RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 12/4776 Uitspraakdatum: 2 juli 2013 Uitspraak in het geding tussen [X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres, gemachtigde: mr. ing. B.J.B. Boersma, en de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Rotterdam Rijnmond, verweerder. 12/4776
(2009)Post 8901 90 10 8901 Passagiersschepen, rondvaartboten, veerboten, vrachtschepen, aken en dergelijke schepen voor het vervoer van personen of van goederen: (…) 8901 20 − tankschepen: 8901 20 10 − − zeeschepen 8901 20 90 − − andere (…) 8901 90 – andere schepen voor het vervoer van goederen en andere schepen die zowel bestemd zijn voor het vervoer van personen als van goederen: 8901 90 10 – – zeeschepen − − andere: 8901 90 91 − − − zonder mechanische voortbeweging 8901 90 99 − − − met mechanische voortbeweging Aanvullende aantekening 1 op hoofdstuk 89 De onderverdelingen 8901 10 10, 8901 20 10, 8901 30 10, 8901 90 10, 8902 00 12, 8902 00 18, 8903 91 10, 8903 92 10, 8904 00 91 en 8906 90 10 hebben alleen betrekking op schepen, ontworpen en gebouwd voor de vaart in volle zee en waarvan de grootste buitenwerks gemeten lengte van de romp (uitstekende delen niet medegerekend) 12 m of meer is. Voor de vaart in volle zee ontworpen en gebouwde vissersvaartuigen en reddingsboten en -schepen worden echter steeds als zeeschepen aangemerkt, ongeacht hun lengte. Toelichting EG op hoofdstuk 89 Als ‘schepen ontworpen en gebouwd voor de vaart in volle zee’ worden beschouwd de schepen die zodanig zijn gebouwd en uitgerust dat zij bij moeilijke weersomstandigheden (ongeveer windkracht 7 op de schaal van Beaufort) op zee kunnen verblijven. Dergelijke schepen hebben gewoonlijk een dek en een opbouw die ook bij zwaar weer waterdicht zijn. Onder ‘grootste buitenwerks gemeten lengte van de romp’ moet worden verstaan de lengte van de romp gemeten tussen het voorste punt van de boeg en het achterste punt van het achterschip, de al dan niet met de romp tot één vorm verwerkte uitstekende delen (bijvoorbeeld roer, boegspriet, hengelplatform of duikplank) niet inbegrepen. Als ‘zeeschepen’ worden eveneens aangemerkt de vaartuigen en luchtkussenvaartuigen die aan bovenstaande voorwaarden voldoen, ook indien zij voornamelijk worden gebruikt in kustwateren, in riviermondingen, op meren, enz. 5Beoordeling van het geschil 5.
- Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) dat in het belang van de rechtszekerheid en van een gemakkelijke controle, het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in de regel moet worden gezocht in hun objectieve kenmerken en eigenschappen, zoals deze in de tekst van de posten en in de aantekeningen op de afdelingen of hoofdstukken zijn omschreven. De door de Commissie vastgestelde toelichtingen op de GN en de in het kader van de Werelddouaneorganisatie uitgewerkte toelichtingen op het geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen zijn, hoewel rechtens niet bindend, belangrijke hulpmiddelen bij de uitlegging van de draagwijdte van de verschillende tariefposten. 5.
- Ingevolge de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur wordt de tekst van de opschriften van de afdelingen, van de hoofdstukken en van de onderdelen van hoofdstukken geacht slechts als aanwijzing te gelden; voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken. 5.
- Voorts kan volgens de rechtspraak van het HvJ de bestemming van het product een objectief indelingscriterium zijn, wanneer die bestemming inherent is aan het product. De inherentie moet kunnen worden beoordeeld aan de hand van de objectieve kenmerken en eigenschappen van het product (zie arrest van 1 juni 1995, Thyssen Haniel Logistic, C-459/93, Jurispr. blz. I-1381, punt 13, en het arrest Holz Geenen, punt 15). In de zaak C-486/06 (BVBA van Landeghem) van 6 december 2007 heeft het HvJ in punt 27 uiteengezet dat uit de bewoording van de post kan worden afgeleid wat de hoofdbestemming van het goed is en dat de hoofdbestemming van het goed beslissend is voor de indeling indien zij inherent is aan het goed. Voor de van gelijk gewicht zijnde (aanvullende) aantekeningen op een tariefpost geldt hetzelfde (vgl. de conclusie van A-G Van Hilten van 15 november 2010 in de zaak 10/01369, LJN: BO6782). Recht van verdediging 5.4.
- Eiseres betoogt dat het recht van verdediging is geschonden en dat de utb om die reden niet in stand kan blijven. Verweerder heeft weliswaar de mogelijkheid geboden om een reactie op zijn voornemen om een utb op te leggen op te laten sturen, maar heeft hier feitelijk niet naar gekeken en gewoon de voorgestane utb opgelegd. Eiseres acht dit in strijd met het zogenaamde “Sopropé” arrest. 5.4.
- Verweerder stelt dat het voornemen voor het opleggen van de utb op 11 april 2012 aan eiseres is verzonden en dat daarin was opgenomen de mogelijkheid om voor 26 april 2012 te reageren. Op laatstgenoemde datum is per e-mail een herinneringsbericht aan eiseres verzonden. Deze heeft op diezelfde dag gereageerd met de opmerking: “Customs Knowledge heeft bezwaar aangetekend. Dat moet toch voldoende zijn”. Aan Customs Knowledge, de gemachtigde van eiseres, is geen afschrift van het voornemen gestuurd. Gemachtigde van eiseres heeft op 27 april 2012 een reactie aan verweerder gestuurd. In de utb wordt niet op deze reactie ingegaan. Verweerder stelt dat eiseres, gemachtigde van eiseres en de direct vertegenwoordiger, de douane-expediteur [A BEDRIJF] , vanaf 5 juli 2011 ruimschoots met hem inhoudelijk in gesprek zijn geweest. Dat is dus voor de controles werden ingezet en het voornemen voor het opleggen van de utb werd verzonden. Verweerder ziet niet in hoe eiseres in haar verdediging is geschaad. 5.4.
- Uit het arrest van het HvJ van 18 december 2008 in zaak C-349/07 (Sopropé) volgt dat de ‘eerbiediging van de rechten van de verdediging’ een algemeen beginsel van unierecht vormt dat ook van toepassing is wanneer de administratie voornemens is een bezwarend besluit ten opzichte van een bepaalde persoon vast te stellen. Dit beginsel vereist, voor zover hier van belang, dat de (potentiële) adressaat van een besluit dat zijn belang aanmerkelijk raakt, in staat wordt gesteld naar behoren zijn standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop de administratie haar besluit wil baseren. Deze procedurele verplichting rust op de autoriteiten van de lidstaten wanneer zij voornemens zijn dergelijke bezwarende besluiten te nemen, voor zover die besluiten binnen de werkingssfeer van het unierecht vallen. Ook uit eerdere jurisprudentie van het HvJ blijkt dat het recht van verdediging vereist dat een ieder tegen wie een bezwarend besluit dreigt te worden genomen naar behoren de gelegenheid krijgt zijn standpunt kenbaar te maken (arrest van 24 oktober 1996, Commissie-Lisrestal, C-32/95, arrest van 21 september 2000, Mediocurso/Commissie, C-462/98, en het arrest van 12 december 2002, Cipriani, C-395/00). Het recht om te worden gehoord voordat een nadelige individuele maatregel wordt genomen is daarenboven vastgelegd in artikel 41 van het op 7 december 2000 geproclameerde Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Pb. C 364/1 van 18 december 2000), alsmede in het op 1 december 2009 in werking getreden nieuwe Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Pb. C 303/1 van 14 december 2007). 5.4.
- Het bestreden besluit betreft een navordering van douanerechten, gebaseerd op artikel 220 van het CDW. Dit besluit is aan eiseres meegedeeld in overeenstemming met het bepaalde in artikel 221 van het CDW en valt daarom binnen de werkingssfeer van het recht van de Europese Unie. Tussen partijen is niet in geschil dat de utb de belangen van eiseres aanmerkelijk raakt. 5.4.
- Eiseres heeft het in 5.4.2 door verweerder gestelde niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken. Daaruit volgt dat eiseres voldoende tijd is gegund om op het voornemen te reageren. Uit de reactie van eiseres op de herinneringsemail blijkt dat eiseres het niet nodig achtte te reageren. De reactie van de gemachtigde van 27 april 2012 is buiten de termijn ontvangen en daarom terecht niet in de utb verwerkt. Eiseres is niet in haar verdedigingsbelang geschaad. Indeling van de goederen 5.5.
- De rechtbank stelt voorop dat nu verweerder wil afwijken van de aangifte, op hem de bewijslast rust. Verweerder leidt de door hem voorgestane indelingen af uit de documenten die hij bij de onder 2.2 genoemde cni telkens bij de in geding zijnde aangiften in de administratie van eiseres heeft aangetroffen. Met name de uiteindelijke certificering van de casco’s is voor verweerder een aanwijzing voor het criterium “ontworpen en gebouwd voor de vaart in volle zee”. Wanneer een casco wordt aangegeven voor het vrije verkeer zijn de kenmerken en eigenschappen van het casco op het moment waarop die aangifte wordt gedaan in acht genomen om de juiste goederencode vast te stellen. Het casco komt niet neutraal binnen. Er is telkens sprake van een niet afgewerkt schip dat de essentiële kenmerken vertoont van dat schip waarvoor het is ontworpen. Indelingsregel 2a moet hier worden toegepast. Het ontwerp en daarmee ook de constructie en sterkte van het schip is bepalend of het een zeeschip is. Niet is bepalend wat een schip bij de meest gunstige omstandigheden kan, maar waarvoor het is ontworpen. Zeeschepen worden niet ontworpen om te varen op binnenwateren en binnenvaartschepen worden niet ontworpen voor de vaart op volle zee. Het ontwerp en uiteraard het resultaat in de uitvoering daarvan, zijn voor de certificeringsorganisaties leidend bij de beoordeling van het gewenste gebruik van het schip. In geen enkel geval is sprake van een ontwerp van het casco voor een zeeschip. 5.5.
- Eiseres is van mening dat objectief moet worden vastgesteld of de schepen voldoen aan de criteria die in de toelichting worden gesteld, ofwel dat voldoende is om vast te stellen dat een schip onder voorwaarden “zeewaardig” is. Niet is van belang of de schepen bedoeld zijn om op zee te worden gebruikt. Uit de tekst van de GN-toelichting op hoofdstuk 89 volgt dat de aanvullende aantekening op Hoofdstuk 89 (ontworpen en gebouwd voor de vaart in volle zee) zo moet worden gelezen dat daaraan voldaan wordt indien “de schepen zodanig zijn gebouwd en uitgerust dat zij bij moeilijke weersomstandigheden (ongeveer windkracht 7, op de schaal van Beaufort) op zee kunnen verblijven”. Hieruit blijkt geenszins de voorwaarde dat de schepen bedoeld moeten zijn om daadwerkelijk op zee te gaan verblijven. Ook blijkt uit de toelichting dat vaartuigen die voornamelijk in de kustwateren, in riviermondingen op meren enzovoorts worden gebruikt, als zeeschepen worden aangemerkt indien zij aan de zeewaardigheidseisen voldoen. Eiseres beroept zich voorts op de uitspraak van de Tariefcommissie van 14 december 1994, nummer TC 13061 (UTC 1995/14). Met betrekking tot de aangifte eindigend op nummer [F NUMMER] dat betrekking heeft op een casco met de afmetingen 135 x 11,45 x 4,25m en dat na het brengen in het vrije verkeer is afgebouwd tot accommodatie schip en “off-shore” ingezet wordt op de Kaspische zee, stelt eiseres dat dit schip zowel zeewaardig als bedoeld is om op zee te worden gebruikt (zeegaand). 5.5.
- Uit de bewoording van de post volgt dat om als zeeschip te kunnen worden ingedeeld in de GN bij invoer moet vaststaan, dat het goed een zeeschip is. De aanvullende aantekening op Hoofdstuk 89 onderstreept dit door te benadrukken dat onder andere onderverdelingen 8901 20 10 en 8901 90 10 alleen betrekking hebben op schepen ontworpen en gebouwd voor de vaart in volle zee. Uit hetgeen de rechtbank onder 5.3 heeft overwogen volgt dat in de bewoording van de post en ook genoemde aanvullende aantekening tot uitdrukking wordt gebracht dat hierin een bestemming besloten ligt die bij de indeling van de onderhavige goederen ten tijde van de invoer een belangrijke rol speelt. Uit de bewoording van de post en de aanvullende aantekening volgt dat ten tijde van de invoer de hoofdbestemming van het goed zeeschip moet zijn en dat dit beslissend is voor de indeling indien zij inherent is aan het goed. Verweerder heeft met de onder 2.2 genoemde bevindingen onder 3.2 van het controle rapport bij de onderscheidenlijke aangiften vermelde en in de administratie van eiseres aangetroffen documenten, voldoende aannemelijk gemaakt dat de vermelde goederencode in de aangiften onjuist is. De aankoop van het casco is steeds gericht geweest op een casco voor binnenschip, tanker of duwbak voor de binnenvaart. Ten tijde van de invoer was blijkens die documenten steeds de bestemming van de casco’s, binnenschip, tanker of duwbak voor de binnenvaart. De casco’s zijn blijkens deze documenten niet ontworpen als zeeschip. Het moet er daarom voor worden gehouden dat deze casco’s ten tijde van de invoer niet de bestemming van zeeschip hadden en dat dit, gelet op het ontwerp, inherent was aan deze goederen. Verweerder is daarom terecht van de aangifte afgeweken en heeft de correcties terecht aangebracht. De opvatting van eiseres met betrekking tot de GN-toelichting volgt de rechtbank niet. Allereerst is de toelichting slechts een hulpmiddel en geen wettelijk verbindende bepaling. Daarenboven volgt uit de toelichting niet dat, indien aan de “zeewaardigheidcriteria” wordt voldaan, het casco dan automatisch een zeeschip is. Deze criteria benadrukken veeleer dat een zeeschip daaraan tenminste moet voldoen. Het beroep op de uitspraak van de Tariefcommissie faalt, omdat die uitspraak betrekking heeft op een specifiek vaartuig. De feiten van die casus stemmen niet overeen met de onderhavige. De aangifte eindigend op nummer [F NUMMER] heeft blijkens hetgeen daarover onder 2.2 is vermeld duidelijk betrekking op een casco dat ten tijde van de invoer bestemd is voor de rivier en binnenvaart. Wat er nadien met het casco is gebeurd is niet van belang voor de indeling in de GN. Uit de documenten die betrekking hebben op dit casco kan niet worden opgemaakt dat dit casco ten tijde van de invoer de bestemming zeeschip had. Vertrouwensbeginsel 5.6.
- Eiseres beroept zich erop dat de direct vertegenwoordiger van eiseres [A BEDRIJF] , medio 2006 een gesprek heeft gehad met de douaneautoriteiten over de invoer van scheepscasco’s uit de Chinese Volksrepubliek en de daarbij te hanteren GN-code. Eiseres concludeert dat de aangifte eindigend op nummer [G NUMMER] door verweerder is gecontroleerd en dat in de verificatiebevinding is vastgelegd dat de aangegeven GN-code correct was. Hierdoor is sprake van een actieve gedraging hetgeen door verweerder is bevestigd door alleen van deze ene aangifte niet na te vorderen. Dit betekent dat de douaneautoriteiten zich hebben vergist, waardoor op grond van artikel 220, tweede lid, aanhef, letter b van het CDW de wettelijk verschuldigde rechten niet mogen worden geboekt. De douane heeft jaren achtereen de aangiften met de aangegeven goederencode geaccepteerd. Dit stilzitten van verweerder leidt tot een actieve gedraging. 5.6.
- Verweerder stelt dat slechts telefonisch van gedachten is gewisseld met een ambtenaar van het aangiftepunt. Het indelingsvraagstuk is niet voorgelegd aan het gespecialiseerde team dat landelijk verantwoordelijk is voor de afgifte van een bindende tariefinlichting (bti). Verweerder bestrijdt de juistheid van de weergave van het telefoongesprek in de tot de stukken van het geding behorende memo van 24 juli 2006 en de verklaringen van 11 april
- Hij heeft contact laten opnemen met de thans gepensioneerde ambtenaar. Deze kan zich niet herinneren een stellig standpunt te hebben ingenomen met betrekking tot de tariefindeling van de casco’s. Hij is goed op de hoogte met de procedures binnen de douanedienst en acht het waarschijnlijk dat hij heeft geadviseerd contact op te nemen met het bti-team. Aanleiding voor het telefonische contact is niet de classificatie van de casco’s geweest, maar het gevolg van het feit dat na 1 januari 2006 het nulrecht op grond van het algemeen preferentieel systeem niet meer van toepassing is op goederencode 8901 90 99 in combinatie met Chinese oorsprong. Men is toen op zoek gegaan naar een andere code en dat was de code voor zeeschip. Voor 1 januari 2006 zijn de casco’s niet aangegeven als zeeschip. Er is hier sprake van een gewijzigd aangifte gedrag en daarom had eiseres de vergissing zelf kunnen ontdekken. Verweerder bestrijdt het standpunt van eiseres met betrekking tot de aangifte eindigend op nummer [G NUMMER] . Ten eerste is eiseres niet de aangever. [A BEDRIJF] is weliswaar ook voor deze aangifte opgetreden als direct vertegenwoordiger, maar eiseres was in deze aangifte niet de aangever. Dat was een derde. Eiseres kan geen beroep doen op het bij die aangifte eventueel opgewekte vertrouwen. Mocht dit vertrouwen inderdaad zijn gewekt, dan komt dat slechts aan die derde toe. Ten tweede blijkt met betrekking tot deze aangifte uit de daarbij behorende controleopdracht 3298, dat de controle uitsluitend gericht is geweest op de vaststelling van het verband tussen bescheiden en betrokken casco. Tevens werd gecontroleerd of er sprake was van aan accijns onderworpen goederen, in casu brandstof. De inzet van de controle en de uitslag hebben dus geen betrekking op de aangegeven goederencode. Er is geen sprake van, dat uit het stilzitten van de douane kan worden afgeleid dat hier sprake is van een actieve gedraging. De jurisprudentie waarop eiseres doelt, stamt uit 1993 (Hewlett-Packard). Deze jurisprudentie is niet toepasbaar in het huidige digitale tijdperk waarbij het geautomatiseerde systeem gewoonlijk de aangifte zonder tussenkomst, dus zonder actieve gedraging, van de douane direct afdoet. Een beroep op het vertrouwensbeginsel faalt ook omdat de aangiften niet voldoen aan alle voorschriften van de geldende regeling. De omschrijving van de goederen op de aangifte “scheepscasco” stemt niet overeen met de aangegeven goederencode. 5.6.
- Volgens vaste jurisprudentie van het HvJ beoogt artikel 220, tweede lid, aanhef, sub b, van het CDW de bescherming van gewettigd vertrouwen van de douaneschuldenaar (in de juistheid van alle factoren die een rol spelen bij het besluit om al dan niet tot boeking achteraf van douanerechten over te gaan). Op grond van deze bepaling wordt niet overgegaan tot boeking achteraf van douanerechten indien de volgende vier, cumulatieve voorwaarden zijn vervuld: het niet heffen van de rechten is te wijten aan een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf; de vergissing is van dien aard dat zij redelijkerwijze niet kon worden ontdekt; de douaneschuldenaar is te goeder trouw; en de douaneschuldenaar heeft aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte voldaan. Uit het arrest van het HvJ van 27 juni 1991, C-348/89, inzake Mecanarte, volgt dat vergissingen inzake de uitlegging of de toepassing van de voorschriften betreffende de rechten bij invoer of bij uitvoer, die de belastingschuldige niet redelijkerwijze kon ontdekken, alle vergissingen omvatten, wanneer zij het gevolg zijn van een actieve gedraging. 5.6.
- Op eiseres rust de bewijslast haar stelling aannemelijk te maken dat de voorwaarden zijn vervuld. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aan haar bewijslast heeft voldaan. Uit het telefonisch contact tussen [A BEDRIJF] en de douane medio 2006 volgt niet dat hier sprake is van een actieve gedraging van verweerder. Eiseres heeft geen bewijs geleverd dat de douane stellig en zonder voorbehoud een tariefinlichting heeft gegeven. Verweerder heeft het door eiseres aangevoerde indirecte bewijs gemotiveerd weersproken. Van een professionele marktdeelnemer als [A BEDRIJF] mag worden verlangd, indien zij zekerheid had willen verkrijgen omtrent de juistheid van de GN-indeling van de scheepscasco’s, dat zij een bti aanvraagt. Uit het gewijzigde aangiftegedrag en het met de douane gevoerde gesprek over de classificatie van de scheepscasco’s, volgt bovendien dat [A BEDRIJF] zelf twijfels had omtrent de GN-indeling van de scheepscasco’s. Het hebben van deze twijfels verzet zich tegen de toepassing van het vertrouwensbeginsel in het onderhavige geval, omdat hieruit volgt dat eiseres redelijkerwijs de vergissing zelf had kunnen ontdekken. Eiseres wordt in deze vereenzelvigd met haar direct vertegenwoordiger [A BEDRIJF] (zie HvJ zaak T-382/04, Heuschen & Schrouff, van 30 november 2006 punten 65 en 66). 5.6.
- Uit de stukken van het geding en hetgeen ter zitting is komen vast te staan volgt dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de controleopdracht 3298 geen betrekking heeft gehad op het vaststellen van de GN-code van het aangegeven casco. Ook voor deze aangifte geldt het hierboven overwogene. Eiseres had de eventuele vergissing redelijkerwijs zelf kunnen ontdekken. Ook aan het vereiste van het voldoen aan alle voorschriften van de geldende regeling is in deze niet voldaan. Van de omschrijving van de goederen als “scheepscasco” in de aangifte en de vermelding van de goederencode 8901 90 10 kan niet worden gezegd dat deze correct en zodanig compleet zijn dat niets feitelijk nieuws aan het licht zou komen wanneer de aangifte later wordt gecontroleerd. Het feit dat eiseres bij deze controle niet de aangever is geweest behoeft hier geen bespreking. Het verwijt dat de douane jaren achtereen stil heeft gezeten en dat dit resulteert in een actieve gedraging, een vergissing die een beroep op vorenbedoelde vertrouwensbeginsel rechtvaardigt, faalt. Afgezien van de vraag of hier sprake zou kunnen zijn van een jarenlang passief gedrag dat tot een vergissing zou kunnen leiden – verweerder voert goede argumenten aan om deze vraag ontkennend te beantwoorden – kan een beroep op het vertrouwensbeginsel ook hier om eerder genoemde redenen, zoals het redelijkerwijs zelf kunnen onderkennen van de vergissing en het niet voldoen aan alle voorschriften van de geldende regeling, niet slagen. UTB onzorgvuldig tot stand gekomen 5.7.
- Eiseres stelt dat de utb onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat verweerder afstand heeft genomen van uitspraken en stellingen dat een “binnenvaartschip”of “inland navigation vessel” niet automatisch niet als een zeeschip kwalificeert, terwijl dit altijd wel het uitgangspunt is geweest in de fase voorafgaand aan het opleggen van de utb en bij het opleggen van de utb. Een echte discussie kon in de voorfase niet gevoerd worden, omdat de douane zelf ook nog aan het “leren” was op welke wijze zij de controle moest uitvoeren en zou kunnen vaststellen hoe een schip moet worden geclassificeerd. 5.7.
- Verweerder stelt dat de utb niet op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Op 1 maart 2011 heeft de douane de indeling van scheepscasco’s als zijnde zeeschepen onderkend als een risico zoals bedoeld bij artikel 4, lid 25, van het CDW. Dat is toen ook aan de direct vertegenwoordiger van eiseres bekend geworden. Dit is geen uitleg van een gewijzigd standpunt maar een actieve gedraging inzake de controle van de classificatie van goederen en maakt deel uit van de controlesystematiek. 5.7.
- De rechtbank is van oordeel dat met hetgeen eiseres daarover heeft aangevoerd niet gesproken kan worden van het onzorgvuldig tot stand komen van de utb, wat daar verder ook van zij. Vereist is dat de utb voldoende is gemotiveerd en daarvan is hier sprake. 5.
- Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard. 6Proceskosten De rechtbank vindt geen aanleiding tot een veroordeling in de proceskosten. 7Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Roke voorzitter, mr. M.H.L.C. Bijvoet en mr. M.C.A. Onderwater, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C. Lambeck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juli
- Afschrift verzonden aan partijen op: De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam.