RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht Zaaknummer: HAA 13/4828 en 13/4821 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter ter zitting van 24 december 2013 in de zaken tussen [eiser] wonende te [woonplaats], eiser, gemachtigde mr.drs. M.A.M. Karsten en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 29 mei 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering die eiser ontving in het kader van de Wet werk en bijstand (Wwb) per 1 januari 2013 ingetrokken, omdat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden, waardoor zijn recht op bijstand niet is vast te stellen. Bij besluit van 16 oktober 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nr. HAA 13/
- Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder nr. HAA 13/
- Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 december
- Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, mr. M.G. Böhm en R.P. Stroo. Beslissing De voorzieningenrechter: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Overwegingen
- De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering. 2 De toetsingsperiode in deze zaak betreft de periode tussen 1 januari 2013 en 30 mei
- Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat eiser in voormelde periode zowel geregistreerde auto’s als niet-geregistreerde auto’s op zijn naam heeft gehad en dat hij die auto’s heeft geëxporteerd naar landen in Afrika. Ook is naar voren gekomen dat eiser in deze periode inkomsten heeft gehad. Hier staan weliswaar uitgaven tegenover, maar eiser heeft er blijkbaar niet voor gekozen zijn inkomsten primair te besteden aan de eerste levensbehoeften, de premie ziektekostenverzekering en de huur. Voorts is komen vast te staan dat eiser nog steeds auto’s op zijn naam heeft staan.
- Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet kan worden gezegd dat de door verweerder genomen beslissing op bezwaar als onrechtmatig moet worden aangemerkt. Dit betekent dat het beroep ongegrond is. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afwijzen.
- Eiser heeft inmiddels op 4 oktober 2013 een nieuwe Wwb-aanvraag ingediend. In het kader hiervan heeft verweerder eiser bij brief van 5 december 2013 tot 3 januari 2014 in de gelegenheid gesteld alsnog de benodigde stukken in te leveren.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- De voorzieningenrechter deelt tot slot mede dat tegen deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep kan worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Voor zover de uitspraak betrekking heeft op het verzoek om voorlopige voorziening, staat hiertegen geen rechtsmiddel open. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel-Kuneman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.M. van der Pol, griffier, op 24 december
- griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: