RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 14/649 uitspraak van de meervoudige kamer van 16 oktober 2014 in de zaak tussen [eiseres], te[woonplaats], eiseres (gemachtigde:[naam]), en de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (gemachtigde: mr. L.C. Husmann). Procesverloop Bij besluit van 30 oktober 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres op grond van de Werkloosheidswet (WW) een boete opgelegd van € 150,-. Bij besluit van 8 januari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2014. Eiseres is verschenen bij haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en het vooronderzoek heropend om verweerder in de gelegenheid te stellen zijn standpunt nader toe te lichten. Partijen hebben vervolgens nadere stukken en reacties ingebracht. De rechtbank heeft deze zaak verwezen voor verdere behandeling naar de meervoudige kamer. Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven de zaak af te doen zonder nadere zitting. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de uitspraakdatum bepaald op heden. Overwegingen 1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres heeft een WW-uitkering ontvangen van 2 mei 2011 tot en met 31 maart 2013. Zij heeft in de week van 18 februari 2013 tot en met 24 februari 2013 zes en een half uur gewerkt bij [werk] B.V. Verweerder heeft dit bij een controle in oktober 2013, waarbij hij gegevens van [werk] B.V. heeft verkregen, vastgesteld. Eiseres heeft zelf van deze werkzaamheden geen melding gemaakt. Verweerder heeft bij besluit van 30 oktober 2013 het recht op uitkering over die periode herzien en het ten onrechte ontvangen bedrag aan WW-uitkering ad € 63,80 (bruto) van eiseres teruggevorderd. Tegen dit besluit heeft eiseres geen bezwaar gemaakt. Tevens is bij het primaire besluit aan eiseres een boete opgelegd van € 150,-, welk besluit verweerder bij het bestreden besluit heeft gehandhaafd. 2. Verweerder heeft aan het boetebesluit ten grondslag gelegd dat eiseres de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft overtreden door de hierboven bedoelde werkzaamheden niet aan verweerder te melden en dat geen sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Verweerder stelt verplicht te zijn de minimale boete van € 150,- op te leggen. 3. Eiseres beroept zich op verminderde verwijtbaarheid. Zij stelt dat er geen sprake is van frauduleus handelen. Zij wijst daarbij enerzijds op de omstandigheid dat zij eerder tijdens het ontvangen van WW-uitkering wel steeds melding heeft gemaakt van verrichte werkzaamheden en anderzijds op haar persoonlijke situatie ten tijde van de onderhavige niet vermelde gewerkte uren. Daarbij heeft zij gewezen op haar zwangerschap/bevalling en de impact daarvan op haar geestelijke toestand, de zorg voor de kinderen, het vinden van werk, het verliezen van de kinderopvang, de (financiële onzekerheid) bij de aanschaf van een nieuwe woning en het runnen van het huishouden (met puber, peuter en baby). Daarnaast acht eiseres de boete onevenredig hoog. Zij wijst erop dat zij wegens het niet doorgeven van de gewerkte uren een (netto)bedrag van € 40,21 te veel heeft ontvangen, hetgeen zij heeft terugbetaald, en dat zij daarvoor is beboet met € 150,-. Eiseres acht dit disproportioneel. Ook wijst zij er hierbij op dat verweerder in de bijlage bij het besluit aangeeft dat de gevolgen bij een volgende overtreding ernstiger zijn omdat de boete dan kan oplopen tot 150% van het bedrag dat te veel betaald is en dit zou dan kunnen inhouden dat een volgende overtreding tot een lagere boete zou leiden dan € 150,-. Dit impliceert in de visie van eiseres dat de vastgestelde boete niet in verhouding staat tot de overtreding. 4. Verweerder stelt het beroep op verminderde verwijtbaarheid niet te kunnen volgen. Hetgeen eiseres aangeeft is volgens verweerder wel begrijpelijk, maar levert geen verminderde verwijtbaarheid op. Eiseres was op de hoogte van de verplichtingen en de overtreding valt haar volledig toe te rekenen. Verweerder stelt dat de hoogte van de boete wettelijk is vastgelegd op minimaal € 150,-, hetgeen de absolute ondergrens is. Verweerder hanteert deze minimale boete ook ingeval er sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Verweerder is van mening dat dit volgt uit de tekst van artikel 2 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten (het Boetebesluit), waarin is bepaald dat de boete op ten minste € 150,- wordt vastgesteld. Indien dit anders zou worden uitgelegd, zou de betekenis van het hanteren van een minimale boete worden gereduceerd. Ook daarom slaagt het beroep op het evenredigheidsbeginsel volgens verweerder niet, omdat de minimumboete van € 150,- geldt als absolute ondergrens en niet kan worden gematigd. 5. Wettelijk kader 5.1 Op grond van artikel 5:46, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt de wet de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd. Op grond van het tweede lid stemt het bestuursorgaan de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten, tenzij de hoogte bij wettelijk voorschrift is vastgesteld. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Op grond van het derde lid legt het bestuursorgaan, indien de hoogte van de boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, niettemin een lagere boete op, indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. 5.2 Op grond van artikel 27a, eerste lid, van de WW legt verweerder een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van de verplichting, bedoeld in artikel 25. De bestuurlijke boete is niet lager dan de boete die op grond van het derde lid zou worden opgelegd indien er geen sprake was van een benadelingsbedrag. Op grond van het tweede lid, wordt onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 25, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is ontvangen. Op grond van het derde lid legt verweerder een bestuurlijke boete op van ten hoogste het bedrag van de tweede categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, indien het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van de verplichting. Bedoeld in artikel 25, niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag. Op grond van het achtste lid van dit artikel kan verweerder: a. de bestuurlijke boete verlagen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid; b. afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Op grond van het tiende lid worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete. 5.3 Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Boetebesluit, zoals dit sinds 1 januari 2013 luidt, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op de hoogte van het benadelingsbedrag, met dien verstande dat zij op ten minste € 150,- wordt vastgesteld. Bij verminderde verwijtbaarheid wordt de bestuurlijke boete verlaagd. 6.1 De rechtbank overweegt het volgende. Niet in geschil is dat eiseres geen opgave heeft gedaan van de werkzaamheden die zij in de betreffende periode heeft verricht via [werk] B.V. en dat dit pas is gebleken na een controle van verweerder. Daarmee staat vast dat eiseres de inlichtingenplicht in de zin van artikel 25 van de WW heeft geschonden. Dat is haar, naar het oordeel van de rechtbank, niet alleen objectief maar ook subjectief te verwijten. De onder punt 3 vermelde persoonlijke omstandigheden leiden niet tot een ander oordeel. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiseres niet met medische gegevens heeft onderbouwd dat zij als gevolg van die omstandigheden destijds geestelijk niet goed meer in staat was om bij verweerder melding te maken van (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.