vonnis RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling privaatrecht Sectie Handel & Insolventie zaaknummer / rolnummer: C/15/198455 / HA ZA 12-553 Vonnis van 18 december 2013 in de zaak van de vennootschap naar het recht van Hong Kong, QIDE INTERNATIONAL TRADE CO. LTD., gevestigd te Hong Kong, eiseres in conventie, verweerster in voorwaardelijke reconventie, advocaat mr. M.N. Stoop, tegen
(1)van de "Limitation Ordinance (Chapter 347)" van de "Basic Law of Hong Kong" verjaren acties gebaseerd op een overeenkomst zes jaar vanaf "the date on which the cause of action accrued". Naar de eigen stellingen van [Groothandel A] wist Qide vanaf begin november 2007 dat de facturen niet door haar betaald zouden worden. Volgens Qide wist zij dat pas op een later moment. Echter, ook indien de stelling van [Groothandel A] op dit punt wordt gevolgd, is de vordering tijdig ingesteld. De dagvaarding is immers op 30 november 2012 en derhalve binnen een termijn van zes jaar na november 2007 aan [Groothandel A] betekend. Het beroep op verjaring slaagt derhalve niet. 4.10. In Section 29 van de "Sale of Goods Ordinance (Chapter 26)" van de "Basic Law of Hong Kong" is bepaald dat het de plicht van de verkoper is om de goederen te leveren en de plicht van de koper om voor de goederen te betalen. Qide heeft in dit geval goederen aan [Groothandel A] geleverd en niet betwist is dat [Groothandel A] daar niet voor heeft betaald. Ingevolge Section 51 van genoemde "Ordinance" kan de verkoper in een dergelijk geval een vordering instellen voor de prijs van de goederen. Dat laatste heeft Qide met onderhavige vordering gedaan. De hoogte van de door Qide gevorderde prijs wordt door [Groothandel A] grotendeels niet betwist, met uitzondering van de waarde van de op 22 oktober 2007 door [Groothandel A] aan Qide geretourneerde goederen. Volgens [Groothandel A] bedroeg de waarde van die goederen USD 189.121,40 (€ 146.605,58), terwijl die volgens Qide slechts USD 30.000 bedroeg. Dat laatste bedrag is door Qide reeds in mindering gebracht op haar vordering. 4.11. Gelet op de betwisting van Qide van de waarde van de teruggezonden goederen had het op de weg van [Groothandel A] gelegen om haar stelling dat een volle container ter waarde van USD 189.121,40 terug is gezonden nader te onderbouwen. Uit de bij de conclusie van antwoord als productie G8 overgelegde "invoice returning" en "packing list" die beide niet gedateerd zijn en geen containernummer en geen geadresseerde bevatten, kan immers niet worden afgeleid dat de daarop vermelde goederen de goederen zijn die op 22 oktober 2007 per container naar Qide zijn teruggestuurd. Nu [Groothandel A] geen nadere onderbouwing van de waarde van de geretourneerde goederen heeft gegeven, heeft zij niet voldaan aan haar stelplicht, zodat het ervoor moet worden gehouden dat de waarde van die goederen niet meer bedroeg dan de USD 30.000 die Qide reeds in mindering heeft gebracht op haar vordering. 4.12. Het vorenstaande brengt mee dat de vordering van Qide tot betaling van de prijs van de goederen van (omgerekend) € 711.062,75 naar het recht van Hong Kong in beginsel toewijsbaar is. 4.13. [Groothandel A] beroept zich echter op schuldeisersverzuim aan de kant van Qide en (subsidiair) verrekening met een vordering die zij op Qide stelt te hebben wegens wanprestatie. De rechtbank ziet aanleiding hieronder eerst te beoordelen of naar het recht van Hong Kong sprake is van wanprestatie van Qide en of [Groothandel A] daardoor schade heeft geleden alvorens (indien nodig) in te gaan op de vraag of naar het recht van Hong Kong sprake kan zijn van schuldeisersverzuim en/of verrekening. 4.14. Ter onderbouwing van de wanprestatie van Qide voert [Groothandel A] aan dat Qide in de periode april tot en met augustus 2007 29 containers met consumentengoederen heeft geleverd, waarvan een deel te laat is geleverd en een deel niet beantwoordde aan de overeenkomst met als gevolg dat [Groothandel A] in totaal voor een bedrag van € 510.000,60 schade heeft geleden. Spaarlampen en contactdozen 4.15. [Groothandel A] stelt dat zij in januari 2007 met Qide heeft afgesproken dat in mei 2007 een partij spaarlampen en contactdozen zou worden geleverd. De levering heeft echter pas maanden later plaatsgevonden en de geleverde spaarlampen en contactdozen bleken bovendien meerdere gebreken te vertonen. Als gevolg van de late levering en gebreken kon [Groothandel A] niet voldoen aan haar verplichtingen jegens de firma Testrut, aan wie zij de lampen en contactdozen zou doorverkopen. Testrut heeft [Groothandel A] voor de door haar geleden schade ad € 137.105,10 aansprakelijk gesteld. Bovendien heeft [Groothandel A] de verwachte winst van USD 147.564,43 niet kunnen realiseren. Omdat de overige - niet voor Testrut bedoelde - contactdozen ook niet konden worden verkocht, is daarnaast sprake van een winstderving van € 18.235,46, aldus [Groothandel A]. 4.16. Qide betwist gemotiveerd dat partijen (finale) leveringstermijnen overeen zijn gekomen, dat de goederen te laat zijn geleverd en dat de goederen gebreken vertoonden. Voorts betwist Qide dat [Groothandel A] daadwerkelijk schade heeft geleden, omdat niet gebleken is dat [Groothandel A] de claim van Testrut heeft betaald en de winstderving in het geheel niet is onderbouwd. 4.17. Gelet op de gemotiveerde betwisting van Qide had het op de weg van [Groothandel A] gelegen om haar stellingen dat Qide de lampen en contactdozen na de overeengekomen datum heeft geleverd en deze goederen niet aan de overeenkomst beantwoordden nader te onderbouwen. Nu zij dat niet heeft gedaan, is wanprestatie van Qide niet komen vast te staan. Daarnaast is ook niet komen vast te staan dat [Groothandel A] schade heeft geleden. Ter zitting heeft zij immers erkend dat de claim van Testrut niet is betaald. De geschatte winstderving wordt tot slot ook door Qide betwist en is op geen enkele wijze door [Groothandel A] onderbouwd, zodat ook op dit punt niet is voldaan aan de stelplicht. Nu de feitelijke grondslag van het gevorderde ontbreekt, komt dit deel van de vordering - ook naar het recht van Hong Kong - niet voor toewijzing in aanmerking. Inbreuk op intellectuele eigendomsrechten 4.18. [Groothandel A] stelt voorts dat zij schade heeft geleden als gevolg van het feit dat diverse door Qide geleverde producten inbreuk maakten op intellectuele eigendomsrechten van derden. De geleverde goederen konden daardoor niet worden verkocht waardoor [Groothandel A] kosten heeft moeten maken voor het laten retourneren van reeds doorverkochte producten. Daarnaast was sprake van een winstderving van € 128.795,18. Daar bovenop heeft [Groothandel A] een claim van € 100.000,- ontvangen van Procter & Gamble in verband met inbreuk op intellectuele eigendomsrechten van partijen door Qide geleverd Always maandverband. Als gevolg van deze claim heeft [Groothandel A] advocaatkosten moeten maken. 4.19. Qide betwist dat haar producten inbreuk maakten op intellectuele eigendomsrechten van derden alsmede dat de door haar geleverde goederen niet aan de overeenkomst beantwoordden. De meeste orders waren 'repeated orders' op basis van door [Groothandel A] vooraf goedgekeurde samples. [Groothandel A] wist derhalve precies wat zij kocht en ook dat de goederen niet de originele merkgoederen waren, aldus Qide. Daarnaast betwist Qide de door [Groothandel A] gestelde schade. 4.20. Ook op dit punt heeft [Groothandel A] haar stellingen tegenover de gemotiveerde betwisting van Qide onvoldoende onderbouwd. Qide heeft er terecht op gewezen dat het feit dat de geleverde goederen deels niet originele merkgoederen waren nog niet meebrengt dat de goederen daarmee niet aan de overeenkomst beantwoordden. Dat partijen hadden afgesproken dat alleen originele merkgoederen geleverd zouden worden, is gelet op de gemotiveerde betwisting van Qide onvoldoende komen vast te staan. Bovendien is ook de gestelde schade onvoldoende onderbouwd. Het overzicht met de claims (productie G10) waar [Groothandel A] naar verwijst, is niet met stukken onderbouwd en er blijkt niet uit dat het gaat om producten die zijn geleverd door Qide. Evenmin blijkt dat uit de overgelegde factuur van de advocaat waarnaar [Groothandel A] verwijst. Waar de in het overzicht vermelde bedragen op gebaseerd zijn, is in het geheel niet toegelicht. De feitelijke grondslag van het gevorderde ontbreekt derhalve, zodat dit deel de vordering - ook naar het recht van Hong Kong - niet voor toewijzing in aanmerking kan komen. Stickers 4.21. Volgens [Groothandel A] zijn partijen overeengekomen dat Qide alle producten zou voorzien van een sticker met productinformatie en een barcode, omdat dit een vereiste is voor verkoop van consumentengoederen in Europa. Omdat Qide diverse goederen zonder sticker heeft geleverd, was [Groothandel A] genoodzaakt die goederen zelf te laten bestickeren, hetgeen haar USD 14.825,38 heeft gekost. 4.22. Qide betwist dat zij de door haar geleverde goederen niet conform de instructie van [Groothandel A] bestickerd heeft en verwijst ter onderbouwing van dat standpunt naar een e-mail van haar aan [Groothandel A] van 15 september 2007 waarin de bestickering wordt besproken. In die e-mail schrijft Qide dat indien er onverhoopt toch goederen zijn geleverd zonder sticker, [Groothandel A] een lijst moet sturen met de betreffende producten, waarna Qide kosteloos de betreffende stickers aan [Groothandel A] zal toezenden. 4.23. Gesteld noch gebleken is dat [Groothandel A] heeft gereageerd op voormelde e-mail van Qide en een correcte lijst met goederen aan Qide heeft verzonden, zodat Qide alsnog voor de betreffende stickers kon zorgen. Gelet hierop is door [Groothandel A] onvoldoende onderbouwd gesteld dat zij als gevolg van een tekortkoming van Qide zelf kosten heeft moeten maken voor de bestickering. Nu de feitelijke grondslag van het gevorderde ontbreekt, kan dit deel de vordering - ook naar het recht van Hong Kong - niet voor toewijzing in aanmerking komen. 4.24. Het vorenstaande samengevat is niet komen vast te staan dat sprake is van een tekortkoming aan de kant van Qide, zodat [Groothandel A] - zo dat naar het recht van Hong Kong al mogelijk zou zijn - hoe dan ook geen beroep kan doen op schuldeisersverzuim en evenmin kan verrekenen. Dit betekent dat de vordering van Qide tot betaling van € 711.062,75 zal worden toegewezen. 4.25. De door Qide gevorderde wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en de buitengerechtelijke kosten conform Rapport Voorwerk zullen worden afgewezen, omdat deze vorderingen zijn gebaseerd op Nederlands recht en geen grondslag naar het recht van Hong Kong is gesteld. 4.26. De door Qide onder I gevorderde verklaring voor recht zal eveneens worden afgewezen, omdat ook deze vordering geheel is gegrond op en geformuleerd naar Nederlands recht. Ten aanzien van [de bestuurder], [de echtgenoot] en [de zoon] Aansprakelijkheid als bestuurders/feitelijk leidinggevende van [Groothandel A] 4.27. Qide legt aan haar vorderingen jegens [de bestuurder], [de echtgenoot] en [de zoon] primair ten grondslag dat zij in hun hoedanigheid van bestuurder c.q. feitelijk leidinggevenden onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld. 4.28. [de bestuurder], [de echtgenoot] en [de zoon] stellen zich primair op het standpunt dat de vorderingen van Qide uit hoofde van onrechtmatige daad zijn verjaard, omdat Qide in ieder geval sinds 3 oktober 2007, de dag na de vervaldatum van de laatste factuur, wist althans had moeten weten dat [Groothandel A] niet over zou gaan tot tijdige en volledige betaling van de facturen en sinds die datum meer dan vijf jaren zijn verstreken alvorens is gedagvaard. Dit verjaringsverweer slaagt niet, omdat [de bestuurder], [de echtgenoot] en [de zoon] tegenover de gemotiveerde betwisting van Qide onvoldoende feiten en omstandigheden hebben gesteld waaruit blijkt dat Qide er op 3 oktober 2007 daadwerkelijk mee bekend was dat de facturen definitief niet betaald zouden worden. [Groothandel A] heeft immers op 2 oktober 2007 nog een e-mail aan Qide gezonden met de mededeling dat twee betalingen mislukt waren, maar dat op 10 oktober 2007 overleg gevoerd zou worden met de bank. Dat Qide op enig ander moment vóór 30 november 2007 daadwerkelijk bekend is geworden met de schade is gesteld noch gebleken. 4.29. Van bestuurdersaansprakelijkheid kan volgens vaste jurisprudentie onder meer sprake zijn in gevallen waarin degene die als bestuurder (
- i)namens de vennootschap heeft gehandeld, wetende dat de vennootschap niet zal nakomen en evenmin verhaal zal bieden, dan wel (
- ii)heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of eerder aangegane contractuele verplichtingen niet nakomt. 4.30. Voor de onder (
- i)bedoelde gevallen wordt in de rechtspraak als maatstaf voor persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van een vennootschap de zogenaamde ‘Beklamel-norm’ gehanteerd. Op grond van deze norm kan bestuurdersaansprakelijkheid worden aangenomen wanneer de bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of er niet aan behoefde te twijfelen dat de vennootschap niet, of niet binnen een redelijke termijn, haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de schade die de derde ten gevolge van die wanprestatie zou lijden (HR 6 oktober 1989, NJ 1990, 286). 4.31. Voor de onder (
- ii)bedoelde gevallen kan een bestuurder van een vennootschap aansprakelijk worden gehouden voor de schade van de schuldeiser, indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt (HR 18 februari 2000, NJ 2000, 295). Selectieve wanbetaling, ofwel betalingsonwil, is daarvan een bijzonder voorbeeld (HR 3 april 1992, NJ 1992, 411). 4.32. Qide stelt dat het hiervoor onder (
- i)genoemde geval aan de orde is, nu [de bestuurder], [de echtgenoot] en [de zoon] een handelskrediet hebben afgesloten bij Qide en orders zijn blijven plaatsen, terwijl zij wisten dat sprake was van een zeer slechte financiële situatie bij [Groothandel A]. Zij hebben hiermee bewust een onverantwoord groot financieel risico genomen en hebben daarover gezwegen tegenover Qide. [de bestuurder], [de echtgenoot] en [de zoon] kan dan ook persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt, aldus Qide. 4.33. [de bestuurder], [de echtgenoot] en [de zoon] hebben gemotiveerd betwist dat zij op het moment van het plaatsen van orders reeds wisten dat [Groothandel A] de daaruit voortvloeiende financiële verplichtingen jegens Qide niet zou kunnen nakomen. Zij verkeerden in de veronderstelling dat met de verkoop van de goederen in de Joop Non-Food winkels weer winst gemaakt zou worden en wisten niet dat de Rabobank het krediet enige maanden later zou opzeggen. Die opzegging heeft plaatsgevonden in december 2007 en dat is hoe dan ook pas na de laatste order van [Groothandel A]. Op het moment dat het krediet door de Rabobank werd opgezegd, werd tevens het pandrecht uitgewonnen en was het voor [Groothandel A] niet meer mogelijk om de goederen te gelde te maken en Qide te betalen. 4.34. In het licht van het vorenstaande verweer heeft Qide onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat [de bestuurder], [de echtgenoot] en [de zoon] bij het namens [Groothandel A] aangaan van het handelskrediet en het plaatsen van orders wisten of er niet aan behoefden te twijfelen dat de vennootschap niet, of niet binnen een redelijke termijn, haar verplichtingen jegens Qide zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden. Qide heeft op dit punt derhalve niet voldaan aan haar stelplicht, zodat het gestelde zal worden gepasseerd. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. 4.35. Volgens Qide hebben [de bestuurder], [de echtgenoot] en [de zoon] daarnaast bewerkstelligd of toegelaten dat [Groothandel A] haar wettelijke of eerder aangegane contractuele verplichtingen niet is nagekomen door de betaling van de facturen van Qide te verhinderen. [de bestuurder], [de echtgenoot] en [de zoon] hebben daar tegen aangevoerd dat [Groothandel A] wel wilde betalen, maar dat eenvoudig niet kon, hetgeen wordt bevestigd door de e-mail van 2 oktober 2007 aan Qide (2.11) waarin staat dat er twee betalingen aan Qide zijn gedaan, maar dat de bank heeft geweigerd die betalingen uit te voeren en nog overleg met de bank zal plaatsvinden. De door [de bestuurder], [de echtgenoot] en [de zoon] gestelde betalingsonmacht is door Qide niet betwist en door haar is ook niet gesteld dat [Groothandel A] wel in staat zou zijn te betalen. Gelet hierop is de door Qide gestelde betalingsonwil niet komen vast te staan, zodat de feitelijke grondslag voor de vordering uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid ontbreekt. 4.36. Nu de door Qide gestelde bestuurdersaansprakelijkheid niet is komen vast te staan, kan in het midden blijven of [de echtgenoot] en [de zoon] als feitelijk leidinggevenden van [Groothandel A] moeten worden aangemerkt. Aansprakelijkheid als vennoten van Saldi Trading 4.37. Qide stelt voorts dat [de echtgenoot] en [de zoon] welbewust hebben geprofiteerd van de wanprestatie van [Groothandel A] door met hun vennootschap onder firma Saldi Trading de bedrijfsactiviteiten van [Groothandel A] te continueren en de door Qide aan [Groothandel A] geleverde goederen te koop aan te bieden. 4.38. Qide gaat er met voormelde stelling echter aan voorbij dat op de door haar aan [Groothandel A] geleverde goederen een pandrecht van de Rabobank rustte. De bank heeft – zo is door [de echtgenoot] en [de zoon] onweersproken gesteld – het pandrecht uitgewonnen. Dat de bank daarbij de beslissing heeft genomen de goederen te verkopen aan Saldi Trading heeft weliswaar tot gevolg gehad dat de goederen terecht zijn gekomen bij [de echtgenoot] en [de zoon], maar dat verband is te ver verwijderd om te kunnen spreken van het rechtstreeks profiteren van de wanprestatie van [Groothandel A]. Dat [de echtgenoot] en [de zoon] onrechtmatig hebben gehandeld, is dan ook niet komen vast te staan. Ongerechtvaardigde verrijking 4.39. Van ongerechtvaardigde verrijking door [de echtgenoot] en [de zoon] is evenmin sprake, nu de goederen door hen zijn verkregen uit hoofde van een koopovereenkomst met de pandhouder. De verkrijging vindt haar grondslag derhalve in een rechtshandeling en is reeds om die reden niet ongerechtvaardigd. Van verrijking is bovendien ook geen sprake, nu Saldi Trading de Rabobank voor de goederen heeft betaald. 4.40. Voor zover Qide daarnaast nog heeft bedoeld te betogen dat [de bestuurder], [de echtgenoot] en Enrico ongerechtvaardigd zijn verrijkt, omdat er alle aanleiding is te veronderstellen dat zij, omdat zij nauw zijn betrokken bij [Groothandel A], hebben geprofiteerd van het feit dat [Groothandel A] de door Qide geleverde goederen niet heeft betaald, geldt dat deze vordering als onvoldoende onderbouwd moet worden afgewezen. Proceskosten 4.41. Qide vordert [A c.s.] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Nu de vorderingen jegens [de bestuurder], [de echtgenoot] en [de zoon] worden afgewezen, komen alleen nog de kosten van het ten laste van [Groothandel A] gelegde beslag voor vergoeding in aanmerking. De vergoeding van die kosten zal echter ook worden afgewezen, omdat de vordering onvoldoende is gespecificeerd. Qide heeft beslag doen leggen ten laste van alle gedaagden en uit de overlegde beslagstukken niet kan worden opgemaakt welk deel van de gevorderde beslagkosten ziet op het beslag dat is gelegd ten laste van [Groothandel A]. 4.42. Nu de vordering tegen [Groothandel A] grotendeels wordt toegewezen, zal zij als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van Qide worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Qide worden begroot op: - dagvaarding € 31,17 (€ 124,68/4) - griffierecht 3.621,00 - salaris advocaat 5.160,00 (2 punten × tarief € 2.580,00) Totaal € 8.812,17 4.43. Nu de vorderingen tegen [de bestuurder], [de echtgenoot] en [de zoon] worden afgewezen, zal Qide als de in het ongelijk gestelde partij in de door hen gemaakte proceskosten worden veroordeeld. Omdat het door [A c.s.] betaalde griffierecht voor rekening van [Groothandel A] als verliezende partij komt, bestaan de proceskosten van [de bestuurder], [de echtgenoot] en [de zoon] enkel uit advocaatkosten en de nakosten. Gelet op het feit dat [Groothandel A] en [de bestuurder], [de echtgenoot] en [de zoon] in deze procedure door dezelfde advocaat zijn bijgestaan en door hen een gezamenlijke conclusie van antwoord is ingediend, ziet de rechtbank aanleiding de helft van de door [A c.s.] gemaakte (forfaitaire) advocaatkosten, te weten € 2.580,00, voor rekening van Qide te brengen. in reconventie 4.44. Nu het beroep op verrekening van [Groothandel A] in conventie niet slaagt, komt de rechtbank toe aan de voorwaardelijk ingestelde vordering in reconventie. Hetgeen hiervoor in conventie is overwogen over de vordering van [Groothandel A] brengt echter mee dat de reconventionele vordering geheel zal worden afgewezen. 4.45. [Groothandel A] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Qide worden begroot op: - salaris advocaat € 2.580,00 (2 punten × factor 0,5 × tarief € 2.580,00) Totaal € 2.580,00 5De beslissing De rechtbank in conventie 5.1. veroordeelt [Groothandel A] om aan Qide te betalen een bedrag van € 711.062,75 (zevenhonderdelf duizend tweeënzestig euro en vijfenzeventig eurocent), 5.2. veroordeelt [Groothandel A] in de proceskosten, aan de zijde van Qide tot op heden begroot op € 8.812,17, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, 5.3. veroordeelt Qide in de proceskosten, aan de zijde van [de bestuurder], [de echtgenoot] en [de zoon] tot op heden begroot op € 2.580,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, 5.4. veroordeelt Qide in de na dit vonnis aan de zijde van [de bestuurder], [de echtgenoot] en [de zoon] ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Qide niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, 5.5. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.6. wijst het meer of anders gevorderde af, in reconventie 5.7. wijst de vordering af, 5.8. veroordeelt [Groothandel A] in de proceskosten, aan de zijde van Qide tot op heden begroot op € 2.580,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, 5.9. veroordeelt [Groothandel A] in de na dit vonnis aan de zijde van Qide ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Qide niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, 5.10. verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs, mr. A.J. Wolfs en mr. H.J.M. Burg en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2013. Conc.: 977