RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf Locatie Haarlem Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/741030-10 Uitspraakdatum: 11 juli 2013 Tegenspraak Promisvonnis Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 26 juni 2013 (inhoudelijke behandeling) en 27 juni 2013 (sluiting van het onderzoek ter terechtzitting) in de zaak tegen: [verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende te [adres]. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. van Venrooij en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E. Boskma, advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht.
- Tenlastelegging Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat: Feit 1: hij op één (of meer) tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01 januari 2000 tot en met 31 mei 2006 te Haarlem en/of Alkmaar en/of Egmond aan Zee, gemeente Bergen, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten [medeverdachte 1] en/of [verdachte] en/of één of meer (onbekend) gebleven personen en/of een rechtspersoon te weten [rechtspersoon 1] welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het (in de uitoefening van beroep of bedrijf) telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of opzettelijk aanwezig hebben van middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II (dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, van de Opiumwet); Feit 2: hij op een (of meer) tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 30 september 2010, te Haarlem en/of Alkmaar en/of Egmond aan Zee, gemeente Bergen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen te weten [medeverdachte 1] en/of [verdachte] en/of [medeverdachte 3] en/of één of meer andere (onbekend) gebleven personen en/of een rechtspersoon te weten [rechtspersoon 1] en/of [rechtspersoon 2], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een misdrijf en/of misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en/of vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet, namelijk het (in de uitoefening van beroep of bedrijf) telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of opzettelijk aanwezig hebben van middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II (dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, van de Opiumwet; feit 3: hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 30 september 2010 te Haarlem en/of Alkmaar en/of Egmond aan Zee, gemeente Bergen, in elk geval in Nederland, één of meermalen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of afgeleverd en/of verkocht en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, in het kader van een beroep of bedrijf, een of meer (grote en/of handels-) hoeveelhe(i)d(en) hennepplanten en/of hennepstekken en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
- Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
- Bewijs 3.
- Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten. 3.
- Standpunt van de verdediging De raadsman van verdachte heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten. 3.
- Vrijspraak Met de officier van justitie en de raadsman van verdachte is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen verdachte ten laste is gelegd, nu uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende is gebleken dat verdachte betrokken is geweest bij de ten laste gelegde feiten. Verdachte moet daarvan derhalve worden vrijgesproken.
- Beslissing De rechtbank: Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1, 2 en 3 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. van Andel, voorzitter, mr. M.W. Groenendijk en mr. J.A.M. Jansen, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.E. van den Bergh, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 juli 2013.