RECHTBANK NOORD-HOLLAND Sector Strafrecht Locatie Alkmaar Meervoudige strafkamer Parketnummer : 14/811040-09 Datum uitspraak : 11 januari 2013 BESLISSING van bovengenoemde rechtbank, meervoudige raadkamer voor Kinderstrafzaken, in de zaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] ([land]) op [geboortedatum], thans verblijvende in de justitiële jeugdinrichting 'Avenier', locatie Zutphen, hierna te noemen: betrokkene. Deze beschikking is gegeven naar aanleiding van het onderzoek in raadkamer met gesloten deuren van 11 januari 2013, bij welke gelegenheid zijn gehoord de officier van justitie, betrokkene en diens raadsman mr. R. Polderman, advocaat te Alkmaar, alsmede de deskundige mevrouw M. Toebes, MSc, als gedragswetenschapper verbonden aan Horizon, locatie Kolkemate, van genoemde jeugdinrichting te Zutphen. De rechtbank heeft bij het onderzoek in raadkamer bevonden dat zij bevoegd is om over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is. 1 VORDERING De officier van justitie heeft bij vordering, gedateerd 20 november 2012, gevorderd dat de rechtbank de plaatsing van betrokkene in een inrichting voor jeugdigen zal verlengen met een termijn van één jaar. 2 GRONDEN VAN DE BESLISSING Bij vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van kinderstrafzaken in deze rechtbank van 3 december 2009 werd aan betrokkene onder meer de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen opgelegd terzake van afpersing, zijnde een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Op 18 december 2009 is de termijn van de PIJ-maatregel ingegaan. Met betrekking tot betrokkene zijn onder meer de volgende bescheiden overgelegd: - de beslissing van de meervoudige raadkamer voor kinderstrafzaken van deze rechtbank van 16 januari 2012 waarin de maatregel van plaatsing in een jeugdinrichting is verlengd met één jaar. - een ingevolge artikel 77t, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht recent opgemaakt, met redenen omkleed advies, gedateerd 31 oktober 2012, opgemaakt door mevr. drs. H. Koppelman-Perik, gedragswetenschapper en W. Bedeaux Avenier, jeugd- en opvoedhulp i.o. en E. ter Beek, hoofd behandeling, allen verbonden aan Horizon Jeugdzorg en Onderwijs, locatie Kolkemate, alsmede afschriften van de wettelijke aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de betrokkene als bedoeld in artikel 77t van het Wetboek van Strafrecht; Het voormelde verlengingsadvies houdt onder andere – zakelijk weergegeven – het volgende in: [betrokkene] is een jongeman van Italiaanse afkomst met een kwetsbare persoonlijkheid. Vanuit onderzoeken wordt aangegeven dat er mogelijk sprake is van vroege pathologie: identiteitsdiffusie, overmatige emotionaliteit, matig geïntegreerde agressieve gevoelens, problemen met de impulscontrole en regressieve verlangens naar zorg. Hij heeft moeite met de regulatie van afstand en nabijheid in relaties. Hij is gevoelig voor spanning en bedreiging. Hij lijkt vooral zijn eigen plan te trekken, ondanks de kosten voor hemzelf of anderen. Hiermee zijn zijn gedragskeuzes antisociaal te noemen en het patroon dat hierin een rol speelt dat van narcistische krenking. De eerste periode van de maatregel heeft in het teken gestaan van overplaatsingen van JJI Lelystad naar Amsterbaken. Dit was mede op verzoek van [betrokkene]. Echter heeft deze overplaatsing niet geleid tot een positief vervolg van de fragiele behandelrelatie welke [betrokkene] schoorvoetend was gestart binnen JJI Rentray. Het tegengestelde werd bewaarheid. Uitstel van de toegezegde overplaatsing naar Amsterbaken in combinatie met het intrekken van de verlofaanvraag hebben er toe geleid dat [betrokkene] wederom negatieve gedragskeuzes heeft gemaakt. Bovengenoemd proces heeft zich meerdere malen gedurende zijn PIJ maatregel afgespeeld. [betrokkene] heeft bij de verschillende overplaatsingen laten zien dat hij in eerste instantie weigert mee te werken aan de behandeling, vervolgens geeft hij zich, vanuit de extrinsieke motivatie om zo snel mogelijk te resocialiseren, met wantrouwen over aan de behandeling. De verstoorde persoonlijkheidsontwikkeling waarin basaal wantrouwen, egocentrisme, weinig empatisch vermogen, antisociaal gedrag en narcisme kenmerkend zijn, zorgen ervoor dat [betrokkene] onvoldoende in staat is te reflecteren op zijn eigen gedrag en gevolgen daarvan waardoor hij zijn eigen overtuiging niet om kan zetten in een pro-sociale, actieve en toekomst gerichte houding. Na aanvraag tot overplaatsing naar de Individuele Traject Afdeling (ITA), wordt betrokkene geplaatst op de ITA afdeling aan de Kolkemate. In juni 2012 krijgt hij officieel de ITA status toegewezen. Gedurende de ITA plaatsing heeft [betrokkene] zich ogenschijnlijk onverstoorbaar opgesteld. Hij lijkt een meewerkende houding te hebben om te voldoen aan de voorwaarden van het verlof. [betrokkene] heeft functioneel contact met zijn behandelaren en groepsgenoot (en) en het komt respectvol over. De houding lijkt echter instrumenteel ingezet te worden om zijn doel te bereiken. Gedurende de ITA plaatsing hebben er geen incidenten met fysieke agressie plaatsgevonden. Er leek in eerste instantie een samenwerking te ontstaan. [betrokkene] stelde zich pro-sociaal op en bleef in contact met zijn behandelaren. Er leek sprake te zijn van een extrinsieke motivatie om mee te werken aan zijn behandeling. Nu er sprake is van frustratie van het proces door externen, vermindert de motivatie van [betrokkene] en valt hij terug op oude copingsvaardigheden waarbij hij zijn basale wantrouwen inzet om te bewijzen dat de buitenwereld verantwoordelijk is voor de stagnatie in zijn proces. Gesprekken met zijn behandelaren hebben tot op heden nog niet geleid tot verhogen van inzicht in eigen aandeel en verhogen van reflectief vermogen. [betrokkene] staat momenteel aan het begin van zijn individuele behandeling binnen de ITA. [betrokkene] zal moeten gaan voldoen aan de voorwaarden die worden gesteld om een verloftraject opnieuw aan te vragen. Het gezamenlijk gaan stellen van realistische doelen en het opstellen van een risicomanagement-plan lijken op dit moment de meest geïndiceerde benadering om een werk/behandelrelatie met [betrokkene] vorm te geven, waarbij de nadruk gelegd moet worden op het nemen van eigen verantwoordelijkheden en de daarbij behorende keuzes en consequenties. Vanuit zijn persoonlijkheidsstructuur is het niet te verwachten dat [betrokkene] in staat is een intrinsieke verandering te ondergaan, en zal hij moeten leren vanuit oorzaak en gevolg waarbij de nadruk zou moeten liggen in het opdoen van positieve ervaringen in plaats van zoals tot nu meestal het geval was in het opdoen van negatieve ervaringen. Gelet op het blijvende recidiverisico in combinatie met onvoldoende vooruitgang in de behandeling van betrokkene is het noodzakelijk dat - in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling - hij de komende tijd gaat werken aan zijn resocialisatie proces met de daarbij behorende voorwaarden. Om te voldoen aan de voorwaarden en om het proces op de juiste wijze te begeleiden en te monitoren, heeft betrokkene naar verwachting van behandelaren nog minstens 12 maanden nodig. De behandeling zal het komende jaren moeten worden ingezet in het kader van een resocialisatieproces wat uiteindelijk zal moeten leiden tot het starten van een Scholings- en Trainings Programma (STP). Geadviseerd wordt de PIJ-maatregel te verlengen met één jaar. De gedragsdeskundige M. Toebes, heeft het verlengingsadvies van Horizon, locatie Kolkemate tijdens de behandeling in raadkamer nader toegelicht. Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat het lastig is om met betrokkene een behandelrelatie te creëren. Het is ook niet zozeer de bedoeling om betrokkene te behandelen in verband met zijn problematiek, maar om hem op zo goed mogelijke wijze te resocialiseren. De onenigheid tussen de instelling en betrokkene is met name gelegen in de omstandigheid dat de verlofaanvraag is afgeketst. Door de volgende verlofaanvraag in te bedden in een STP, is de kans groter dat op het ministerie de volgende verlofaanvraag wordt goedgekeurd. In het begin zette betrokkene zich goed in maar op het moment dat er werd gesproken over het STP was de inzet bij betrokkene weer weg. Een dergelijk verlofplan moet in samenwerking met de betrokkene worden opgesteld maar de samenwerking loopt stuk omdat betrokkene wantrouwend is tegenover de hulpverleners. Op dit moment is het recidiverisico matig maar dit zou stijgen bij het wegvallen van de huidige structuur die de instelling hem biedt.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.