← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2013:7897

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf Locatie Haarlem Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/710307-13 Uitspraakdatum: 12 juli 2013 Verstek Strafvonnis Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 juni 2013 in de zaak tegen: de besloten vennootschap[BV], gevestigd te [adres]. De rechtbank heeft kennisgenomen van hetgeen door de officier van justitie mr. J. van der Putte naar voren is gebracht.

  1. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: zij in of omstreeks de periode van 18 februari 2009 tot en met 11 januari 2010 te Alkmaar en/of Heemstede en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk enig goed, te weten (alle) aandelen van verdachte ([BV]) in de vennootschappen: - Beheersmaatschappij [BV] en/of - Beheer- en Beleggingsmaatschappij [BV] en/of - [BV] Beheer B.V. en/of - [BV] en/of - [BV], aan het krachtens de wet, te weten artikel 474c Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, althans krachtens enige bepaling krachtens de tweede titel van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, daarop gelegd (executoriaal) beslag heeft onttrokken.
  2. Beroep op niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging 2.
  3. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard. De officier van justitie stelt vast dat op het moment van het instellen van strafvervolging voor derden reeds kenbaar was dat de besloten vennootschap geen activiteiten meer zal ontplooien. Het faillissement van[BV] was reeds uitgesproken op het moment dat strafvervolging is ingesteld. Uit de stukken van de Kamer van Koophandel blijkt dat[BV] de werkzaamheden heeft gestaakt. De officier van justitie meent dat bij deze stand van zaken het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard. 2.
  4. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat ten aanzien van de vraag op welk moment het recht tot strafvordering tegen een rechtspersoon vervalt geen wettelijke regeling bestaat. Aansluiting kan worden gezocht bij artikel 69 van het Wetboek van Strafrecht, in zoverre dat indien vaststaat dat op het moment van het instellen van strafvervolging voor derden reeds kenbaar is dat de rechtspersoon ontbonden is, het recht tot strafvordering tegen de rechtspersoon vervalt. Blijkens de inhoud van het strafdossier is op 6 maart 2012 het faillissement van verdachte uitgesproken. De strafvervolging tegen verdachte (alsmede tegen de bestuurder en enig aandeelhouder van verdachte) is ingesteld op 27 juli
  5. De rechtbank overweegt dat met de inschrijving in het Handelsregister op 6 maart 2012 van het faillissement van verdachte voor derden kenbaar is geweest dat verdachte geen activiteiten meer zal ontplooien. Voorts overweegt de rechtbank dat, naar het zich laat aanzien, verdachte vennootschapsrechtelijk zal zijn ontbonden voordat tot tenuitvoerlegging van enige mogelijk op te leggen straf kan worden overgegaan, wat die tenuitvoerlegging illusoir maakt. Gelet hierop dient de (verdere) strafrechtelijke vervolging van verdachte geen redelijk doel en moet deze in strijd met de goede procesorde worden geacht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging.
  6. Beslissing De rechtbank: verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. D. Gruijters, voorzitter, mr. M.J.A. Plaisier en mr. M. Malsch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.J. de Vries, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 juli
  7. Mr. Malsch is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.