← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ9306

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Sector Strafrecht Locatie Haarlem Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/710851-11 Uitspraakdatum: 4 februari 2013 Verstek Strafvonnis Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 januari 2013 in de zaak tegen: [verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Turkije), thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier ten lande. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.J.V. van Venrooij en hetgeen zij bij requisitoir naar voren heeft gebracht.

  1. Tenlastelegging Aan verdachte is, na ter terechtzitting toegelaten wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat: Primair: hij op één of meer tijdstippen in de periode van 25 november 2009 tot en met 14 februari 2011, te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,en/of Amsterdam, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag van 110.564,- euro (zegge honderdtienduizend vijfhonderd en vierenzestig euro), althans een geldbedrag heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten een geldbedrag van 110.564,- euro, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist danwel redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf. Subsidiair: hij in of omstreeks de periode van 25 november 2009 tot en met 14 februari 2011 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, een geldbedrag van 110.564,- euro (zegge honderd tienduizend vijfhonderd vierenzestig euro), in elk geval een geldbedrag, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat geldbedrag redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.
  2. Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
  3. Bewijs 3.
  4. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder primair ten laste gelegde feit. 3.
  5. Vrijspraak Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder primair en subsidiair ten laste is gelegd en moet hij daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt. Uit het dossier blijkt dat in de nacht van 24 op 25 november 2009 een inbraak heeft plaatsgevonden bij het bedrijf [bv] gevestigd te Hoofddorp. Bij deze inbraak zijn bankpassen en codes voor het telebankieren weggenomen. Nog diezelfde nacht zijn van de bankrekening van [bv] grote geldbedragen naar bankrekeningen van diverse begunstigden overgemaakt. Vast is komen te staan dat op de bankrekening met nummer [rekeningnummer] ten name van [bedrijf], zijnde het bedrijf waar verdachte werkzaam was en de bankzaken beheerde in het bedrijf van zijn broer, op 25 november 2009 om 00:49 uur middels een spoedoverboeking een groot geldbedrag is gestort, namelijk een bedrag van 110.564 euro, afkomstig van [bv]. Vervolgens zijn er op diezelfde dag 25 november 2009 tientallen betalingen verricht vanaf voormelde bankrekening van [bedrijf], waaronder een betaling van 36.000 euro aan de Belastingdienst. Ten overstaan van de politie heeft verdachte verklaard dat het inderdaad juist is dat voornoemd geldbedrag van 110.564 euro op de bankrekening van [bedrijf] is gestort en dat daarmee een aantal openstaande rekeningen zijn voldaan. Voorts verklaarde verdachte dat hij het bedrijf [bv] niet kent, maar dat in het verleden een bedrijf dat begon met de naam [afgeleid van naam bv] bij hen was gevestigd en dat hij van dat bedrijf nog geld tegoed had. Hoewel bovenstaande gang van zaken vragen oproept, is de rechtbank van oordeel dat uit het verhandelde ter terechtzitting en de inhoud van het dossier niet het wettig en overtuigend bewijs kan worden ontleend dat verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het voormelde op de bankrekening van [bedrijf] gestorte geldbedrag middellijk of onmiddellijk van enig misdrijf afkomstig is, zodat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen dan wel de heling van het geldbedrag van 110.564 euro, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.
  6. Beslissing De rechtbank: Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door: mr. M.J.A. Plaisier, voorzitter, mr. A.C.M. Rutten en mr. J.J.M. Uitermark, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.V. Ramdharie, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van maandag 4 februari 2013.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.