Rechtbank Noord-Holland – ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ8649
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: AWB 11/5783 uitspraak van de meervoudige kamer van 12 april 2013 in de zaak tussen [eiser] te [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. F. Frank), en gedeputeerde staten van Noord-Holland, verweerder (gemachtigde: mr. J.A.C.M. Nielen).
Procesverloop Bij besluit van 4 april 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten de aan eiser verleende subsidie op grond van de Algemene subsidieverordening Noord-Holland 2009 in samenhang met de Uitvoeringsregeling stimulering verbetering luchtkwaliteit Noord-Holland 2010 (hierna: de Uitvoeringsregeling) op nihil vast te stellen en het aan eiser verstrekte voorschot teruggevorderd.
Bij besluit van 13 september 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2013.
Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en drs. J. Bosch, beiden werkzaam bij de provincie Noord-Holland.
De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.
Overwegingen 1. Bij besluit van 2 juni 2010 heeft verweerder aan eiser subsidie ten bedrage van € 167.200,-- verleend voor de extra kosten voor elektrische motoren (op basis van zonne-energie) en hybride motoren (inclusie installatie) ten behoeve van [project] Verweerder heeft bij dit besluit tevens eiser een voorschot verleend van 80% van de verleende subsidie, te weten € 133.760,--. In het besluit wordt vermeld dat verweerder verwacht uiterlijk op 29 september 2010 een aanvraag tot vaststelling van de subsidie van eiser te ontvangen.
Op grond van het tweede lid, wordt, indien bij wettelijk voorschrift geen termijn is bepaald,, de aanvraag tot vaststelling ingediend binnen een bij de subsidieverlening te bepalen termijn.
Op grond van het derde lid kan, indien voor de indiening van de aanvraag tot vaststelling geen termijn is bepaald of de aanvraag na afloop van de daarvoor bepaalde termijn niet is ingediend, het bestuursorgaan de subsidie-ontvanger een termijn stellen binnen welke de aanvraag moet zijn ingediend.
Op grond van het vierde lid kan, indien na afloop van deze termijn geen aanvraag is ingediend, de subsidie ambtshalve worden vastgesteld.
Op grond van artikel 4:46, eerste lid, stelt het bestuursorgaan, indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.
Op grond van het tweede lid, aanhef en onder b, kan de subsidie lager worden vastgesteld indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de subsidie verbonden verplichtingen.
Op grond van artikel 4, tweede lid van de Uitvoeringsregeling wordt de aanvraag om vaststelling van de subsidie binnen 13 weken na afloop van de activiteit waarvoor subsidie is verleend [gedaan].
5.1. De rechtbank stelt voorop dat, gelet op artikel 4:44, eerste en tweede lid, van de Awb gelezen in samenhang met artikel 4, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling, eiser binnen dertien weken na afloop van de activiteit waarvoor subsidie is verleend een aanvraag tot vaststelling van de subsidie dient te doen. Relevant is daarom het moment waarop de activiteiten daadwerkelijk zijn afgelopen.
5.2. Tijdens de hoorzitting in bezwaar gehouden op 30 juni 2010 is door eiser naar voren gebracht dat de elektrische- en hybride motoren, voor de aanschaf waarvan de subsidie is verleend, nog moesten worden ontwikkeld; dat eiser ten tijde van de hoorzitting de onderdelen voor deze motoren wel compleet had maar dat de motoren nog geassembleerd moesten worden. De rechtbank heeft geen aanleiding daaraan te twijfelen, mede gelet op het verhandelde ter zitting, waar eiser – onweersproken- naar voren heeft gebracht dat de betreffende activiteiten pas begin 2012 zijn afgerond.
5.3. Daarmee staat voldoende vast dat de gesubsidieerde activiteiten ten tijde van het bestreden besluit niet waren afgelopen. Gelet op artikel 4:44, eerste en tweede lid, van de Awb gelezen in samenhang met artikel 4, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling kan aan eiser niet worden tegengeworpen dat hij toen geen aanvraag tot vaststelling van de subsidie heeft ingediend. Verweerder was daarom niet bevoegd om, vanwege het ontbreken van een dergelijke aanvraag de subsidie ambtshalve vast te stellen.
5.4. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet tevens aanleiding op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien en het primaire besluit te herroepen. Het aan het primaire besluit klevende bevoegdheidsgebrek kan immers in bezwaar niet worden hersteld.
Beslissing De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. de Feijter, voorzitter, en mr. G. Guinau en mr. A.D. Reiling, leden, in aanwezigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 april 2013. griffier rechter/voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.