ik aan jou over. Wellicht dat je ook bij verdere zendingen je moet beperken tot 1 stuks. Als je dan meerdere zendingen per week doet dan loopt het toch lekker op. Ik weet dat jij heel goed zulke dingen kan verpakken dus dat komt wel goed. Ik heb begrepen dat je twee keer per week kan zenden. Als het zaterdag vertrekt dan heb ik het ongeveer op woensdag. Dan zal ik het snel verkopen maar ik heb wel een paar dagen nodig. Misschien (als de eerste keer gelukt is) kan je jouw man vragen om dan gelijk weer te zenden en hem een paar dagen later betalen. Meestal gaat het goed zei Ernie. Men kan het moeilijk zien. Ook als het mislukt is er niets aan de hand omdat ze dan nog niets hebben. De geadresseerde is iemand die van niets weet. Ze hebben iemand die in het systeem kan kijken of er iets met het pakket aan de hand is. Doe je best en bezorg het voor zaterdag (..)’. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij met [hoofdverdachte] heeft gesproken over de wijze van verzending van het postpakket en dat hij deze informatie vervolgens via de e-mail aan [medeverdachte in Suriname] heeft doorgegeven. Op 4 maart 2012 om 11.57 uur belt [medeverdachte 4] naar [hoofdverdachte]. [medeverdachte 4] zegt dat die man hem heeft gebeld, Coolieman, ‘die mannen van hem konden dat ding niet meer regelen, hij zei tegen mij woensdag’ en ‘hij zei tegen mij één Honda, hij zei één plank’. [medeverdachte 4] zegt verderop in het gesprek ‘[medeverdachte in Suriname] en ik zijn het aan het regelen, dus moet hij zich niet druk maken’. Op donderdag 8 maart 2012 om 12.08 uur stuurt [medeverdachte 1] een pingbericht naar [hoofdverdachte] met de tekst ‘het kado voor onze vriend is gisteren verzonden’. Op 8 maart om 17.12 uur belt [medeverdachte 4] naar [hoofdverdachte] en zegt dat die jongen het heeft opgestuurd. [hoofdverdachte] zal gaan kijken als hij thuis is. [medeverdachte 4] zegt nog dat hij denkt dat [hoofdverdachte] het morgen of zaterdag kan verwachten. Op 12 maart 2012 vindt er een pingconversatie plaats tussen [medeverdachte 1] en [hoofdverdachte]. Om 11.08 uur vraagt [medeverdachte 1] aan [hoofdverdachte] ‘weet jij wanneer er bericht komt en of het er goed of slecht uitziet?’, waarop [hoofdverdachte] om 11.10 uur antwoordt ‘Het is goed. En slecht’ en later ‘het is naar een andere post order gegaan’. Vervolgens spreken ze af elkaar die avond te ontmoeten bij de McDonald’s. Op 12 maart 2012 omstreeks 21.03 uur ontmoeten [hoofdverdachte] en [medeverdachte 1] elkaar in de auto van [hoofdverdachte]. [hoofdverdachte] legt onder meer uit dat het pakketje is aangekomen, maar naar een verkeerd postbedrijf is gestuurd. [medeverdachte 1] zegt tegen [hoofdverdachte] dat hij het dan toch gewoon kan ophalen, waarop [hoofdverdachte] zegt ‘ja maar dan moet je met de ID van die persoon gaan toch’ en ‘Ja, dus daarom zei ik je: goed en slecht.’ [hoofdverdachte] zegt dat hij nog een pakket moet krijgen en hoopt dat ze morgen bellen, dan vraagt hij deze meteen ook mee. [hoofdverdachte] zegt dat het pakket uit Suriname op zijn tantes naam staat. [hoofdverdachte] zegt ‘Want als ik het pakketje gehaald heb, bel ik [voornaam medeverdachte 4] (..) Dan geef ik het aan je af’. [hoofdverdachte] vraagt aan [medeverdachte 1] of het een kilo is of 100 gram wat hij heeft gestuurd. [medeverdachte 1] antwoordt een kilo. ‘Er zit gewoon een kilo in, verdomme, ik heb er 8000 euro in zitten. Dat gefuck de hele tijd.’ Het gesprek gaat verder over het ophalen van het pakket. [medeverdachte 1] zegt vervolgens ‘Ja oke, maar er is toch wel een ID in elkaar te knutselen’ en later ‘Ja, ga er maar aan staan, het is allemaal geld en ik heb het nodig. Het moet allemaal betaald worden. Ik heb het ook allemaal betaald.’. Later zegt [hoofdverdachte] ‘Luister, om je te bewijzen dat alles goed is: als je weer zet, zet ik ook’, waarop [medeverdachte 1] antwoordt ‘Ja maar, er kan er maar één in een pakket, dus dan moeten we twee pakketten gaan sturen’. Dan moeten er twee pakketten worden gestuurd, vindt [hoofdverdachte], maar eerst moet dit worden opgelost. [medeverdachte 1] zegt later ‘kijk, want als ik die plak heb, kan ik het gelijk verkopen. Dan centen uitdelen en dan weer weet je wel’ en ‘ik heb er drie liggen, dit was één en dan twee er achteraan’ en ‘dan wil ik iedere week, één of twee sturen’. Later op de avond van 12 maart 2012 stuurt [medeverdachte 1] een pingbericht naar [hoofdverdachte] met de tekst ‘ik kan eventueel op de computer een kopie paspoort maken, uitgegeven door de gemeente amsterdam. Ik moet dan de volledige naam hebben’. [hoofdverdachte] stuurt als antwoord ‘[betrokkene 2]’, [medeverdachte 1] laat de volgende ochtend weten dat hij genoeg heeft en stelt voor af te spreken om half 12 bij de Mac Hoorn. Op 13 maart 2012 om 11.55 uur hebben [hoofdverdachte] en [medeverdachte 1] een ontmoeting in de auto van [hoofdverdachte]. [medeverdachte 1] zegt ‘ja nou ja zo is het 100 procent. Dan komt er een mevrouw en dan zit er een briefje bij. Die is al ondertekend 100 procent. En die moet zich legitimeren natuurlijk. Want die zegt van ja nou uh .. en dan is het goed. Ik zou het zo doen. …(..) Dan zeggen van ja nou ja ik heb wel een kopieetje en dan gaan ze misschien bellen. Weet je wel. Ik heb hier een meneer voor de deur staan daar moet ik het aan afgeven.’ [hoofdverdachte] antwoordt ‘ja dus, daarom wilde ik zelf gaan.’ [hoofdverdachte] zegt ‘jij houdt mijn telefoon dat zij kan bellen’ en stelt vervolgens voor ‘laten we meteen gaan’. [medeverdachte 1] zegt dat hij wel de volledige naam van [hoofdverdachte] moet hebben. [hoofdverdachte] antwoordt [hoofdverdachte]. Ze spreken af dat [medeverdachte 1] achter [hoofdverdachte] aanrijdt. Te horen is dat het autoportier dicht gaat en [hoofdverdachte] rijdt weg. Om 12.22 uur parkeert [hoofdverdachte] zijn auto en praat hij tegen [medeverdachte 1] die buiten de auto staat. Tijdens de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 1] op 23 oktober 2012 is onder meer een envelop aangetroffen, met daarop: [hoofdverdachte]. Uit de bakengegevens is op te maken dat de auto van [hoofdverdachte] omstreeks 12.15 uur wordt geparkeerd bij de kruising van de Bijlmerdreef met de Flierbosdreef en dat deze hier omstreeks 12.28 uur weer wegrijdt. Deze locatie is in de directe omgeving van het [adres reisbureau], waar het bedrijf [reisbureau] is gelegen. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat de pingberichten in de periode van 10 tot 12 maart 2012 gingen over de afhandeling van het pakket. Het pakket was gearriveerd, maar was niet op het goede kantoor aangekomen, namelijk een kantoor waar [hoofdverdachte] niemand kende. Het was naar een reisbureau en een afhaalpunt, gegaan. [hoofdverdachte] is er naar toe gegaan, [medeverdachte 1] is achter [hoofdverdachte] aangereden en [hoofdverdachte] heeft het pakket opgehaald. Hij heeft nog een kopie van een paspoort gemaakt en een beetje geknipt en geplakt. Het is geen moeite om een paspoort te kopiëren en een foto daarbij te plakken. Nadat [hoofdverdachte] het pakket had opgehaald heeft deze het aan hem gegeven. Op 17 maart 2012 hebben [medeverdachte 4] en [hoofdverdachte] een conversatie in de Mazda van [hoofdverdachte]. Ze bespreken het ophalen van de doos, de valse papieren en de kwestie van de betaling en wat de man heeft gezegd. [medeverdachte 4] geeft aan dat Boeroe als hij het geld niet brengt gesloopt wordt door hem. (….) De man zei dat Boeroe de helft van het geld heeft gehad. Vandaag of morgen komt Boeroe het geld voor ons brengen. De man zei tegen mij dat Boeroe tegen de man had gezegd dat Boeroe andere papieren moest gaan maken, valse papieren om de doos op te halen.’ Ten aanzien van de tweede zending Op 14 maart 2012 om 09.20 uur stuurt [medeverdachte 1] een pingbericht naar [hoofdverdachte] met de tekst ‘goedemorgen vriend, wil je op de mail even goede instructies zetten voor onze vriend in S. Dan kunnen we herhalingen van gisteren vermijden. Ik probeer zaterdag weer te werken.’ Op 17 maart 2012 maken [hoofdverdachte] en [medeverdachte 1] via de ping een afspraak voor 18 maart 2012 om 10 uur bij de MC DON (de rechtbank begrijpt: McDonald’s). Op 18 maart 2012 om 10.00 uur ontmoeten [medeverdachte 1] en [hoofdverdachte] elkaar in de auto van [hoofdverdachte]. [medeverdachte 1] zegt ‘acht en een half’ en ‘ik zou het maar niet tellen, want ik heb het al geteld voor je’. [hoofdverdachte] zegt in verband met een mededeling van ene [medeverdachte 5] via de mail aan [medeverdachte 1] dat hij vrij is vanaf 28 tot en met eind april. [medeverdachte 1] vraagt of ze dan ook geen pakketjes kunnen sturen, waarop [hoofdverdachte] antwoordt dat hij dacht dat [medeverdachte 1] deze week nog een pakketje zou sturen. [medeverdachte 1] legt uit dat hij nu 12.000 heeft gekregen voor die eerste en dan krijgt hij er nog 22 of 21 bij. Hij zegt ‘ik krijg er ongeveer 33 voor denk ik want het is niet een heel blok dus ik hoop dat ik vanavond de rest van het geld krijg dan ga ik dat sturen dus hoop ik dat ik voor woensdag klaar ben om dat pakketje te sturen, maar misschien kunnen we het slimmer doen omdat als jij een contactman hebt dan kan ik even goed doorgaan en eh reserveer ik dat geld wat er voor jou reserveer ik bedrag ….voor jou steeds’. [medeverdachte 1] zegt verder dat [medeverdachte in Suriname] alleen voor de pakketjes is en dat hij ([medeverdachte 1]) denkt dat hij er woensdag weer één zet. [hoofdverdachte] vraagt of duidelijk is waar hij het naar moet sturen en [medeverdachte 1] antwoordt ‘ja kijk het is [adres reisbureau] [reisbureau]’. [hoofdverdachte] zegt ‘hij moet dus daar die mensen nadrukkelijk zeggen (..) dat hij wil dat het afgehandeld moet worden door deze gasten’. Op de opmerking van [medeverdachte 1] dat het netjes met [voornaam medeverdachte 4] moet worden afgehandeld zegt [hoofdverdachte] dat hij gewoon 2500 gaat geven. Wat later zegt [hoofdverdachte] dat hij al lang ook een blok heeft in Suriname, maar dat hij die niet hier kan krijgen. [medeverdachte 1] zegt dat ze dat wel een van de volgende keren doen en dat hij het dus woensdag of zaterdag kan laten zetten, dan is [hoofdverdachte] er nog. Hij laat het naar [reisbureau] sturen. Vandaag is het de 18e dus over tien dagen is [hoofdverdachte] pas weg. [hoofdverdachte] reageert dat ze er dan nog twee kunnen doen. Later die dag om 12.15 uur hebben [medeverdachte 4] en [hoofdverdachte] telefonisch contact. [hoofdverdachte] zegt ‘.. heeft het leven overhandigd’. [medeverdachte 4] zegt ‘dat de witte schil man zegt dat de man een goede man is’ en ‘de Koeli man (Hindoestaanse man) zegt dat witte schil man een goede man is.’ [hoofdverdachte] zegt daarop ‘dan komen wij niet tussen die mannen, vriend’.Vervolgens zegt [medeverdachte 4] dat hij beide mannen, witte schil man en Koeli man niet begrijpt. [hoofdverdachte] antwoordt ‘de sponser is de witte schil man’. [hoofdverdachte] zegt ‘ik zal de jongen vijfendertig cent geven en het ander is van jou en ik’. En [medeverdachte 4] zegt dat hij het begrijpt en dat het goed is. In de avond van 18 maart 2012, omstreeks 22.12 uur ontmoeten [hoofdverdachte] en [medeverdachte 4] elkaar in de auto van [hoofdverdachte]. Gesproken wordt over de opbrengsten en de kosten van het werk. [medeverdachte 4] zegt ‘nu is het om te proven, dertig, een blok kost nu dertig. Je kunt vijfendertig en een half krijgen. Maar om te proeven is dertig, negenentwintig als het een beetje zwak is’ en ‘zoals het gekomen is, net zo moet de man shooten nefo. Op dat systeem moet je nu werken.’ Later zegt [medeverdachte 4] ‘Hoe had de man gezet? De man heeft met jouw systeem gewerkt hoor? Met de spijkerbroeken had de man gedaan toch?’ en ‘de man zei tegen mij, dat hij plat zou laten maken door de jongen (..) De man zegt, dat het geregeld is. [medeverdachte in Suriname] brengt het voor een man, die man maakt het in orde’. Het gesprek gaat verder over de wijze van verpakken, plat of niet, persen en in plastic zetten. Volgens [medeverdachte 4] had de man zeker geperst. [hoofdverdachte] geeft aan dat ‘dat ding zo lang was, drie stukken’. [medeverdachte 4] zegt ‘dan komt het als een staaf, laten we zeggen als een platte staaf. De man zei dat je platte goed kan zetten in de spijkerbroek. De man vroeg aan mij of een spijkerbroer genoeg is. Ik zei tegen de man nee. Ik zei tegen de man dat de man had gezegd, dat drie of vier moest kopen’, waarop [hoofdverdachte] antwoordt ‘spijkerbroek, een korte en twee lange’. [medeverdachte 4] zegt ‘Voordat het systeem verpest wordt, moet je bombaderen. Maar [medeverdachte in Suriname] moet geen kut dingen doen.’ Verderop in het gesprek zegt [hoofdverdachte] dat de man het precies in dit zakje heeft gebracht, waarop [medeverdachte 4] antwoordt dat [medeverdachte in Suriname] hem net had gevraagd of de man is gekomen. Op de vraag van [medeverdachte 4] of de man twee dozen laat zetten, antwoordt [hoofdverdachte] dat hij dat wil. Het gesprek eindigt met de opmerking van [medeverdachte 4] ‘het meisje legde mij uit, als je één zet, moet je gewoon zeggen, dat je drie hebt gezet.’ Op 18 en 19 maart 2012 vindt er een ping-conversatie plaats tussen [hoofdverdachte] en [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] schrijft ‘Internet geeft aan [adres reisbureau] [perceelnummer 1], jouw kaartje [perceelnummer 2]. Wat is juist?’, waarop [hoofdverdachte] antwoordt ‘het adres v [reisbureau] is [perceelnummer 2] en vandaag kan hij weer doen.’ [hoofdverdachte] antwoordt verder ‘adres nme [betrokkene 2] en ADR weer gebruiken.’ [medeverdachte 1] pingt terug dat het systeem hem duidelijk is. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij een kaartje kreeg van [hoofdverdachte] met de gegevens van het postbedrijf. Dezelfde gegevens (naam en adres) van de eerste keer moesten worden gebruikt. Het systeem hield in dat het op naam van [betrokkene 2] moest worden verzonden naar het afhaalpunt op het [adres reisbureau]. Tijdens de doorzoeking op het verblijfadres van [hoofdverdachte], [adres hoofdverdachte] te Amsterdam, zijn diverse kaartjes aangetroffen van [reisbureau] gevestigd op het [adres reisbureau] te Amsterdam. Ook bij de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 1] zijn de gegevens van dit bedrijf aangetroffen. Op 22 maart 2012 hebben [medeverdachte 4] en [hoofdverdachte] telefonisch contact met elkaar. [medeverdachte 4] meldt dat de Koeliman hem heeft gebeld en dat hij zaterdag wil spelen. [hoofdverdachte] geeft aan dat [medeverdachte 4] kan zeggen dat het goed is. Op 24 maart 2012 belt [medeverdachte 4] naar [hoofdverdachte] en zegt hem dat de Koeli man de bus heeft gereden en dat [hoofdverdachte] moet kijken, want hij heeft iets voor [hoofdverdachte] gezet. Op 25 maart 2012 hebben [medeverdachte 4] en [hoofdverdachte] een ontmoeting in de auto van [hoofdverdachte]. [medeverdachte 4] geeft in dit gesprek onder meer aan dat ‘de man’ zei dat hij naar het kantoor van Boeroe is gereden om al het werk op te halen. Hij heeft het werk verkocht voor Boeroe. De man zei, [voornaam medeverdachte 1]. De man heeft [medeverdachte 4] het nummer van [voornaam medeverdachte 1] laten zien. [medeverdachte 4] zegt ‘alle dingen van Boeroe heeft de man. Ik dacht van wat? Na dit, moeten wij ze loslaten, neef. Na dit, de mannen loslaten. Er zijn teveel mensen.’ [hoofdverdachte] vertelt verder in dit gesprek dat de man er één voor hem heeft gezet en dat hij achtduizend moet betalen, ‘bij de poort’. [medeverdachte 4] geeft later in het gesprek aan dat de man twee in het systeem heeft gezet. Die vriend van hem in Suriname had twee in het systeem gezet, van Boeroe. (..) de man zei drie mannen hebben erbij gezet in het systeem.’ [hoofdverdachte] vraagt of de man heeft gezegd hoeveel er zou zijn. [medeverdachte 4] zegt dat de man tien heeft gezegd. Naar aanleiding van het eerste postpakket heeft het onderzoeksteam adressenlijsten opgevraagd van pakketvaarders vanuit Suriname naar Amsterdam. Gebleken is dat op de adressenlijst van de vlucht van 25 maart 2012 vanuit Suriname een tweetal pakketten vermeld stonden, bestemd voor [betrokkene 2] wonende te Amsterdam. De pakketten zouden op 26 maart 2012 aankomen. Op 26 maart 2012 omstreeks 21.15 uur heeft de KMar twee pakketten gericht aan [betrokkene 2], met daarop vermeld het mobiele nummer [telefoonnummer] en komende van vlucht PY994 vanuit Suriname onderschept en in beslag genomen. In het eerste pakket, met nummer [PAKKETNUMMER 1] werd een ‘deklading’ aangetroffen bestaande uit losse stukken groente en andere etenswaren. Daartussen zaten twee spijkerbroeken. In de broekspijpen werden in totaal 11 met grijs kleurig tape omwikkelde blokken aangetroffen. In het tweede pakket, met nummer [PAKKETNUMMER 2], werd een ‘deklading’ bestaande uit stukken groenten en andere etenswaren aangetroffen, daaronder werden twee spijkerbroeken aangetroffen. In de broekspijpen werden in totaal 13 met grijs tape omwikkelde blokken aangetroffen. Een voorlopige test heeft uitgewezen dat de geteste stof vermoedelijk cocaïne betrof. Het totale nettogewicht van de aangetroffen stof bedraagt circa 5.927,0 gram. Uit alle 24 pakketten is een representatief monster genomen en deze 24 monsters zijn ter analyse overgebracht naar het Douanelaboratorium te Amsterdam, waar is geconcludeerd dat al het ingezonden onderzoeksmateriaal cocaïne bevat. Het nummer [telefoonnummer] dat op het pakket was vermeld, komt voor in het onderzoek Vinson en is vanaf 19 april 2012 tot en met 27 juni 2012 getapt. In de getapte periode zijn er 142 belbewegingen waargenomen met het nummer [telefoonnummer 2 medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat dit nummer van hem kan zijn. Op 27 maart 2012 belt [medeverdachte 4] naar [hoofdverdachte]. [hoofdverdachte] geeft aan dat hij nog niets heeft en dat het systeem nog niet is goedgekeurd. [medeverdachte 4] vraagt ‘zijn wij niet gisteren aangekomen?’ en hij geeft aan dat het zondag is vertrokken. Daarop zegt [hoofdverdachte] dat de man had gezegd dat ‘de visum is gedateerd en dat er een andere man ook kan gaan ophalen’. [hoofdverdachte] zegt dat Boeroe hem nog had gebeld ’s morgens vroeg over dat ding. Boeroe wilde weten waar het visum opgehaald moet worden. Aan het einde van het gesprek zegt [medeverdachte 4] dat ze gewoon wachten, waarna [hoofdverdachte] zegt ‘als de mannen mij bellen om de visum op te halen.’ [medeverdachte 4] meldt dat ze soms laat bellen. (..) ‘Anders zouden de mannen jou toch gebeld hebben als er hoofdpijn zou zijn.’ Op 28 maart 2012 vindt een gesprek plaats tussen [hoofdverdachte] en een onbekende man in de auto van [hoofdverdachte]. [hoofdverdachte] zegt dat ‘Maar dat ding komt hier aan de overkant.’ [hoofdverdachte] heeft de man de naam en alles gegeven. Hij weet niet of de mensen van Suriname lastig doen of deze mensen. Hij zegt ook dat de mannen één voor hem hebben gezet. De onbekende man vraagt ‘zaterdag is het dinge’. Als [hoofdverdachte] dat bevestigt, geeft de onbekende man aan dat het al moest zijn aangekomen. [hoofdverdachte] zegt dat hij tegen de witte man zal zeggen dat het niet kan. Want de man wil alleen maar en dwingt. [hoofdverdachte] zegt tegen de onbekende man dat hij tegen [betrokkene 3] moet zeggen om hier naar toe te bellen als het ding is aangekomen. Op 28 maart 2012 stuurt [medeverdachte 1] een e-mailbericht aan [medeverdachte 5] via [e-mailadres 3] waarin onder meer is geschreven dat het pakket verstuurd dient te worden aan afhandelingsadres [reisbureau], [adres reisbureau] te Amsterdam. Verder schrijft [medeverdachte 1] onder meer: ‘je moet de goederen doen in een grote kartonnen doos van tenminste 60 tot 70 cm. Het pakje breken in drie stukken en wikkelen in spijkerstof. De rest van de doos vullen met fruit en dergelijke. De drie stukken goed verpakken, vacumeren. Natuurlijk het geheel moet absoluut reukvrij zijn. Dat is alles. Kans op ontdekking erg klein.’ Bewijsoverweging zaaksdossier B03 De rechtbank acht gelet op het samenstel van feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd én beoordeeld in het licht van hetgeen hiervoor in het algemeen ten aanzien van het toetsingskader is overwogen, wettig en overtuigend bewezen dat de door verdachte verrichte handelingen betrekking hebben gehad op de invoer van in totaal drie pakketten met cocaïne. De rechtbank heeft daarbij mede acht geslagen op het versluierd taalgebruik in de vele opgenomen (telefoon)gesprekkenen mailverkeer tussen verdachte en de medeverdachten. Ten aanzien van het eerste pakket merkt de rechtbank nog het volgende op.Dat, zoals [medeverdachte 1] heeft verklaard, ten aanzien van het eerste postpakket sprake was van een proefzending en dat er slechts organisch materiaal in het pakket zat, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Uit de weergegeven bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het gaat om de (opzettelijke) invoer van cocaïne. [medeverdachte 1] verklaart dat hij bezig is met cocaïnehandel. De wijze van aanpak en de moeite die verdachte en zijn medeverdachten doen om het pakket te verzenden en te onderscheppen wijzen niet op een test. Zo heeft [medeverdachte 1], nadat bleek dat het pakket bij een ander postorderbedrijf was aangekomen, een kopie van het paspoort van [betrokkene 2] nagemaakt teneinde het pakket alsnog te kunnen ophalen. Ook de gesprekken waarin gesproken wordt over bedragen en percentages en het feit dat [medeverdachte 1] € 8.500,- overhandigt aan [hoofdverdachte] wijzen op een geslaagde invoer. Dit geldt te meer nu daar waar gesproken wordt over de beloning, de inhoud hiervan overeenkomt met de marktprijzen voor één kilogram cocaïne op dat moment. Zo is 8½ exact 25% van € 34.000,-, de prijs die in een gesprek tussen [hoofdverdachte] en [medeverdachte 1] genoemd wordt. De inhoud van de door verdachte en zijn medeverdachten gevoerde gesprekken laat geen ruimte voor een andere conclusie dan dat er sprake is geweest van de invoer van ongeveer één kilogram cocaïne en dat verdachte en zijn medeverdachten dit wisten. Hierbij betrekt de rechtbank nog dat de tweede zending door de KMar is onderschept en dat daarin daadwerkelijk cocaïne is aangetroffen. Bij deze zending is dezelfde modus operandi gehanteerd en zijn dezelfde personen betrokken, zowel in het bronland als op de plaats van bestemming in Nederland. Bovendien is er sprake van een kort tijdsbestek waarin een en ander heeft plaatsgevonden. Met betrekking tot het hiervoor onder de redengevende feiten en omstandigheden opgenomen OVC-gesprek tussen [hoofdverdachte] en [medeverdachte 1] van 29 februari 2012 merkt de rechtbank nog het volgende op. Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een tweetal gevoerde gesprekken. Uit de strekking van de tekst blijkt dat het gesprek een logisch verloop heeft. Dat in de uitwerking van het OVC-gesprek twee keer het tijdstip 12.39 uur aangegeven wordt maakt dit niet anders, nu het eerste deel dermate kort is dat dit niet een hele minuut in beslag neemt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat – gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden – wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn medeverdachten betrokken is geweest bij zowel de invoer van ongeveer een kilo cocaïne op 13 maart 2012 als bij de invoer van een tweetal pakketten met een onbekende hoeveelheid cocaïne op 26 maart 2012. Blijkens de gesprekken hebben immers voor laatst genoemde pakketten meer mensen verdovende middelen bij gezet. De rechtbank heeft mede in haar oordeel betrokken dat verdachte zowel in het voorbereidend onderzoek als bij de behandeling ter terechtzitting geen dan wel zeer beperkt openheid van zaken heeft gegeven. De verdachte heeft daarmee geen de redengevendheid van de bewijsmiddelen ontzenuwende verklaring gegeven, in het bijzonder heeft hij het belastende karakter van de inhoud van de door hem gevoerde (telefoon)gesprekken daarmee niet kunnen wegnemen. Ten aanzien van feit 2 (zaaksdossier B05) Telecommunicatie Alvorens het afzonderlijke zaaksdossier te bespreken, zal de rechtbank eerst aangeven welke nummers zij aan welke verdachte toeschrijft en op grond waarvan. Verdachte [hoofdverdachte]: Bij [hoofdverdachte] zijn de telefoon met imei-nummer [IMEI 2 hoofdverdachte] en de nummers [telefoonnummer hoofdverdachte] (T103) en [telefoonnummer hoofdverdachte] in gebruik. Nu door en namens [hoofdverdachte] niet is betwist dat deze telefoonnummers en het imei-nummer [IMEI 2 hoofdverdachte] aan hem toebehoren en dat hij deelnemer is aan de met deze nummers gevoerde gesprekken, zal de rechtbank deze gesprekken aan hem toeschrijven. Een en ander voor zover in het navolgende geen andersluidend oordeel is gegeven. Medeverdachte [medeverdachte 2]: Bij [medeverdachte 2] is de telefoon met het telefoonnummer [telefoonnummer medeverdachte 2] (hierna [telefoonnummer medeverdachte 2]) in gebruik. Nu door en namens [medeverdachte 2] niet is betwist dat voormeld telefoonnummer aan hem toebehoort en dat hij deelnemer is aan de met dit nummer gevoerde gesprekken, zal de rechtbank deze gesprekken aan hem toeschrijven. Een en ander voor zover in het navolgende geen andersluidend oordeel is gegeven. Medeverdachte [medeverdachte 3]: Bij [medeverdachte 3] is de telefoon met het telefoonnummer [telefoonnummer medeverdachte 3] (hierna [telefoonnummer medeverdachte 3]) in gebruik. Nu door en namens [medeverdachte 3] niet is betwist dat voormeld telefoonnummer aan hem toebehoort en dat hij deelnemer is aan de met deze nummers gevoerde gesprekken, zal de rechtbank deze gesprekken aan hem toeschrijven nu ook door en namens [medeverdachte 3] niet is betwist dat hij deelnemer aan die gesprekken. Een en ander voor zover in het navolgende geen andersluidend oordeel is gegeven. Medeverdachte [medeverdachte 6]: De rechtbank is van oordeel dat uit de inhoud van het zaaksdossier B05 is gebleken dat [medeverdachte 6] ‘[voornaam medeverdachte 6]’ heet. Daarnaast is de telefoon met het telefoonnummer [telefoonnummer medeverdachte 6] onder [medeverdachte 6] aangetroffen, met daarin opgeslagen onder nummer [telefoonnummer medeverdachte 7] ([telefoonnummer medeverdachte 7]) ‘matie [hoofdverdachte]’. In een andere bij verdachte aangetroffen en in beslag genomen telefoon, met nummer [telefoonnummer hoofdverdachte], is als contact onder nummer [telefoonnummer medeverdachte 7] ‘Ingo [hoofdverdachte] matie’ opgeslagen. Onder [medeverdachte 7] is een telefoon met daarin een simkaart met nummer [telefoonnummer medeverdachte 7] in beslag genomen, waarin als contact ‘[voornaam medeverdachte 6]’ met het telefoonnummer [telefoonnummer medeverdachte 6] is opgeslagen. Uit het tapgesprek van 24 mei 2012 om 13:30 uur blijkt dat [medeverdachte 7] (met nummer [telefoonnummer medeverdachte 7]) belt met een NN man [telefoonnummer medeverdachte 6] die aan [medeverdachte 7] vraagt of hij die andere man wil bellen, want NN man moet hem dringend spreken, waarna [medeverdachte 7] zegt dat hij het door zal geven. Om 14:10 uur geeft [medeverdachte 7] aan [hoofdverdachte] door dat hij [voornaam medeverdachte 6] moet bellen, waarop [hoofdverdachte] zegt dat [medeverdachte 7] aan [voornaam medeverdachte 6] moet doorgeven dat hij [hoofdverdachte] moet pingen. [medeverdachte 7] antwoordt dat hij dat aan [voornaam medeverdachte 6] zal zeggen. Een minuut later belt [medeverdachte 7] naar NN man [telefoonnummer medeverdachte 6] en zegt tegen hem dat hij met ‘hem’ moet pingen. Daarbij komt dat [medeverdachte 7] heeft verklaard dat hij [voornaam medeverdachte 6] op foto 14 herkende, die persoon als ‘[voornaam medeverdachte 6]’ in zijn telefoon staat en hij [voornaam medeverdachte 6] en zichzelf hoorde praten tijdens het hem voorgehouden tapgesprek van 24 mei 2012 om 13:30 uur, 14:11 uur, 14.14 uur en 14:29 uur. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van deze tapgesprekken worden geconcludeerd, dat de onder [medeverdachte 6] aangetroffen telefoon met het telefoonnummer [telefoonnummer medeverdachte 6] aan hem toebehoort en dat de daarmee gevoerde gesprekken aan hem kunnen worden toegeschreven. Een en ander voor zover in het navolgende geen andersluidend oordeel is gegeven. OVC-gesprekken Tevens is er in het onderzoek sprake geweest van het opnemen van vertrouwelijke communicatie (OVC) in een personenauto Mazda 3 met kenteken [kenteken hoofdverdachte]. Deze Mazda stond op naam van verdachte. [hoofdverdachte] heeft niet betwist dat hij heeft deelgenomen aan de hem toegeschreven gesprekken in deze Mazda. De rechtbank gaat bij de redengevende feiten en omstandigheden dan ook van dat gegeven uit. Een en ander voor zover in het navolgende geen andersluidend oordeel is gegeven. Redengevende feiten en omstandigheden De in zaaksdossier B05 figurerende verdachten wordt - kort gezegd - verweten dat zij zich op 25 mei 2012 schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van de invoer van een hoeveelheid van 8,7 kilo cocaïne in Nederland. Alle schriftelijke bescheiden welke in de voetnoten worden genoemd zijn gevoegd bij het loopproces-verbaal zaaksdossier B05, opgemaakt d.d. 16 november 2012, en dienen in onderlinge samenhang en verband met dit proces-verbaal te worden bezien. Op 12 mei 2012 om 12:03 uur belt [medeverdachte 7] naar [hoofdverdachte] en stelt voor om de volgende dag tussen tien en elf uur af te spreken, hij moet [hoofdverdachte] spreken. Hierop belt [hoofdverdachte] ’s avonds naar [medeverdachte 7] en vraagt hem of hij die man te pakken heeft gekregen. [medeverdachte 7] zegt dat hij die man meteen gaat bellen om [hoofdverdachte] te ontmoeten, volgens hem kent [hoofdverdachte] die man goed. Hij vraagt [hoofdverdachte] of hij [voornaam medeverdachte 6] kent. [hoofdverdachte] weet over wie [medeverdachte 7] praat en [medeverdachte 7] zegt dat dit de man is die hem vandaag is komen ontmoeten die zegt dat hij een ‘ding’ wil doen. Binnen een half uur wordt [hoofdverdachte] door [medeverdachte 7] gebeld. Volgens [medeverdachte 7] is het eigenlijk een Marokkaan, dat had die man hem gezegd. [medeverdachte 7] zegt dat hij die afspraak met die man gaat zetten voor morgen om half elf, waarop [hoofdverdachte] zegt dat het goed is. Op 13 mei 2012 rond half elf stuurt [medeverdachte 7] een sms-bericht naar [hoofdverdachte] dat [voornaam medeverdachte 6] nog niet heeft gebeld, maar [medeverdachte 7] hem belt zodra [voornaam medeverdachte 6] heeft gebeld. Op 15 mei 2012 om 15:01 uur belt [hoofdverdachte] naar [medeverdachte 7] en vraagt of hij die broer voor hem kan bellen om te zeggen dat hij er rond half vier, kwart voor vier is. [medeverdachte 7] moet nog iemand bellen, want die wil ook met [hoofdverdachte] praten en dan kunnen ze alle twee tegelijk doen. [medeverdachte 7] zegt dat hij die man gaat bellen om te zeggen dat [hoofdverdachte] er om vier uur is en daarna belt [medeverdachte 7] [hoofdverdachte]. Vervolgens belt [medeverdachte 7] om 15:04 uur naar een onbekende man (de rechtbank merkt op dat door een storing in het tap uitluistersysteem het telefoonnummer van deze man niet bekend is geworden) en zegt ‘je moet nu meteen daar gaan, want die man gaat van het werk en komt ons direct daar ontmoeten’. De onbekende man zegt dat hij er al staat. Direct er na, om 15:06 uur, belt [medeverdachte 7] weer naar [hoofdverdachte] om te zeggen dat de mensen er al zijn en dat hij heeft gezegd dat [hoofdverdachte] onderweg is. Ook zegt [medeverdachte 7] dat hij [hoofdverdachte] morgen gaat bellen voor iemand anders. Op 15 mei 2012 vindt een observatie plaats waarbij wordt gezien dat de Mazda 3 met het kenteken [kenteken hoofdverdachte] van [hoofdverdachte] op de parkeerplaats van het Campanile Hotel in Amsterdam Zuidoost staat. [hoofdverdachte] heeft om 16:00 uur in het restaurant van het hotel een ontmoeting met [medeverdachte 8] (man 1) en drie onbekend gebleven mannen. Op 20 mei 2012 om 21:28 uur wordt [medeverdachte 7] gebeld door [medeverdachte 6]. [medeverdachte 6] zegt dat ze dinsdag een ‘moppo’ hadden en vraagt of [medeverdachte 7] de man kan vragen hoe laat hij kan, want hij wil de man zien, de man weet dat. Hij vraagt [medeverdachte 7] om de uitkomst aan hem te laten weten. Op 21 mei 2012 om 11:00 uur belt [medeverdachte 7] naar [hoofdverdachte]. [medeverdachte 7] vertelt dat die kleine man [voornaam medeverdachte 6] hem heeft gebeld. [hoofdverdachte] wilde hem morgen spreken, zei die man. Maar misschien kan de ontmoeting vandaag in plaats van morgen plaatsvinden. [hoofdverdachte] stelt voor hem om half twee te ontmoeten. [medeverdachte 7] zal [voornaam medeverdachte 6] bellen en hem de afspraak om half twee doorgeven. Vervolgens stelt [medeverdachte 7] om 11.05 uur [medeverdachte 6] hiervan in kennis, die nog even zijn ‘Nefo’ zal bellen, lukt het niet, dan misschien morgen. Omdat [voornaam medeverdachte 6] die dag niet kan geeft [medeverdachte 7] aan [hoofdverdachte] door dat het morgen half twee wordt. [medeverdachte 7] moet van [hoofdverdachte] aan die mannen doorgeven dat de ontmoeting op dezelfde plaats is. Direct daarop stuurt [medeverdachte 6] een sms-bericht naar [medeverdachte 7] dat het morgen half twee is, ‘same place’. Op 22 mei 2012 wordt [medeverdachte 7] gebeld door [medeverdachte 6] omstreeks 13:34 uur. [medeverdachte 6] zegt dat ‘hij’ er nog niet is. Daarop zegt [medeverdachte 7] dat hij de man nu gaat bellen. [medeverdachte 7] belt [hoofdverdachte] om 13.35 uur en zegt dat die mannen wachten, waarop [hoofdverdachte] antwoordt dat hij onderweg is. [medeverdachte 7] geeft dit door aan [medeverdachte 6]. Uit de bakengegevens van de Mazda van [hoofdverdachte] blijkt dat de auto zich op 22 mei 2012 omstreeks 13:42 uur op de parkeerplaats van het Campanile hotel aan de Loosdrechtdreef 3 te Amsterdam Zuidoost bevindt. Aldaar vindt om 13:39 uur in de auto van [hoofdverdachte] een gesprek plaats tussen [hoofdverdachte] en een NN1 en een NN2 man. NN1 man geeft aan ‘die ander boys zijn daaro’ en zegt ‘kijk hier zie je alles.’ Op 23 mei 2012 wordt [medeverdachte 7] gebeld door [medeverdachte 6]. [medeverdachte 6] krijgt het bericht van eergisteren nu pas binnen. [medeverdachte 7] zegt dat hij het bericht van die andere man heeft gehoord en hem waarschijnlijk vanavond ziet. [hoofdverdachte] wordt om 20.30 uur gebeld door [medeverdachte 7]. Als [hoofdverdachte] vraagt of het weer een nieuw ding is, een nieuwe schijf, zegt [medeverdachte 7] ‘nee nee, ik ga je zeggen wat Joe nodig heeft.’ Ze spreken af elkaar te zien bij het Pont bij [hoofdverdachte] om kwart over negen a half tien. Op 24 mei 2012 belt [medeverdachte 6] [medeverdachte 7] en vraagt hem of [medeverdachte 7] die andere man wil bellen. Hij moet hem dringend zien en spreken. [medeverdachte 7] zal het doorgeven. [medeverdachte 7] belt [hoofdverdachte] ongeveer een half uur later en zegt dat hij [voornaam medeverdachte 6] moet bellen. [hoofdverdachte] reageert dat [voornaam medeverdachte 6] hem moet pingen. [medeverdachte 7] zegt het aan [voornaam medeverdachte 6] door te zullen geven. Als [medeverdachte 7] het bericht doorgeeft, zegt [voornaam medeverdachte 6] dat hij geprobeerd heeft hem te pingen, maar dat die andere man hem niet heeft toegevoegd, die andere man heeft iets verkeerds gedaan. Hij wil sowieso een tijd horen om af te spreken. Drie minuten later belt [medeverdachte 7] naar [medeverdachte 6] en zegt ‘de afspraak is om tien uur, kwart over tien, op dezelfde plaats.’ Een kwartier later belt [hoofdverdachte] naar [medeverdachte 7] en zegt dat hij die man moet zeggen dat het vroeger moet zijn en hij om half negen na het werk meteen naar die man zal gaan. [medeverdachte 7] zal die man bellen. [medeverdachte 7] belt [medeverdachte 6] om 14.29 uur dat de afspraak is vervroegd naar half negen, zelfde plek. Die dag, 24 mei 2012, parkeert [hoofdverdachte] zijn Mazda om 20:47 uur op de parkeerplaats van het Campanile hotel aan de Loosdrechtdreef 3 in Amsterdam Zuidoost en heeft [hoofdverdachte] van 20:56 uur tot 21:26 uur een ontmoeting in het Gaasperpark te Amsterdam met [medeverdachte 8] en vijf andere mannen. Op 25 mei 2012 om 12:14 uur hebben [hoofdverdachte] en [medeverdachte 2] een gesprek in de Mazda van [hoofdverdachte]. [medeverdachte 2] vindt dat [hoofdverdachte] geen grappen moet maken. [hoofdverdachte] zegt dat het ‘Peru’ is en [medeverdachte 2] antwoordt ‘Is 744 dus’, waarop [hoofdverdachte] tegen hem zegt ‘als het goed is verlopen (..) dertig
(30)hebben de mannen gezegd, dat ze maandag zullen pushen.’ [medeverdachte 2] vraagt nog of het van zondag op maandag is. Wanneer [hoofdverdachte] dat beaamt, geeft [medeverdachte 2] aan dat zij dan op het werk zijn, toch. Volgens [hoofdverdachte] klopt dat. Even later vraagt [medeverdachte 2] of dit ding ook uit Peru komt. Volgens [hoofdverdachte] is het Peru en is dat voor vandaag. Het gaat om ‘acht
(8)stuks ’ zegt [hoofdverdachte]. [hoofdverdachte] zegt dat het gaat om ‘een zwarte koffer met vlekjes’. Volgens [medeverdachte 2] ‘gaat het om de AK1, een en negentig load’ en hij vraagt aan [hoofdverdachte] met welke vlucht het komt. [hoofdverdachte] zegt ‘744’. [medeverdachte 2] geeft aan dat het heel laat binnenkomt. [hoofdverdachte] zegt dat het om half vier is toch en daarop antwoordt [medeverdachte 2] ‘half vier dan zijn wij op het werk, okay dan is het goed.’ Ook vraagt [medeverdachte 2] of dit het tagnummer is, waarop [hoofdverdachte] antwoordt ‘tagnummer, Charle de Gaulle’ en ’12:43, vertrek.’ [medeverdachte 2] reageert hierop ‘dat is sectie 1, ik sta bij sectie 3.’ [hoofdverdachte] zegt later in het gesprek dat het ‘Blanke mannen en Marokkanen zijn’ en vraagt aan [medeverdachte 2] ‘of dit het label is.’ Hierop zegt deze tegen [hoofdverdachte], ‘de code’ die hij de drie letter code noemt. Het betreft een ‘security code die is gelieerd aan een passagier’ en bevestigt hem nogmaals dat het ‘een zwarte koffer met vlekken’ is. Voorts hoeft hij eigenlijk de naam van de vrouw niet te bekijken. Volgens [hoofdverdachte] is de naam er niet, ‘alleen het nummer’ en dat de ‘kist om half vier’ aankomt. [medeverdachte 2] zal ‘er naartoe gaan, de dingen regelen en het tagnummer bekijken’. De vlucht van Lima (Peru) naar Amsterdam met vluchtnummer KL0744 komt dagelijks aan om 15:40 uur. Op 25 mei 2012 om 13:17 uur maakt [medeverdachte 2] gebruik van zijn Schipholpas en gaat hij het beveiligde gebied van Schiphol op en om 13:36 uur maakt [hoofdverdachte] gebruik van zijn Schipholpas om het beveiligde gebied van Schiphol op te gaan. Op 25 mei 2012 om 17:58 uur belt [hoofdverdachte] naar [medeverdachte 2]. Zij bevinden zich op dat moment nog steeds op Schiphol. [hoofdverdachte] vraagt ‘ben je voorbij gegaan?’, waarop [medeverdachte 2] ‘ja’ zegt. [hoofdverdachte] vraagt hem ‘Goed?’ hetgeen door [medeverdachte 2] wordt bevestigd. Hij zegt vervolgens ‘ik wacht op je hoor’. [hoofdverdachte] vindt dit goed. Hierna maakt [hoofdverdachte] om 17:59 uur gebruik van zijn Schipholpas en verlaat hij het beveiligde gebied van Schiphol bij een doorgang bij de I-passage in Terminal 1, een doorgang om van Airside naar Landside te gaan. Om 18:02 uur maakt [medeverdachte 2] wederom gebruik van zijn Schipholpas en gaat hij het beveiligde gebied van Schiphol weer op bij doorgang T1-I-S2-
- Dit is een doorgang bij de I-passage in Terminal 1 op de luchthaven Schiphol. Op camerabeelden is om 18:03 uur te zien dat [hoofdverdachte] in vertrekhal 1 loopt en een donkerkleurige rugzak over zijn rechterschouder draagt. Hierna loopt hij richting draaideur H in vertrekhal 1, gaat hij naar buiten en verdwijnt hij uit beeld. Op 25 mei 2012 om 18:08 uur is te zien dat [hoofdverdachte] in vertrekhal 3 loopt en de trap neemt naar aankomsthal
- Vervolgens is te zien dat hij in de richting van de zogenaamde X-passage loopt en op dat moment geen rugzak meer bij zich draagt. Hierop maakt [hoofdverdachte] gebruik van zijn Schipholpas en gaat hij het beveiligde gebied van Schiphol op bij een beveiligde doorgang bij de X-passage in Terminal
- In de avond van 25 mei 2012 verlaat [hoofdverdachte] om 21.01 uur en [medeverdachte 2] om 21:43 uur het beveiligde gebied van Schiphol met hun Schipholpas. [hoofdverdachte] rijdt om 21:14 uur vanaf de parkeerplaats P40, welke hoort bij de luchthaven Schiphol, weg. Nog diezelfde avond vindt er om 21:36 uur een gesprek in de Mazda van [hoofdverdachte] plaats tussen hem, een NN1-man en [medeverdachte 8]. NN1 vraagt of dit al de tas is. [hoofdverdachte] zegt ‘nee’, waarop [medeverdachte 8] eerst zegt ‘er is niks’ en daarna ‘er is wat fout gegaan, ik merk het’. De mannen bespreken vervolgens met z’n drieën de schoonheidsfouten, wat er mis is gegaan, ‘gewoon domme fouten’. [hoofdverdachte] geeft aan dat het in de HB container zat en niet in de afgesproken Shocon of short connection bagage. Later in het gesprek zegt [hoofdverdachte]: ‘…Je mag gerust zijn, ik heb het.’ [medeverdachte 8] reageert: ‘ouwe je bent een topper, maar weet je wat het is, we moeten dit probleem wel oplossen. En dit probleem ga ik persoonlijk nu oplossen.’ [hoofdverdachte] vraagt hen: ‘Weet je waarop ik het weggehaald heb? Ik zweer het op mijn kinderen… Buiten op die pier. …. Ik kom gewoon met die bewijzen.. Begrijp je? ….. Laat me je 1 ding zeggen. Ik weet precies. Als het iemand anders was, zegt ie heeft ie niet gevonden.’, waarop [medeverdachte 8] reageert: ‘Maar wij wisten ook.. en daarom zijn we met jou gegaan. (..) En dat zeiden we ook allemaal… We hebben allemaal gelijk vanaf dag 1 gezegd dat we met jou hebben gesproken. Klaar, dit is onze man.’ NN1 vult hem aan met ‘Wij 3’ en stelt dan voor om naar Diemen Zuid te gaan omdat dit beter is. [hoofdverdachte] heeft het niet hier bij zich en vraagt aan de heren in wat voor tas het zou zitten. Volgens NN1 ‘een zwarte’. [medeverdachte 8] vult aan ‘een Reebok of Nike tas’ waarop [hoofdverdachte] zegt: ‘Jajajaja. Ze hebben het in een tas zo gezet en dan weer apart in een Reebok tas.’ [medeverdachte 8] reageert daarop dat ze die Reebok tas op een foto hebben gezien. [hoofdverdachte] zegt dat ze het dan weer in een rugtas hebben gedaan. [hoofdverdachte] legt later nog eens uit dat ze ‘dus die grote tas zo (..) en in die tas is die Reebok zak en dan in die tas weer is die rugzak’ en geeft te kennen dat hij de auto op de parkeerplaats gaat parkeren. Blijkens de bakengegevens van de Mazda blijkt de auto van [hoofdverdachte] om ongeveer 21:48 uur op een parkeerplaats bij station Diemen Zuid te staan. Rond die tijd is in het OVC-gesprek te horen dat er een deur wordt dichtgegooid. [hoofdverdachte] zegt ‘die mannen zijn naar hier gegaan voor die man’, waarna NN1 reageert ‘He..? Die Mocro, hij is eigenlijk die bassie he..(..) Hij is die bassie en hij gaat die tatta afmaken’. Vervolgens is om 21:59 uur te horen dat er meerdere personen in de auto van [hoofdverdachte] stappen. [medeverdachte 8] vraagt of ze willen stoppen of door willen gaan. NN1 wil gewoon werken. Hij ‘wil knallen’. [medeverdachte 8] vraagt hem wat het hem waard is. NN1 vraagt hem om hem niet te vergeten en zegt: ‘Ik sta in de krijt nu zeker voor een paar jaar. En dat zeg ik ook, me neven, ik laat ze doekoe verdienen en die mannen laten me gewoon in de steek, kan niet mattie… We verdienen samen tonnen en dan laat je me zo alleen. Zonder me had je niks.’ Op 26 mei 2012 om 14:56 uur wordt [hoofdverdachte] gebeld door [medeverdachte 7], die hem vraagt hoe het met de ‘torie’ van [voornaam medeverdachte 6] is. [hoofdverdachte] antwoordt dat hij het nog moet horen, hij moet nog bellen of zij moeten hem bellen. In de avond van 26 mei 2012 om 20:40 uur stapt [medeverdachte 6] bij [hoofdverdachte] in de auto en vindt het volgende gesprek tussen hen plaats. [medeverdachte 6] vraagt ‘want dan gaan we met ze eten toch?’. Vervolgens zegt hij: ‘Wacht, hier is tweeënzestig
(62).’ [hoofdverdachte] antwoordt: ‘Tweeënzestig
(62)? Voor die… hoeveel had ik ze gezegd?’ Vervolgens [medeverdachte 6]: ‘Twee
(2). Twee stuks toch?’ waarop [hoofdverdachte] reageert: ‘Ja, maar zew hebben acht
(8)gestuurd toch?’ hetgeen door [medeverdachte 6] wordt bevestigd. [hoofdverdachte] geeft aan: ‘Ja en ik had ze gezegd dertig procent (30%) toch?’ [medeverdachte 6] vraagt daarop: 30%. [hoofdverdachte] zegt ‘ja toch?’ Is twee stukjes toch?’ [hoofdverdachte] reageert: ‘Nee 30% is meer, is twee en een half toch?’ [medeverdachte 6] vindt dat ze dat gelijk tegen hen kunnen zeggen en zegt: ‘Voor dingens man, uhh op eenendertig. [hoofdverdachte] vraagt hem of 62 dan voor 2 is. Volgens [medeverdachte 6] klopt dat, maar hij heeft er nog niks uitgepakt. [hoofdverdachte] vraagt of [medeverdachte 6] een calculator heeft. Die heeft [medeverdachte 6] op de ping. Verder geeft [medeverdachte 6] aan, ‘er was acht stukjes. (..) En uh nog wat, vijfenzeventig toch?’ [hoofdverdachte] zegt: ‘30% van …’ [medeverdachte 6] vraagt: ‘Wacht … het is 8.7 ofzo? (..) 8.7 gedeeld door 100 (..) x30.’ Later zegt hij dat het 2.4 is. [hoofdverdachte] geeft nog weer wat later aan: ‘Het is 8 komma zoveel is gekomen.’ [medeverdachte 6] antwoordt daarop ‘ja toch’. [medeverdachte 6] komt met 30% op 2.4 uit. Daarna zegt hij: ‘Vierenzeventig
(74)vierenzeventig punt vier (74.4) moest het dan zijn. (..) Ja, wacht, vierenzeventigduizend keer uhh plus 400. En dan kijken min tweeënzestig
(62). Dan krijg je nog 12.4 komma
- Hee dat is een break man….(..) is goed toch?’ [hoofdverdachte] zegt dat die andere man ook al had gebeld, ‘Dogla’, zegt [hoofdverdachte] als [medeverdachte 6] vraagt wie er gebeld heeft. In het vervolg van het gesprek geeft [hoofdverdachte] aan dat hij volgens zijn berekening op 2.6 en 2.8 was uitgekomen, [medeverdachte 6] op 2.
- [medeverdachte 6] zegt dat hij dat dan tegen de mannen moet zeggen. Voorts vraagt [hoofdverdachte] aan [medeverdachte 6] hoeveel hij aan Dogla gaat geven. [medeverdachte 6] zegt: ‘Die man die me heeft voorgesteld die wou ik dan drie
(3)koch geven. [..] Of ik geef die Dogla gewoon drie
(3)kompaan (fon) en dan klaar, en dat moet hij met die man verdelen.’ [hoofdverdachte] vindt dat een tussenpersoon ook zo hoort te krijgen. Op 27 mei 2012 tussen 00:48 uur en 00:52 uur hebben [hoofdverdachte] en [medeverdachte 2] sms-contact. [hoofdverdachte] vraagt aan [medeverdachte 2] of hij al slaapt. Wanneer [medeverdachte 2] aangeeft dat dit niet het geval is, komt [hoofdverdachte] met vijftien minuten langs. Hierna vindt op 27 mei 2012 vanaf 01:05 uur een gesprek in de auto van [hoofdverdachte] tussen hem en [medeverdachte 2] plaats. [hoofdverdachte] is met de mannen uit eten gegaan, omdat de mannen een bespreking met andere mannen hadden over de schoonheidsfoutjes. Daarnaast vertelt [hoofdverdachte] hem dat de man een foto gemaakt en toen heeft de man heel groot heeft geschreven dat het in de container moet gaan. De mannen hebben alle punten opgeschreven en zullen dat beter aan de man gaan uitleggen. Daarna bespreken [hoofdverdachte] en [medeverdachte 2] hoe het onderkennen van de koffer op Schiphol precies is gegaan. [medeverdachte 2] legt uit aan [hoofdverdachte] wat hij heeft gedaan. [medeverdachte 2] is naar binnen gereden en ‘zag dat Betsie ook stond’. [medeverdachte 2] heeft [hoofdverdachte] niet gezien en weet niet waar [hoofdverdachte] stond. [medeverdachte 2] noemt ‘Betsie de grote witte wagen waar de bulk komen’. [hoofdverdachte] zag een wagen. [medeverdachte 2] is naar F24 gegaan en zag dat er een auto kwam rijden. [medeverdachte 2] is naar de Pier gegaan. [betrokkene 4] riep [medeverdachte 2] om dingen te doen. [medeverdachte 2] ‘berekende een ding, belangrijk is dat [medeverdachte 2] wilde zien.’ [medeverdachte 2] is ‘silence’, ‘de mannen weten niet dat hij in de buurt is, omdat hij rijdt.’ Vervolgens legt [hoofdverdachte] uit dat hij de planken kwijt is geraakt en ‘de mannen het bij de rederij hebben genomen’. [hoofdverdachte] dacht dat er maar één shocon was. Hij wist niet dat er drie shocons waren, hij zag vervolgens twee Dolly. Hij dacht ‘wat heeft de man?’ ‘Hij zag dat de andere naar de andere kant is gegaan. Hij heeft gezeten en ernaar gekeken. Toen begon de man te rijden. Maar de kerel heeft de deur van de man geopend. Want dit ruikt goed.’ Uiteindelijk zag [hoofdverdachte] dat [betrokkene 5] de wagen is gaan halen. [medeverdachte 2] was ‘komen kijken van Shocon.’ Daarna heeft hij aan de jongens gevraagd welke machine het is, waarop de mannen zeiden ‘744’ en toen zag [medeverdachte 2] drie containers. [hoofdverdachte] zegt nogmaals dat [betrokkene 5] de containers heeft gereden. [medeverdachte 2] vertelt wat er verder is gebeurd, hij zou ‘naar Transi rijden om te kijken of die klote honden daar zijn. Toen hij bij Delta 12 aan kwam, zag hij het voertuig. Toen hij de bocht maakte zei de man dat [hoofdverdachte] daar is.’ Volgens [medeverdachte 2] wilde de man de ‘torie’ vangen. Hij heeft in de computer gekeken en zag dat er nog 44 koffers op de kar moesten komen. Rond 1:48 uur zegt [medeverdachte 2] dat hij niet weet hoe [hoofdverdachte] erover denkt, maar hij wil ernstig aanspannen met [hoofdverdachte]. [hoofdverdachte] weet wat [medeverdachte 2] waard is en hij weet wat [hoofdverdachte] waard is. Wat later in het gesprek zegt [hoofdverdachte] dat de Marokkaan tegen Krul gezegd heeft ‘je kunt nog doorgaan met deze. Dit is gewoon evaluatie en ze bespreken het. Want Krul heeft al de andere. Dat is in de auto…Hoor de Marokkaan, je kunt gewoon doorgaan. En als je in de finesses gaat, neem je de andere. Dus de mannen wisselen.’ [medeverdachte 2] vindt dat ze niet teveel moeten communiceren. Hij vertelt ook dat hij vaak eten en drinken aan de jongens verkoopt en dat ‘de mannen nu dus het gezicht van hem hebben. Dus alles heeft zijn voordelen.’ Rond 1:59 uur zegt [hoofdverdachte] dat hij vertrouwen heeft bij de Marokkaan. Hij heeft met de mannen afgesproken. De Marokkaan zei ‘het is niet goed gegaan hè?’ [hoofdverdachte] heeft Krul aangesproken, want hij had verkeerde informatie gegeven. [hoofdverdachte] wist dat het fout zou gaan. Hij vertelt verder dat de Marokkaan hier heeft gezeten, de andere man zat achterin. Hij was aan het rijden en heeft de papieren aan de Marokkaan laten zien. [medeverdachte 2] vraagt even of dat de ene die hij had geprint had, was. Dat was het geval, volgens [hoofdverdachte]. [hoofdverdachte] vertelt vervolgens hoe het gesprek eerder die avond ging. Hij zag dat de jongen begon te twijfelen, en hij zei ‘maak je niet druk. Ik heb het, maar het zijn de schoonheidsfoutjes’. De man die achterin zat, sprong op hem en zoende hem in zijn nek. De Marokkaan bedankte hem. Volgens hem heeft hij, [hoofdverdachte], hen in zijn macht. Het ding zat achterin de auto. Ze zijn naar Diemen gereden, de mannen hadden een Golf opgeroepen en nog een andere man. [hoofdverdachte] heeft het in de auto gegooid. Hij heeft hen in de buurt van de Albert Cuyp afgezet en is vervolgens weggereden. [medeverdachte 2] begrijpt dat [hoofdverdachte] de mannen even in spanning heeft gelaten en hen daarna verlost heeft, waarna [hoofdverdachte] aangeeft dat het afgelopen zou zijn, wanneer het de Afrikanen waren geweest. Vervolgens vraagt [medeverdachte 2] aan [hoofdverdachte] hoeveel ‘hier trouwens’ is, waarop [hoofdverdachte] zegt ‘twee en twintig.’ ‘Dat is goed’, vindt [medeverdachte 2]. Later in het gesprek vindt [medeverdachte 2] dat [hoofdverdachte] goed moet luisteren naar wat hij zegt. ‘Arbeid die je ook verricht, dat je mannen ontmoet en dinges, dat is ook geen malligheid. Het verschil tussen hem en [hoofdverdachte] mag er zijn.’ ‘Het is voor hem naar andere mensen toe onbelangrijk.’ ‘Wat er tussen [hoofdverdachte]