RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 13/3189 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter ter zitting van 13 augustus 2013 in de zaak van: [verzoekers] wonende te [woonplaats], verzoekers, gemachtigde mr. P.E. Stam tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, verweerder. Bij besluit van 25 oktober 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering die verzoekers ontvingen in het kader van de Wet werk en bijstand (Wwb) per 16 oktober 2012 beëindigd, omdat verzoekers zich niet hebben gehouden aan de inlichtingenplicht zoals vermeld in artikel 17 Wwb. Bij besluit van 29 april 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekers gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het besluit van 25 oktober 2012 herroepen en beslist dat de grondslag van dit besluit, dat sprake was van vervalste salarisstroken, niet wordt gehandhaafd. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard. Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nr. 13/
- Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder nr. 13/
- Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus
- [verzoeker] (hierna: verzoeker) is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. M.G. Böhm. Tevens was ter zitting aanwezig [naam 1], zoon van verzoekers. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. Beslissing De voorzieningenrechter heeft: - het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Gronden van de beslissing
- In deze periode ligt ter beoordeling voor de vraag of verzoekers in de periode 1 juli 2012 tot en met 16 oktober 2012 recht hadden op een (ongekorte) Wwb-uitkering.Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bestaat er op grond van de stukken in het dossier voldoende grondslag voor het standpunt van verweerder dat verzoeker in de hiervoor vermelde periode op vrijdag, zaterdag en zondag aanwezig was in het op naam van zijn zoons gestelde restaurant [naam 2] op de [locatie].
- Verzoeker heeft voor het aantal uren dat hij heeft gewerkt in voormeld restaurant gewezen op een aatal loonspecificaties. Verweerder heeft verzoeker gevraagd om de urenstaten in te leveren die aan deze loonspecificaties ten grondslag liggen. Aan dit verzoek heeft verzoeker niet voldaan.
- Verzoeker heeft niet ontkend dat hij meer uren in voormeld restaurant aanwezig is geweest dan op de loonspecificaties is vermeld. Verzoeker drinkt dan koffie en het komt ook voor dat hij ter plekke ziek wordt en dan de werkzaamheden staakt. Van deze uren heeft verzoeker geen opgave gedaan.
- Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) – zie onder meer de uitspraak van de (voorzieningenrechter van de) CRvB van 11 oktober 2011, LJN: BT7680 – rechtvaardigt de aanwezigheid van een belanghebbende in een bedrijf tijdens reguliere arbeidstijden, dat deze daar ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid verricht. Er is geen aanleiding om in het geval van verzoeker hiervan af te wijken.
- Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zijn verzoekers, bij de stand van zaken zoals deze nu uit de stukken naar voren komt, door verweerders besluit waarbij verzoeker verondersteld wordt 27,5 uren per week te werken tegen een bruto-uurloon van € 8,90, niet tekortgedaan.
- Het voorgaande brengt met zich dat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afwijst. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- De voorzieningenrechter deelt tot slot mede dat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel openstaat. Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2013 te Haarlem door mr. A.C. Terwiel-Kuneman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van P.M. van der Pol, griffier. griffier voorzieningenrechter afschrift verzonden: