Rechtbank Noord-Holland – ECLI:NL:RBNHO:2014:13450
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Privaatrecht Sectie Kanton - locatie Alkmaar Zaaknr/repnr.: 2410199 \ EJ VERZ 13-272 (rvk) Uitspraakdatum: 10 oktober 2014 Beschikking in de zaak van: [verzoekster] , wonende te [woonplaats 1] verzoekster [verder ook te noemen: [verzoekster] ] gemachtigde: mr. L. Broekkamp, notaris te Alkmaar en [belanghebbende 1] , wonende te [belanghebbende 1] belanghebbende [verder ook te noemen: [belanghebbende 1] ] [belanghebbende 2] , wonende te [woonplaats 2] belanghebbende [verder ook te noemen: [belanghebbende 2] ] Het procesverloop Op 3 oktober 2013 is ter griffie een verzoekschrift ontvangen met betrekking tot de nalatenschap van [erflater], laatst wonende te [woonplaats 3] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] , overleden op [datum overlijden] te [plaats overlijden] , hierna te noemen erflater.
Op 13 maart 2014 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. Daarbij is verzoekster verschenen alsmede haar gemachtigde. Mevr. [belanghebbende 1] is als belanghebbende in de gelegenheid gesteld haar zienswijze te geven, evenals mevr. [belanghebbende 2] .
Na de mondelinge behandeling is mevr. [belanghebbende 2] in de gelegenheid gesteld om schriftelijk aan te geven of zij instemt met de ter zitting voorgestelde regeling met betrekking tot het bewind, dan wel of zij benoeming tot testamentair bewindvoerder wenst te aanvaarden.
Bij brief van 30 april 2014 heeft mevr. [belanghebbende 2] aangegeven de benoeming tot testamentair bewindvoerder niet te aanvaarden.
Gelet op hetgeen is verhandeld ter zitting is de gemachtigde van verzoekster in de gelegenheid gesteld nadere informatie in de procedure te brengen.
Bij brief van 2 mei 2014, ter griffie ontvangen op 6 mei 2014, heeft verzoekster een aanvullend verzoek gedaan en informatie verstrekt.
Op 28 mei 2014 is ter griffie nog een nadere toelichting van de zijde van verzoekster ontvangen.
De inhoud van de processtukken geldt als hier ingelast.
Tenslotte is heden uitspraak bepaald.
De uitgangspunten 1. Erflater was ten tijde van zijn overlijden gehuwd, onder het maken van huwelijksvoorwaarden - inhoudende uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen - met verzoekster, mevrouw [verzoekster] voornoemd.
Uit gemeld huwelijk van partijen is één thans nog minderjarig kind geboren, te weten: [minderjarige], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] , wonende bij verzoekster.
Hetgeen in de plaats van de aan het vruchtgebruik onderworpen zaak treedt doordat daarover beschikt is, behoort aan de hoofdgerechtigde(n) toe en is eveneens aan het vruchtgebruik onderworpen, een en ander onder dezelfde voorwaarden als genoemd in deze bepaling D.1.b. Ingeval van zaaksvervanging in voornoemde zin, dient mijn echtgenote ervoor te zorgen dat de tenaamstelling hoofdgerechtigde(n)/beperkt gerechtigde in de openbare registers juist wordt ingeschreven.
Verder zal bij vervanging van de woning in voornoemde zin tien procent (10%) van de verkoopprijs gebruikt kunnen worden voor herinrichting van de nieuwe koopwoning. De resterende verkoopopbrengst wordt toegevoegd aan de bestaande spaarsaldi van mijn zoon, een en ander op een vanuit fiscaal oogpunt zo vriendelijk casu quo gunstig mogelijke wijze. (…) 6. De gerechtigde is niet vrijgesteld van de verplichting tot het stellen van zekerheid als bedoeld in artikel 3:206 BW. (…) 11. De woning en de bijhorende tuinen aan het [adres] verkeren thans in een uitstekende staat van onderhoud en de gerechtigde is verplicht deze staat ongewijzigd te laten en zorg te dragen dat deze uitstekende staat wordt gecontinueerd.
De gerechtigde is verplicht om in de woning aan de [adres] mijn werkkamer in stand te laten zoals deze was ten tijde van mijn overlijden.
Deze ontzegging is onherroepelijk, is absoluut en geldt onder alle omstandigheden.
Ten bewijze van de onvoorwaardelijke nakoming van deze bijzondere verplichting is gerechtigde verplicht een daartoe strekkende door een notaris opgestelde schriftelijke verklaring te ondertekenen en deze ter ondertekening aan mijn zoon voor te lezen en in kopie te verstrekken aan mijn zoon, mijn oudste zus, [naam 1] en haar twee kinderen [naam 2] en [naam 3] , en aan mijn jongste zus, [naam 4] .
Deze geheimhouding van gerechtigde geldt in het algemeen tegenover derden en meer in het bijzonder ten aanzien van haar familieleden onder wie nader genoemd haar moeder, haar broer en diens echtgenote en hun kinderen en haar zus en diens echtgenoot en hun kinderen. Deze absolute geheimhoudingsplicht geldt zowel tijdens het bestaan van het beperkt recht alsook ten aanzien van de periode na het beëindigen van dit beperkt recht.
Ten bewijze van de onvoorwaardelijke nakoming van deze bijzondere verplichting is gerechtigde verplicht een daartoe strekkende door een notaris opgestelde schriftelijke verklaring te ondertekenen en deze ter ondertekening aan mijn zoon voor te lezen en in kopie te verstrekken aan mijn zoon, mijn oudste zus, [naam 1] en haar twee kinderen [naam 2] en [naam 3] , en aan mijn jongste zus, [naam 4] . c. Hypotheekschuld Het is mijn uitdrukkelijke wens, dat indien voormeld registergoed ten tijde van mijn overlijden niet geheel vrij van hypotheek zal zijn, de (restant)hypotheekschuld geheel zal worden afgelost uit het overige door mij nagelaten vermogen -waaronder ik tevens versta de uitkering(en) uit overlijdensrisicoverzekering(en) en tegoed(en) opgebouwd in de spaarhypotheek- zodat de woonlasten voor mijn echtgenote en/of mijn zoon zo laag mogelijk zullen zijn. (…)’ 5. De nalatenschap is voor en namens de minderjarige erfgenaam door zijn moeder op 8 juli 2013 beneficiair aanvaard.
Ingeval van weigering de bewindvoering te aanvaarden, defungeren of ontstentenis van de bewindvoerder benoem ik tot bewindvoerders: mijn zus [naam 1] en mijn zus [naam 4] . Zij zullen alsdan gezamenlijk bevoegd zijn.
Ingeval van weigering door mijn beide zusters de bewindvoering te aanvaarden, dan wel hun beider defungeren of ontstentenis, benoem ik tot bewindvoerder: een professioneel bewindvoerderskantoor, aan te wijzen door de executeur dan wel de boedelnotaris. (…)’ 7. Verzoekster heeft bij brief van 2 mei 2014, aangevuld op 28 mei 2014, aangegeven dat zij: het aan haar vermaakte legaat tot het recht van vruchtgebruik verwerpt; meewerkt aan de afgifte van de boedellegaten; bereid is de benoeming tot bewindvoering te aanvaarden onder nader door de kantonrechter aan te geven voorwaarden en instructies; verzoekt tot de benoeming van mr. Robbert van der Weide, werkzaam als notaris op het kantoor: Nationale Notaris Alkmaar, gevestigd te 1811 BA Alkmaar, als vervangend executeur, welke zich bereid heeft verklaard deze executeurbenoeming te aanvaarden; machtiging verzoekt om namens de minderjarige erfgenaam de inboedellegaten te verwerpen; een aanvullend verzoek doet met betrekking tot de hypotheekschuld; verzoekt dat de kantonrechter de executeur instrueert de geldlegaten niet uit te keren, totdat er duidelijkheid bestaat omtrent de omvang van de nalatenschap; omtrent de uitleg huwelijkse voorwaarden van mening is dat het finale verrekenbeding zo uitgelegd moet worden dat ook in geval van overlijden alle aanbrengsten ten huwelijk etc. privé zullen blijven.
De verzoeken en de beoordeling daarvan 9. Verzoekster verzoekt, voor zover thans nog aan de orde, de kantonrechter om: te verklaren voor recht dat de tekst van artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden juist is geïnterpreteerd op de wijze zoals vermeld in het verzoek, alsmede dat ook in geval van overlijden alle aanbrengsten ten huwelijk privé zullen blijven; voor niet geschreven te houden c.q. deels nietig te verklaren de bepaling in het testament die het recht van vruchtgebruik op grond van het legaat 1.a. beperkt tot zeven jaar na erflaters overlijden en eveneens indien verzoekster hertrouwt, een geregistreerd partnerschap aangaat etc. van het testament de leden 3, 4, 6, 11, 12 en 13 voor niet geschreven te houden, c.q. deels nietig te verklaren en verzoekster de bevoegdheid toe te kennen de onroerende zaak te vervreemden, te bezwaren, te verhuren of aan derden onder welke titel dan ook in gebruik te geven; aan verzoekster toe te kennen het levenslang vruchtgebruik op de woning en de inboedel als bedoeld in artikel 4:29 Burgerlijk Wetboek (BW), met volledige vervreemding- en verteringsbevoegdheid, alsmede het recht om de woning met een hypotheek te bezwaren; voor niet geschreven te houden c.q. nietig te verklaren het bepaalde in het testament met betrekking tot alle inboedelgoederen voor zover gelegateerd aan de minderjarige zoon [minderjarige] evenals de bijbehorende voorwaarden en deze onder te brengen bij het gevraagde vruchtgebruiklegaat van de volledige inboedel; de geldlegaten zoals vermeld onder 3 in het testament nietig te verklaren; subsidiair om verzoekster een levenslang (verzorgings)vruchtgebruik over de gehele nalatenschap toe kennen met een onbeperkte vervreemdings- en verteringsbevoegdheid; in aanvulling op het onder VII verzochte, om alle bepalingen zoals in het testament onder ‘D. legaten’ voor niet geschreven te houden en nietig te verklaren; machtiging te verlenen om namens de minderjarige zoon [minderjarige] alle inboedellegaten te verwerpen; voor niet geschreven te houden de bepaling in het testament onder D.c. ‘hypotheekschuld’ op grond waarvan de hypotheekschuld dient te worden afgelost; ten aanzien van de geldlegaten de executeur te instrueren deze niet uit te keren totdat er duidelijkheid bestaat over de omvang van de nalatenschap en de beslissing terzake het verzoek met betrekking tot het vruchtgebruik over de gehele nalatenschap met volledige verterings- en vervreemdingsbevoegdheid.
Ten aanzien van de verzoeken onder II en III stelt verzoekster dat de betreffende bepalingen in het testament in strijd zijn met de openbare orde en de goede zeden en een uiterst ongebruikelijke en praktisch niet-uitvoerbare inhoud hebben.
Het verzoek op de voet van art. 4:29 BW is gestoeld op de verzorgingsbehoefte van verzoekster.
Met betrekking tot de inboedellegaten stelt verzoekster dat deze een te grote inbreuk vormen op haar persoonlijke levenssfeer. Verzoekster is wel bereid de juwelen zoals gespecificeerd aan de betreffende legatarissen af te geven.
Inzake de geldlegaten stelt verzoekster dat erflater hiermee een inbreuk maakt op zijn verplichting om zijn echtgenote en (minderjarig kind) voldoende verzorgd achter te laten.
Ten aanzien van het verzoek tot vestiging van een vruchtgebruik op de andere goederen, waaronder de banksaldi, als bedoeld in art. 4:30 BW, legt verzoekster ten grondslag dat zij als echtgenote van erflater voor haar verzorging en dat van haar minderjarige zoon (erfgenaam) behoefte heeft aan de vestiging van het vruchtgebruik. Verzoekster beschikt eenvoudigweg niet over voldoende inkomsten.
Voorts neemt verzoekster het standpunt in dat de hypotheekschuld gering is en dat aflossing gezien de beperkte financiële middelen en het fiscale nadeel niet bijdraagt aan een gezonde financiële situatie.
De beoordeling huwelijkse voorwaarden 11. Met betrekking tot het verzoek van verzoekster om voor recht te verklaren dat art. 17 van de huwelijkse voorwaarden juist is geïnterpreteerd, overweegt de kantonrechter dat uit de toelichting bij de huwelijkse voorwaarden blijkt dat er geen onderscheid wordt gemaakt bij de afwikkeling tussen beëindiging van het huwelijk door scheiding of door overlijden. Voorts is door de gemachtigde van verzoekster onbetwist gesteld dat de echtelieden de jaarlijkse verrekening van inkomsten nimmer hebben uitgevoerd, zodat de omvang van de nalatenschap nader zal moeten worden vastgesteld met inachtneming van het feit dat de jaarlijkse verrekening niet is uitgevoerd. In het verlengde hiervan ligt besloten dat krachtens artikel 7.2 sub a van de huwelijkse voorwaarden alle aanbrengsten ten huwelijk privé zullen blijven. De kantonrechter wijst er in dat verband op dat de executeur verplicht is een nieuwe boedelbeschrijving op te stellen.
De woning en de inboedel 12. Het verzoek tot toedeling aan verzoekster van het vruchtgebruik van de woning en inboedel op de voet van art. 4:29 BW is gegrond op de wet en is derhalve toewijsbaar. De erfgenaam zal dan ook moeten meewerken aan het vestigen van een recht van vruchtgebruik op de woning en de inboedel van de woning. Ingevolge artikel 4:41 BW kan bij uiterste wilsbeschikking niet van het bepaalde in Afdeling 2, Titel 3, Boek 4 van het BW (artt. 4:28 – 4:41 BW) worden afgeweken. Dit betekent dat bepalingen en voorwaarden in het testament die het recht op vruchtgebruik beperken (in de tijd of in gebruik) of verplichtingen opleggen die strijdig zijn met het ongestoord vruchtgebruik, geen werking hebben. Het verzoek van verzoekster om de bepaling in het testament die het vruchtgebruik in de tijd en in geval van hertrouwen van verzoekster beperken, zoals onder D. Legaten 1b onder 2 geformuleerd, voor niet geschreven te houden, zal worden toegewezen en behoeft derhalve geen inhoudelijke behandeling.
Krachtens artikel 4:23 lid 2 BW kan de bevoegdheid tot vertering en vervreemding worden toegekend indien de verzorgingsbehoefte van verzoekster dit nodig maakt. Van dit laatste is de kantonrechter echter niet overtuigd geraakt (waarover hierna onder r.o. 16 e.v. meer). Nu echter in het testament een beperkte vervreemdingsbevoegdheid is opgenomen, zal het recht tot vervreemding en vertering toegekend worden onder de voorwaarden zoals opgenomen in het testament onder 1 b. bepalingen vruchtgebruik sub 4.
Voor niet geschreven houden/deels nietig verklaren leden 3, 4, 6, 11, 12 en 13 onder Bepalingen vruchtgebruik van het testament 15. Zoals hiervoor overwogen is het recht van vruchtgebruik ex art. 4:29 BW in beginsel onbeperkt, zodat het de rechthebbende dient vrij te staan van de woning en inboedel gebruik te maken op de wijze die haar goeddunkt. Voorts is in artikel 4:45 lid 1 BW bepaald dat voorwaarden of lasten in het testament die onmogelijk zijn te vervullen, of die in strijd zijn met de goede zeden, de openbare orde of een dwingende wetsbepaling, voor niet geschreven worden gehouden. Van de in de aanhef van deze alinea genoemde leden zijn de leden 11 en 12 niet verenigbaar met de rechten en bevoegdheden die verzoekster op grond van dwingende wetsbepalingen toekomen. De kantonrechter zal bepalen dat de bepalingen onder 11 en 12 voor niet geschreven zullen worden gehouden.
Met betrekking tot lid 3 is onder r.o. 13 van deze beschikking al overwogen dat vervreemding met inachtneming van het bepaalde in het testament mogelijk is.
Vestigen vruchtgebruik op andere goederen/banksaldi 16. Bij de beoordeling van de vraag of de erfgenaam verplicht is mee te werken aan de verstrekking van een verzorgingsvruchtgebruik in de zin van art. 4:30 BW dient, blijkens de tekst van dat artikel, rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden (vgl. HR 8 juni 2007, NJ 2008, 220, m.nt. mr. S. Perrick). Tot die omstandigheden dienen, mede gelet op hetgeen in art. 4:33 lid 2 en lid 5 BW is bepaald, in ieder geval te worden gerekend: - de omvang van het verzorgingsniveau dat in de gegeven omstandigheden als ‘passend’ kan worden aangemerkt; - het eigen inkomen van verzoekster; - het inkomen dat zij, mede gelet op haar leeftijd, werkervaring en opleiding, redelijkerwijs kan verwerven.
Tot 18e verjaardag [minderjarige]:
ABP [verzoekster] € 1252,75 [minderjarige] 403,03 SVB (ANW) 873,34 Vakantiegeld SVB bruto € 107,11; schatting netto bedrag 80,00 Kinderbijslag (per maand) 91,26 Totaal € 2.700,38 Tot de 21e verjaardag [minderjarige]:
ABP [verzoekster] € 1.086,01 [minderjarige] 403,03 ANW-compensatie 535,00 Totaal € 2.024,04 Na 21e verjaardag [minderjarige]:
ABP [verzoekster] € 1.086,01 ANW-compensatie 535,00 Totaal € 1.621,01 Inkomsten [verzoekster] van 62 tot 65 jaar (2016 – 2029) ABP [verzoekster] € 1.086,01 Aegon Pensioen 350,00 ANW compensatie onbekend Totaal € 1.436,00 + ?
Inkomsten [verzoekster] van 65 tot 67 jaar (2029 – 2031) ABP [verzoekster] € 996,00 Aegon Pensioen 160,50 ANW compensatie onbekend Totaal € 1.156,50 + ?
Inkomsten [verzoekster] vanaf 67 jaar (2031) ABP [verzoekster] € 996,00 AOW + Aegon Pensioen 977,00 Totaal € 1.973,00 + ?
Dit betekent dat nu zowel verzoekster als de beide zussen van erflater, geen bewindvoerder worden, op grond van het bepaalde in het testament, door de executeur dan wel de boedelnotaris een (professioneel) testamentair bewindvoerder voorgesteld zal worden. In het testament is bepaald dat de bewindvoerder geen loon toekomt, maar dat de kantonrechter op verzoek of ambtshalve daarvan kan afwijken in het geval van onvoorziene omstandigheden. De kantonrechter is van oordeel dat in het feit dat geen van de aangewezen familieleden bewindvoerder wenst te worden een onvoorziene omstandigheid besloten ligt, zodat de kantonrechter zal bepalen dat aan de professionele testamentaire bewindvoerder het gebruikelijke loon toekomt dat ook aan een professionele meerderjarigen-bewindvoerder ex art. 1:432 e.v.
BW wordt toegekend. verwerping inboedellegaten 22. De kantonrechter verleent machtiging aan mevr. verzoekster om namens haar zoon, [minderjarige] voornoemd, de inboedellegaten te verwerpen. Dit betekent voorts dat het verzoek tot nietig verklaring van de bepalingen en voorwaarden in het testament met betrekking tot die legaten geen behandeling meer behoeft. geldlegaten 23. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft verzoekster onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij en haar minderjarige zoon bij uitkering van de geldlegaten in onoverkomelijk financiële problemen zullen komen, zo dat al een reden kan vormen om de betreffende bepaling uit het testament voor niet geschreven te houden, zodat dit verzoek wordt afgewezen. aanvullend verzoek hypotheekschuld 24. Het verzoek om de bepalingen in het testament onder D.c. waarin staat vermeld dat de hypotheekschuld (aflossingsvrij en thans bedragende € 34.033,52) dient te worden afgelost, voor niet geschreven te houden, dient te worden afgewezen. Weliswaar is voorstelbaar dat het aflossen fiscaal nadeel met zich brengt, maar de kantonrechter is van oordeel dat niet elk (financieel/fiscaal) nadeel grond oplevert om een testamentaire bepaling voor niet-geschreven te houden. instructie executeur ten aanzien van de geldlegaten 25. Het verzoek om de executeur te instrueren de geldlegaten niet eerder uit te keren totdat er duidelijkheid bestaat over de omvang van de nalatenschap en totdat is beslist op het verzoek tot vestigen van vruchtgebruik op de gehele nalatenschap, komt de kantonrechter doelmatig en praktisch voor. Een wettelijke grondslag voor het geven van dergelijke instructies aan de executeur kent het BW in beginsel echter niet, zodat de kantonrechter hiertoe niet bevoegd is en het verzoek dient te worden afgewezen.
De beslissing De kantonrechter: verklaart voor recht dat de tekst van artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden zo geïnterpreteerd moet worden dat het bepaalde in artikel 7.2 zowel bij overlijden als echtscheiding geldt en dat dus ook ingeval van overlijden de uitzonderingen van artikel 7.2 gelden en alle aanbrengsten ten huwelijk privé blijven; bepaalt dat de omvang van de nalatenschap moet worden vastgesteld met inachtneming van het feit dat de jaarlijkse verrekening niet is uitgevoerd; draagt de executeur op om binnen drie maanden na heden met inachtneming van het voorgaande een nieuwe boedelbeschrijving op te stellen; bepaalt dat voor niet geschreven dient te worden gehouden de bepaling in het testament onder de kop ‘D legaten’ 1.b sub 2 die het recht van vruchtgebruik op grond van het legaat beperkt tot zeven jaar na erflaters overlijden en eveneens indien verzoekster hertrouwt, een geregistreerd partnerschap aangaat etc.; bepaalt dat van het testament de bepalingen onder de kop ‘D. Legaten’ 1b, de leden 11 en 12 voor niet geschreven dienen te worden gehouden; bepaalt dat de erfgenaam verplicht is mee te werken aan de vestiging van een levenslang vruchtgebruik ten behoeve van verzoekster op de woning en de inboedel, als bedoeld in artikel 4:29 BW, aan dit vruchtgebruik dient de beperkte bevoegdheid van verzoekster gekoppeld te worden om de woning en inboedel met inachtneming van het bepaalde in het testament onder D Legaten, 1 b. Bepalingen vruchtgebruik sub 4 te vervreemden en te verteren; verleent verzoekster machtiging om namens de minderjarige zoon [minderjarige] alle inboedellegaten te verwerpen; stelt de executeur dan wel de boedelnotaris in de gelegenheid om binnen twee maanden na heden een (professioneel) testamentair bewindvoerder aan te wijzen.
Wijst het meer of anders verzochte af.
Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. van der Linde, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 10 oktober 2014 in het openbaar uitgesproken.
De griffier De kantonrechter