RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf Locatie Schiphol Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/840160-11 (P) Uitspraakdatum: 6 maart 2014 Tegenspraak Vonnis Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 14 februari 2013, 14 mei 2013, 25 juli 2013, 15 oktober 2013, 6 januari 2014, 9 januari 2014, 15 januari 2014, 22 januari 2014, 23 januari 2014 en 20 februari 2014 in de zaak tegen: [verdachte] , (hierna: [verdachte]), geboren op [geboortedatum verdachte] te[geboorteplaats], ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres[adres verdachte], thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Almere te Almere. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. Hagemeier en van wat [verdachte] en zijn raadsman, mr. M.L. van Gessel, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan [verdachte] is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat: Feit 1: Primair hij op of omstreeks 26 februari 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 6.009,0 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; Subsidiair hij in of omstreeks de periode van 28 december 2011 tot en met 26 februari 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of Amsterdam en/of Eindhoven en/of Den Haag en/of Diemen en/of Zoetermeer, in elk geval in Nederland, en/of te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, buiten en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden of te bevorderen - zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feiten heeft getracht te verschaffen en/of - een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(
- en)te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of - voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(
- s)wist(
- en)of ernstig redenen had(den) om te vermoeden dat hij bestemd waren tot het plegen van dat die feit(en), immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen - ( meermalen) met elkaar en/of met (een) (contactpersoon van) opdrachtgever(
- s)en/of afnemers (telefonisch) contact gelegd en/of onderhouden en/of - ( meermalen) (telefonisch) aan/van elkaar of een ander of anderen informatie verstrekt en/of ontvangen over de prijs en/of hoeveelheid van (een) hoeveelhe(i)d(
- en)verdovende middelen en/of - ( meermalen) (telefonisch) informatie verstrekt en/of instructie(
- s)en/of foto’s gegeven en/of informatie en/of instructie(
- s)en/of foto’s ontvangen ten behoeve van invoer van en/of de overdracht van een of meer hoeveelheden verdovende middelen en/of - ( meermalen) (telefonisch) dienstroosters en/of werktijden ter beschikking gesteld en/of doorgegeven en/of gevraagd en/of ontvangen en/of - ( meermalen) vlucht- en/of bagage - en/of reizigersgegevens doorgegeven en/of ontvangen en/of - ( meermalen) afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten en/of meermalen ontmoetingen gehad en/of gearrangeerd. Feit 2: Hij in of omstreeks de periode van 26 februari 2012 tot en met 7 maart 2012 te Diemen en/of Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een persoon genaamd [medeverdachte 2], door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [medeverdachte 2] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(
- s)- die [medeverdachte 2] verantwoordelijk gesteld en/of gehouden voor het verlies van een hoeveelheid cocaïne (welke cocaïne op 26 februari 2012 op Schiphol door (een) medewerker(
- s)van het Cargo-Harc team en/of de Belastingdienst/Douane en/of Fiod in een vliegtuig was ontdekt en/of inbeslaggenomen) en/of - die [medeverdachte 2] onder druk gezet om de schade te vergoeden en (daartoe) in die periode een of meermalen met die [medeverdachte 2] ontmoetingen gehad, waarbij hij, verdachte met een of meer medeverdachte(
- n)aanwezig is geweest en/of - ( daarbij) tegen die [medeverdachte 2] gezegd dat het zijn probleem is en/of dat zij/hij moet(
- en)betalen en/of dat hij vandaag moet beginnen met betalen en/of dat hij en/of zijn mededader(
- s)erop los slaan als hij ([medeverdachte 2]) niet meewerkt en/of - tegen die [medeverdachte 2] gezegd dat hij zijn/een auto (een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 1] moet inleveren en/of afstaan Waardoor die [medeverdachte 2] werd gedwongen die auto aan verdachte en/of zijn mededader(
- s)af te staan en/of af te geven. Feit 3: hij in of omstreeks de periode van 16 mei 2012 tot en met 5 juni 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of Amsterdam en/of Diemen en/of Eindhoven, in elk geval in Nederland, en/of te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, buiten en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden of te bevorderen - zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feiten heeft getracht te verschaffen en/of - een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(
- en)te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of - voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(
- s)wist(
- en)of ernstig redenen had(den) om te vermoeden dat hij bestemd waren tot het plegen van dat die feit(en), immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen - ( meermalen) met elkaar en/of met (een) (contactpersoon van) opdrachtgever(
- s)en/of afnemers (telefonisch) contact gelegd en/of onderhouden en/of - ( meermalen) (telefonisch) aan/van elkaar of een ander of anderen informatie verstrekt en/of ontvangen over de prijs en/of hoeveelheid van (een) hoeveelhe(i)d(
- en)verdovende middelen en/of - ( meermalen) (telefonisch) informatie verstrekt en/of instructie(
- s)en/of foto’s gegeven en/of informatie en/of instructie(
- s)en/of foto’s ontvangen ten behoeve van invoer van en/of de overdracht van een of meer hoeveelheden verdovende middelen en/of - ( meermalen) (telefonisch) dienstroosters en/of werktijden ter beschikking gesteld en/of doorgegeven en/of gevraagd en/of ontvangen en/of - ( meermalen) vlucht- en/of bagage - en/of reizigersgegevens doorgegeven en/of ontvangen en/of - ( meermalen) afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten en/of meermalen ontmoetingen gehad en/of gearrangeerd. Feit 4 hij in of omstreeks de periode van 4 oktober 2012 tot en met 11 november 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of Amsterdam en/of Diemen en/of Eindhoven, in elk geval in Nederland, en/of te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, buiten en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden of te bevorderen - zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feiten heeft getracht te verschaffen en/of - een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(
- en)te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of - voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(
- s)wist(
- en)of ernstig redenen had(den) om te vermoeden dat hij bestemd waren tot het plegen van dat die feit(en), immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen - ( meermalen) met elkaar en/of met (een) (contactpersoon van) opdrachtgever(
- s)en/of afnemers (telefonisch) contact gelegd en/of onderhouden en/of - ( meermalen) (telefonisch) aan/van elkaar of een ander of anderen informatie verstrekt en/of ontvangen over de prijs en/of hoeveelheid van (een) hoeveelhe(i)d(
- en)verdovende middelen en/of - ( meermalen) (telefonisch) informatie verstrekt en/of instructie(
- s)en/of foto’s gegeven en/of informatie en/of instructie(
- s)en/of foto’s ontvangen ten behoeve van invoer van en/of de overdracht van een of meer hoeveelheden verdovende middelen en/of - ( meermalen) (telefonisch) dienstroosters en/of werktijden ter beschikking gesteld en/of doorgegeven en/of gevraagd en/of ontvangen en/of - ( meermalen) vlucht- en/of bagage - en/of reizigersgegevens doorgegeven en/of ontvangen en/of - ( meermalen) afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten en/of meermalen ontmoetingen gehad en/of gearrangeerd. Feit 5 hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 december 2011 tot en met 20 november 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of Amsterdam en/of Eindhoven en/of (elders) in Nederland en/of te Curaçao heeft deelgenomen aan een organisatie, die bestond uit een samenwerkingsverband van verdachte en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en/of 10a eerste lid van de Opiumwet, te weten: - het opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I (artikel 2A Opiumwet jo 10 lid 5 Opiumwet) en/of - het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren verstrekken vervoeren of aanwezig hebben van middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I (artikel 2B en 2C Opiumwet jo 10 lid 4 en lid 3 Opiumwet) en/of - een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voorbereiden en/of bevorderen door * een ander te trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of * zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feiten trachten te verschaffen en/of * voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of anderen betaalmiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstig redenen heeft om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit. Feit 6 Hij in of omstreeks de periode van 7 oktober 2012 tot en met 22 november 2012 te Rotterdam en/of Schiedam en/of Amsterdam en/of Capelle aan de IJssel en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen ter voorbereiding van het misdrijf om een persoon, te weten [slachtoffer ] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven (moord strafbaar gesteld in artikel 289 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk een wapen te weten een pistool van het merk Glock, type 26 met patroonhouder bevattende 9 kogelpatronen en/of een wapen te weten een pistool van het merk HS, type 95 met patroonhouder bevattende 15 kogelpatronen en/of een wapen te weten een pistool van het merk CZ, type 75B, kaliber 9mm Luger met patroonhouder bevattende 14 kogelpatronen en/of een wapen te weten een semiautomatisch pistool, merk Walther, voorzien van geluidsdemper en/of een wapen te weten een pistoolmitrailleur, R9, Arms Corp voorzien van geluidsdemper en/of een woning gelegen aan de [adres 1] te Rotterdam en/of een bedrijfspand gelegen aan de [adres 2] te Schiedam en/of - een mobiele telefoon van het merk Black Berry (pinnummer [PIN-nummer medeverdachte 9]), met simkaart en micro SD kaart met op die micro SD kaart twee afbeeldingen van voornoemde [slachtoffer ] en/of - een personenauto, te weten BMW (kenteken [kenteken 2]). 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3Inleiding Naar aanleiding van informatie die het CargoHarc-team Schiphol op 6 september 2011 en op 15 september 2011 van de (Nationale) Criminele Inlichtingen Eenheid ontvangt wordt een opsporingsonderzoek gestart onder de naam Athena. Het opsporingsonderzoek Athena richt zich in eerste instantie op [verdachte] en personen om hem heen die zich bezig zouden houden met de invoer van verdovende middelen via de luchthaven Schiphol. Gedurende het onderzoek ontstaat de verdenking dat een aantal van de verdachten, waaronder [verdachte], uit onderzoek Athena voorbereidingen treft tot het plegen van een moord. Het onderzoek Athena wordt daartoe uitgebreid. [verdachte] wordt in het onderzoek Athena verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de invoer van verdovende middelen op 26 februari 2012, de voorbereiding van invoer van verdovende middelen gedurende twee afzonderlijk ten laste gelegde periodes en hem wordt in dit kader verweten dat hij lid was van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet. Voorts wordt [verdachte] verweten dat hij een persoon met geweld, bedreiging met geweld of door enige andere feitelijkheid heeft gedwongen tot de afgifte van een auto en daarnaast, zoals hiervoor al aangehaald, wordt [verdachte] verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereiding van moord. 4Bewijs 4.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezen verklaring van de ten laste gelegde feiten, waarbij de officier van justitie van oordeel is dat [verdachte] ten aanzien van feit 1 voor het hem primair ten laste gelegde veroordeeld dient te worden. 4.2. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft gepleit tot integrale vrijspraak van verdachte. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de inzet van een IMSI-catcher op 21 oktober 2011 en de hieruit voortvloeiende telefoontap van 27 oktober 2011 onrechtmatig hebben plaatsgevonden, nu de inzet van deze bevoegdheden niet voldoet aan de eis van de verdenking zoals verwoord in artikel 126m van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). De verdediging stelt daartoe dat de bevelen van 21 en 27 oktober 2011 ex artikel 126nb en 126m Sv slechts berusten op het niet nader te toetsen proces-verbaal van de Nationale Criminele Inlichtingen Eenheid (hierna: NCIE) van 15 september 2011 waaruit zou zijn gebleken dat [verdachte] deel uitmaakt van een groep die zich bezighoudt met de invoer van verdovende middelen in Nederland en België. De verdediging meent dat de vruchten van voornoemde tap die aan de basis staat van al het vergaarde (bewijs)materiaal, te weten de tap- en pinggesprekken in de onderscheiden zaaksdossiers B1, B4, B6, B8 en B9, onrechtmatig zijn verkregen en derhalve dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Voorts heeft de raadsman elk feit afzonderlijk besproken en daarbij telkens primair vrijspraak bepleit. 4.3. Oordeel van de rechtbank 4.3.1. Algemene overweging gebruik nummers telecommunicatie In het onderzoek Athena is gespreksverkeer en dataverkeer opgenomen en uitgeluisterd, dan wel -gelezen, welk verkeer heeft plaatsgevonden met in het onderzoek bekend geworden telefoon-, IMEI-, IMSI- en PIN-nummers. Een IMEI-nummer heeft als eigenschap dat het verbonden is met de mobiele telefoon die gebruikt wordt. Het IMEI-nummer blijft bij het toestel en verandert nooit. Mocht de gebruiker een andere simkaart in het toestel stoppen dan blijft het IMEI-nummer hetzelfde, het telefoonnummer verandert wel. PIN-nummers zijn unieke nummers van BlackBerry smartphones, gekoppeld aan het IMEI-nummer. De PIN-nummers kunnen worden gebruikt als adressering voor een vorm van mobiele communicatie tussen BlackBerry smartphones (‘pingen’). Het PIN-nummer behorend bij een IMEI-nummer kan niet worden gewijzigd. Het PIN-nummer kan worden gekoppeld aan een door de gebruiker opgegeven naam (nickname). Deze naam kan worden gewijzigd. Het IMSI-nummer is een uniek nummer behorend bij een simkaart. Wat betreft de communicatie tussen verdachten wordt tevens gebruik gemaakt van bijnamen. De rechtbank onderscheidt de bijnamen van de hiervoor bij een PIN-nummer behorende nickname. De conclusie dat een verdachte in deze zaak iets zegt of schrijft in het onderschepte gespreks- en/of dataverkeer vloeit in beginsel voort uit de conclusie dat de betreffende verdachte de gebruiker is van het betreffende nummer. Alvorens de afzonderlijke zaaksdossiers met de inhoud van de onderschepte communicatie te bespreken, zal de rechtbank daarom eerst aangeven welke nummers zij aan verdachten toeschrijft en op grond waarvan. 4.3.2. Beoordeling rechtmatigheid inzet IMSI-catcher en telefoontap De rechtbank zal eerst de inzet van een IMSI-catcher op 21 oktober 2011 en het bevel tot het opnemen van (tele)communicatie op 27 oktober 2011 bezien in het licht van het verweer van de verdediging dat voor het aanwenden van elk van deze bevoegdheden onvoldoende verdenking jegens [verdachte] bestond. Om mobiele telefoongegevens te verkrijgen is door het opsporingsteam gebruik gemaakt van een zogenoemde IMSI-catcher. Een IMSI-catcher is een technisch hulpmiddel waarmee het – onder meer – mogelijk is gegevens van mobiel telefoonverkeer te scannen. Onder scannen wordt in dit verband verstaan: het met daartoe geschikte apparatuur automatisch en herhaald systematisch aftasten van een bepaalde frequentieband met als doel informatie te verzamelen met betrekking tot een bepaald nummer in een bepaald gebied. De IMSI-catcher neemt feitelijk de functie over van een naburige zendmast, scant alle frequenties van de aanbieders van een openbaar (mobiel) communicatienetwerk of -dienst en registreert op dat moment de IMSI- en IMEI-nummers van alle mobiele telefoons die zich aanmelden bij deze zendmast. In het onderhavige geval is de IMSI-catcher ingezet teneinde zicht te krijgen op de bij [verdachte] in gebruik zijnde telecommunicatie, zodat deze kon worden opgenomen en uitgeluisterd. Teneinde op deze wijze toepassing te kunnen geven aan de bevoegdheid als bedoeld in artikel 126m Sv dient – onder meer – te zijn voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 126m Sv. Dit betekent dat voor de inzet van een IMSI-catcher op grond van artikel 126nb Sv vereist is dat sprake is van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Uit vorenstaande vloeit voorts voort dat als, wat betreft de verdenking, voldaan wordt aan de daarvoor gestelde eisen ten aanzien van de inzet van de IMSI-catcher op 21 oktober 2011 ook het verlenen van het bevel tot het opnemen van (tele)communicatie van 27 oktober 2011 niet meer ter discussie kan staan, omdat de eisen ten aanzien van de verdenking gelijk zijn. Voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het bevel tot inzet van de IMSI-catcher gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden: Het onderzoek Athena is gestart naar aanleiding van door de teamleiding van het CargoHarc-team Schiphol op respectievelijk 6 september 2011 en 15 september 2011 ontvangen processen-verbalen van de Criminele Inlichtingen Eenheid (hierna: CIE) en de NCIE. In het proces-verbaal dat op 6 september 2011 van de CIE werd ontvangen staat dat via één informant de volgende informatie is binnen gekomen: ‘[betrokkene 2] werkt bij de KLM op Schiphol en houdt zich daar tijdens deze werkzaamheden bezig met de invoer van verdovende middelen. Hij werkt hierbij samen met [betrokkene 3] uit Breda.’ In het proces-verbaal worden voorts de personalia van zowel [betrokkene 2] als [betrokkene 3] genoemd. In het proces-verbaal van 15 september 2011 van de NCIE staat als informatie die bij de NCIE is binnen gekomen gerelateerd: ‘Een Joegoslaaf genaamd [bijnaam] maakt deel uit van een groep die zich bezig houdt met de invoer van verdovende middelen in Nederland en België. Een [verdachte] maakt deel uit van die groep. Met ‘een Joegoslaaf’ wordt bedoeld: [betrokkene 3], geboren [geboortedatum] te Sarajevo, wonende [adres 3]. Met ‘[verdachte]’ wordt bedoeld: [verdachte], geboren op [geboortedatum verdachte] te[geboorteplaats], wonende [adres verdachte].’ Op 6 oktober 2011 wordt door de officier van justitie een bevel stelselmatige observatie jegens [verdachte] afgegeven. Op 7 oktober 2011 geeft de officier van justitie een bevel bijzondere vergaring nummergegevens ex artikel 126nb Sv af, welk bevel geldt voor de periode van 11 oktober 2011 tot en met 17 oktober 2011. Op 11 oktober 2011 is een IMSI-catcher ingezet, maar hieruit zijn geen relevante gegevens naar voren gekomen. Op 21 oktober 2011 wordt een gelijk bevel afgegeven, naar aanleiding van een op 20 oktober 2011 door de officier van justitie daartoe strekkend mondeling bevel, maar dan voor de periode van 21 oktober 2011 tot en met 27 oktober 2011. Dit leidt dan vervolgens tot de inzet van een IMSI-catcher op 21 oktober 2012 en bij deze inzet komt onder andere het IMEI-nummer [IMEI-nummer 1 verdachte] naar voren. Uit het proces-verbaal van aanvraag strekkende tot laatstgenoemd bevel volgt dat op het moment van deze aanvraag niet alleen de (N)CIE-informatie bekend was bij het opsporingsteam, maar dat zij ook zelfstandig onderzoek naar [verdachte] heeft verricht door middel van het uitvoeren van een aantal zoekslagen in verschillende systemen. Uit gegevens van het computersysteem van de belastingdienst BVR volgt dat daadwerkelijk een [verdachte] op het adres [adres verdachte] woont. Voorts blijkt uit het proces-verbaal dat [verdachte] op 19 oktober 2011 is geobserveerd en dat bij die observatie is waargenomen dat [verdachte] een ontmoeting had met een man en dat beide mannen tijdens de ontmoeting een mobiele telefoon vast hadden en voorts dat [verdachte] op enig moment de woning aan de [adres verdachte] binnen ging. Op 27 oktober 2011 machtigt de rechter-commissaris de officier van justitie tot het geven van een bevel tot het opnemen van (tele)communicatie die plaatsvindt via het IMEI-nummer [IMEI-nummer 1 verdachte], welk bevel de officier van justitie diezelfde dag afgeeft. Conclusie De hiervoor aangehaalde (N)CIE-berichten in onderling verband en samenhang bezien maken dat [verdachte] in verband kan worden gebracht met de invoer van verdovende middelen via de luchthaven Schiphol. De informatie is geconcretiseerd aangezien [verdachte] daarin met naam en toenaam wordt genoemd en ook zijn adres is gerelateerd. Vervolgens heeft het opsporingsteam onderzoek verricht waarbij de in het NCIE-proces-verbaal van 15 september 2011 genoemde personalia en adres zijn gecontroleerd en de juistheid van het in het NCIE-proces-verbaal genoemde adres is bevestigd. De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat er jegens [verdachte] een voldoende concrete verdenking bestond dat hij zich bezig hield met feiten als bedoeld in artikel 2, onder A, van de Opiumwet. De rechtbank acht daarmee de bevelen tot inzet van de IMSI-catcher van 7 en 21 oktober 2011 en het bevel tot het opnemen van (tele)communicatie van 27 oktober 2011 rechtmatig en zij verwerpt om die reden het tot bewijsuitsluiting van vruchten van deze bevelen strekkende verweer van de raadsman. 4.3.3. Vrijspraak ten aanzien van feit 3 (zaaksdossier B4) [verdachte] wordt onder feit 3 verweten dat hij zich in de periode van 16 mei 2012 tot en met 5 juni 2012 schuldig heeft gemaakt aan de strafbare voorbereiding of bevordering van met betrekking tot cocaïne te verrichten gedragingen, zoals – onder meer – het binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne. De onderzoeksresultaten in zaaksdossier B4 bestaan, voor het overgrote deel, uit onderschepte datacommunicatie, te weten pinggesprekken. [verdachte] heeft zich gedurende het hele onderzoek, daargelaten een enkele verklaring met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden, beroepen op zijn zwijgrecht. In het onderzoek dat ziet op zaaksdossier B4 is geen cocaïne aangetroffen en in beslag genomen. Voor de bewijslevering komt het daarom vooral aan op de betekenis die moet worden toegekend aan de inhoud van de afgeluisterde en opgenomen communicatie. In de onderschepte pinggesprekken in dit dossier wordt niet ondubbelzinnig gesproken over cocaïne respectievelijk de invoer daarvan. In zijn uitspraak van 14 december 2012 (onderzoek Alpamayo) heeft het Gerechtshof Amsterdam overwogen dat wanneer in weerwil van de letterlijke gebezigde bewoordingen de betekenis en strekking van onderschepte gesprekken niettemin worden geduid als betrekking hebbende op cocaïne bij de bewijslevering de nodige behoedzaamheid dient te worden betracht. Het risico op een verkeerd begrip is immers aanwezig als de betekenis van het gesproken en geschreven woord moet worden uitgelegd en geïnterpreteerd. De rechtbank heeft daarom na te gaan of de voor het bewijs te bezigen verslagen van – in het onderhavige geval – pinggesprekken, bezien naar hun inhoud, de chronologie en de kring van deelnemers aan die gesprekken, in een met het oog op de bewijslevering betekenisvolle samenhang kunnen worden geplaatst. In zaaksdossier B4 is [verdachte] slechts actief deelnemer aan vier pinggesprekken die plaats vinden op 18 en op 22 mei 2012. Voorts wordt [verdachte] een aantal keer via pingberichten aangesproken door een medeverdachte, waarop hij niet kenbaar reageert, en wordt over hem/zijn activiteiten gesproken door medeverdachten. De rechtbank is van oordeel dat een en ander, gelet op de enkele door [verdachte] zelf gevoerde pinggesprekken en gelet ook op de inhoud van de overige gesprekken, niet in een met het oog op de bewijslevering betekenisvolle samenhang kan worden geplaatst. Dit maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen [verdachte] onder feit 3 ten laste is gelegd. [verdachte] moet daarvan worden vrijgesproken. 4.3.4. Feit 1 (zaaksdossier B1) I. Inleiding Aan onder meer [verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] wordt primair verweten dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan de invoer van ongeveer zes kilogram cocaïne in Nederland op 26 februari 2012. Subsidiair wordt verdachten verweten dat zij de invoer hebben voorbereid dan wel bevorderd. II. Gebruik nummers telecommunicatie [verdachte] De rechtbank stelt op grond van het navolgende vast dat de PIN-nummers [PIN-nummer 1 verdachte] en [PIN-nummer 2 verdachte] indertijd aan [verdachte] toebehoorden. Op 20 november 2012 vindt in de woning aan de [adres verdachte] te Amsterdam, zijnde de woning van [verdachte], een doorzoeking plaats waarbij een BlackBerry telefoon type 9360 wordt aangetroffen, bij welk toestel het PIN-nummer [PIN-nummer 1 verdachte] hoort. heeft erkend dat hij deze telefoon op enig moment in zijn bezit heeft gehad. Het IMEI-nummer behorend bij voornoemde BlackBerry telefoon komt naar voren tijdens de inzet van een IMSI-catcher op 19 januari 2012 bij twee verschillende runs op locaties waar [verdachte] zich op dat moment bevindt. Uit opgenomen datacommunicatie/pingberichten is gebleken dat de gebruiker van het PIN-nummer [PIN-nummer 1 verdachte] als nickname onder meer ‘NLS [bijnaam 1 verdachte]’ gebruikt. Bij de doorzoeking in de woning van [verdachte] op 20 november 2012 wordt tevens een BlackBerry telefoon type 9900 aangetroffen. Het PIN-nummer behorende bij deze telefoon betreft [PIN-nummer 2 verdachte]. Aan voornoemd PIN-nummer is eveneens de nickname ‘[bijnaam 1 verdachte]’ gekoppeld. Op 6 februari 2012 pingt de gebruiker van het PIN-nummer [PIN-nummer 2 verdachte] met de gebruiker van het PIN-nummer [PIN-nummer medeverdachte 6], dat wordt toegeschreven aan [medeverdachte 6]. [medeverdachte 6] pingt vanaf 14.25 uur: ‘Ik ga straks naar [voornaam medeverdachte 7] man die auto lekt olie.’ ‘Nog niet klaar met werk.’ De gebruiker van het PIN-nummer [PIN-nummer 2 verdachte] antwoordt: ‘Nee man 3 uur.’ Met [voornaam medeverdachte 7] wordt vermoedelijk [medeverdachte 7] bedoeld, de eigenaar van een garagebedrijf in Amsterdam. Uit opgenomen en afgeluisterde gesprekken van [verdachte], op 6 februari 2012 in de ochtend, blijkt dat [verdachte] gebruik maakt van zendmasten in de directe omgeving van zijn werk. [verdachte] heeft verklaard stage te lopen bij de [garage 1] van [medeverdachte 7]. Op 1 maart 2012 pingt de gebruiker van het PIN-nummer [PIN-nummer 3 medeverdachte 1] aan de gebruiker van het PIN-nummer [PIN-nummer 2 verdachte] dat [bijnaam medeverdachte 2] een ontmoeting wil en dat hij hem achter de drinkplek heeft gestuurd. De gebruiker van het PIN-nummer [PIN-nummer 2 verdachte] vraagt of het gewoon de parkeerplek is en de gebruiker van het PIN-nummer [PIN-nummer 3 medeverdachte 1] antwoordt bevestigend. Vervolgens pingt laatstgenoemde om 16.27 uur dat zij elkaar ook moeten ontmoeten. De gebruiker van PIN-nummer [PIN-nummer 2 verdachte] antwoordt: ‘ok’. Op 1 maart 2012 om 17.11 uur ziet het observatieteam dat er een ontmoeting plaatsvindt tussen [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [verdachte]. Diezelfde dag pingt de gebruiker van het PIN-nummer [PIN-nummer 1 verdachte] aan [betrokkene 1]: ‘Zij moeten mij vandaag betalen, g.’ ‘Ik zit hier met de soldaten om op ze te gaan.’ en om 19.42 uur: ‘Wij zitten hier te wachten dat zij komen.’ Op datzelfde moment wordt door het observatieteam een ontmoeting waargenomen voor café restaurant Dauphine tussen [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 3]. [medeverdachte 5], medeverdachte in onderzoek Athena, herkent op een foto met meerdere personen [verdachte] als zijnde ‘[bijnaam 1 verdachte]’. Naast de hiervoor genoemde PIN-nummers schrijft de rechtbank het telefoonnummer [telefoonnummer 1 verdachte] aan [verdachte] toe. Het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 1 verdachte] is als contact ‘[bijnaam 2 verdachte]’ aangetroffen in een telefoon die in beslag is genomen in de woning aan de [adres medeverdachte 3] te Diemen, te weten het verblijfadres van [medeverdachte 3]. [verdachte] heeft tijdens zijn verhoor van 20 november 2012 aangegeven dat hij [bijnaam 2 verdachte] wordt genoemd. Op 1 maart 2012 voert de gebruiker van het telefoonnummer dat eindigt op [telefoonnummer 1 verdachte] een telefoongesprek met [medeverdachte 7], medeverdachte in het onderzoek Athena. [medeverdachte 7] vraagt of hij met [verdachte] spreekt. De gebruiker van voornoemd telefoonnummer antwoordt bevestigend. [medeverdachte 7] zegt tegen de gebruiker van voornoemd telefoonnummer dat hij drie of vier maanden stage bij hem kan lopen. [verdachte] heeft verklaard dat hij stage heeft gelopen bij de [garage 1] van [medeverdachte 7]. [medeverdachte 1] Aan [medeverdachte 1] schrijft de rechtbank het PIN-nummer [PIN-nummer 1 medeverdachte 1] toe. Bij het PIN-nummer [PIN-nummer 1 medeverdachte 1] horen het IMEI-nummer [IMEI-nummer 1 medeverdachte 1] en (tot 2 maart 2012) het telefoonnummer [telefoonnummer 1 medeverdachte 1]. Voornoemd IMEI-nummer komt naar voren bij de inzet van een IMSI-catcher op 21 februari 2012 en 23 februari 2012 op drie verschillende locaties waar [medeverdachte 1] zich op dat moment bevindt. De gebruiker van het PIN-nummer [PIN-nummer 1 medeverdachte 1] maakt – onder meer – gebruik van de nickname ‘NLS presenting [bijnaam 1 medeverdachte 1] 2’. Op 10 april 2012 wordt opnieuw een IMSI-catcher ingezet op twee locaties waar [medeverdachte 1] zich op dat moment bevindt. Het IMEI-nummer [IMEI-nummer 2 medeverdachte 1]wordt in de aanwezigheid van [medeverdachte 1] getraceerd. De gespreksvoering van dit IMEI-nummer is afgeluisterd. Daaruit blijkt dat bij dit IMEI-nummer het PIN-nummer [PIN-nummer 2 medeverdachte 1] hoort. Ook de gebruiker van het PIN-nummer [PIN-nummer 2 medeverdachte 1] maakt gebruik van een nickname met daarin ‘NLS’ en ‘[bijnaam 1 medeverdachte 1]’. Vanaf laatstgenoemd PIN-nummer wordt het volgende pingbericht verstuurd: ‘ik ben in een voorstelling van [naam zoon medeverdachte 1] die saxofoon speelt’. [medeverdachte 1] had een zoon met de naam [naam zoon medeverdachte 1]. Op 20 november 2012 wordt een doorzoeking verricht in een boxruimte aan de [adres 4] te Amsterdam, welke wordt gehuurd door [medeverdachte 6]. In deze box wordt een doosje van een simkaarthouder van Vodafone aangetroffen. Op het doosje staat het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer 1 medeverdachte 1]. [medeverdachte 6] is bevriend met [medeverdachte 1]. Naast het hiervoor genoemde PIN-nummer stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] de gebruiker was van de telefoonnummers [telefoonnummer 2 medeverdachte 1], [telefoonnummer 3 medeverdachte 1] en [telefoonnummer 4 medeverdachte 1]. Op 15 februari 2012 wordt door de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 2 medeverdachte 1] uitgebeld naar het nummer [telefoonnummer 1 verdachte]. [bijnaam 2 verdachte] neemt op en feliciteert [naam zoon medeverdachte 1] en vraagt daarna naar de vader van [naam zoon medeverdachte 1]. Vervolgens komt er een andere persoon aan de telefoon die zegt dat zijn kinderen ook de kinderen van [bijnaam 2 verdachte] zijn. Zoals hiervoor al aangehaald heet de overleden zoon van [medeverdachte 1] [naam zoon medeverdachte 1]. Op 16 januari 2012 belt de gebruiker van het telefoonnummer dat eindigt op [telefoonnummer 2 medeverdachte 1] met de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer]. De gebruiker van laatstgenoemd nummer noemt de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 2 medeverdachte 1] [voornaam medeverdachte 1]. De volledige naam van [medeverdachte 1] is [personalia medeverdachte 1]. Op 1 januari 2012 belt de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 3 medeverdachte 1] uit naar de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer medeverdachte 6]. De gebruiker van eerstgenoemd nummer vraagt aan laatstgenoemde of hij een extra dag bij [naam] kan betalen. Verder vraagt [naam zoon medeverdachte 1] of de gebruiker van het nummer eindigend op [telefoonnummer medeverdachte 6] zijn PlayStation voor hem wil meenemen. De gebruiker van het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer medeverdachte 6] betreft [medeverdachte 6]. Op 29 december 2011, vlak na middernacht, om 00.32 uur, voert de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 3 medeverdachte 1] een gesprek met de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 2 verdachte] waarin zij bespreken dat zij morgen een afspraak hebben bij de nette plaats. De simkaart behorende bij het laatstgenoemde nummer is aangetroffen op het adres van [verdachte]. [medeverdachte 1] is door het observatieteam op 29 december 2011 om 13.13 uur samen met [verdachte] gezien bij café restaurant Dauphine te Amsterdam. Op 26 december 2011 belt de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 3 medeverdachte 1] met de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnnummer vriendin medeverdachte 1]. De gebruiker van eerstgenoemd telefoonnummer zegt dat hij met de kinderen en [vriendin medeverdachte 1] zit te eten. [medeverdachte 1] is getrouwd geweest met [vriendin medeverdachte 1]. Op 31 december 2011 belt de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 3 medeverdachte 1] uit naar de gebruiker van het Antilliaanse telefoonnummer [telefoonnummer]. De gebruiker van eerstgenoemd nummer zegt dat hij zijn eigen dingen gaat zetten, [geboortedatum]. De gebruiker van het Antilliaanse telefoonnummer zegt dat de naam van de moeder van de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 3 medeverdachte 1] [naam] is. In een tweede telefoongesprek op 31 december 2011 tussen voornoemde personen zegt de gebruiker van het telefoonnummer dat [telefoonnummer 3 medeverdachte 1] dat hij denkt dat de meisjesnaam van zijn moeder [naam] is. De gebruiker van het Antiliaanse nummer zegt dat de meisjesnaam [achternaam medeverdachte 1] is, zonder h. De voornaam van de moeder is [naam]. In een derde gesprek die dag tussen de beide personen zegt de gebruiker van het nummer [telefoonnummer 3 medeverdachte 1] dat zijn enige broers [naam] en [naam] zijn. Op woensdag 4 januari 2011 heeft verbalisant [verbalisant 1] het systeem BKR geraadpleegd. Bij het invoeren van de naam ‘[naam]’ als zoekterm kwam onder andere een vrouw naar voren met de voorletters [voorletters] Uit onderzoek is verder naar voren gekomen dat[naam] drie zonen en een dochter heeft: [naam], [medeverdachte 1], [naam] en [naam]. [naam] is geboren op [geboortedatum]. De rechtbank schrijft het telefoonnummer [telefoonnummer 4 medeverdachte 1] toe op grond van het navolgende. Op 15 december 2011 belt de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnnummer vriendin medeverdachte 1] met de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 4 medeverdachte 1]. Die laatste vraagt of de gebruiker van het telefoonnummer dat eindigt op [telefoonnnummer vriendin medeverdachte 1] met [naam] is en of hij haar de groeten wil doen van [naam zoon medeverdachte 1]. Op 27 december 2011 voert verbalisant [verbalisant 2] een stemherkenning uit naar de gebruikers van de telefoonnummers [telefoonnummer 4 medeverdachte 1] en [telefoonnummer 3 medeverdachte 1] door voornoemde gesprekken te laten beluisteren door twee beëdigde tolken. Op basis van voornoemde tapgesprekken hebben beide tolken het vermoeden uitgesproken dat de gebruiker van de telefoonnummers [telefoonnummer 4 medeverdachte 1] en [telefoonnummer 3 medeverdachte 1] één en dezelfde persoon is. Dit vermoeden is gebaseerd op de klank en intonatie van de stem van de gebruiker van voornoemde telefoonnummers. Op grond van het navolgende concludeert de rechtbank dat [bijnaam 2 medeverdachte 1] een bijnaam van [medeverdachte 1] is. Op 5 december 2011 voert [medeverdachte 1] als gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 4 medeverdachte 1] een telefoongesprek met [verdachte]. [verdachte] zegt dat hij samen met [vriendin verdachte] is. [medeverdachte 1] vraagt [verdachte] om aan [vriendin verdachte] de groeten te doen, waarop [verdachte] tegen een persoon bij hem aanwezig zegt: ‘Hey [bijnaam 2 medeverdachte 1] heeft jou laten groeten.’ Op 22 december 2011 voert [medeverdachte 1] als gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 3 medeverdachte 1] een telefoongesprek met [verdachte]. [medeverdachte 1] zegt: ‘Hey, dit is die nieuwe van mij.’ [verdachte] vraagt met wie hij spreekt. Waarop [medeverdachte 1] antwoordt: ‘Dit is mijn nieuwe, [bijnaam 2 medeverdachte 1].’ De rechtbank schrijft voorts aan verdachte [medeverdachte 1] het PIN-nummer [PIN-nummer 3 medeverdachte 1] toe. De gebruiker van PIN-nummer [PIN-nummer 4 medeverdachte 1] verzendt en ontvangt in de periode van 29 oktober 2011 tot en met 20 december 2011 berichten naar en van het nummer [PIN-nummer 3 verdachte]. Het laatste nummer is vermoedelijk in gebruik bij [verdachte] en gebruikt de nickname [bijnaam 1 verdachte] Nls. Het PIN-nummer [PIN-nummer 4 medeverdachte 1] gebruikt de nickname [bijnaam 3 medeverdachte 1] B-). Op 29 oktober 2011 pingen voornoemde nummers om 21.04 uur over een ontmoeting met elkaar over een half uur. Om 21.59 pingt het nummer dat eindig op [PIN-nummer 3 verdachte] op een vraag van een PIN-nummer met de nickname [nickname 1] of hij is aangekomen, ‘ja schat, ik ben al met [bijnaam 2 medeverdachte 1]’. Op 18 november pingen voornoemde nummers weer met elkaar. Om 13.53 pingt [bijnaam 3 medeverdachte 1]: ik kom wel. [bijnaam 1 verdachte] pingt: kom dan. Om 13.55 pingt [bijnaam 1 verdachte] naar een PIN-nummer waaraan de nickname >=O is toegevoegd: Ik ben onderweg, ga [bijnaam 2 medeverdachte 1] bij de benzinepomp ontmoeten. Op 29 november 2011 ontvangt het PIN-nummer [PIN-nummer 3 verdachte] een pingbericht. Het bericht is aan meer geadresseerden verzonden. Bij de ontvangers staan PIN-nummers met nicknames. Bij de ontvanger van het bericht met PIN-nummer [PIN-nummer 4 medeverdachte 1] staat de nickname [bijnaam 2 medeverdachte 1]. Met het telefoonnummer van [medeverdachte 6] dat eindigt op [telefoonnummer medeverdachte 6] worden pingberichten verstuurd. Hierbij wordt het PIN-nummer [PIN-nummer medeverdachte 6] gebruikt. Dat PIN-nummer heeft onder meer contact met het PIN-nummer [PIN-nummer 3 medeverdachte 1] met de nickname [bijnaam 3 medeverdachte 1] 2. Op 8 februari 2012 zoekt laatstgenoemd PIN-nummer om 20.04 uur contact met eerstgenoemd PIN-nummer. Dat contact komt niet tot stand. Om 20.12 belt het nummer dat eindigt op [telefoonnummer 2 medeverdachte 1] met het telefoonnummer in gebruik bij een NN-vrouw [vriendin medeverdachte 6]. Het nummer dat eindigt op [telefoonnummer 2 medeverdachte 1], het nummer dat hierboven is toegeschreven aan [medeverdachte 1], vraagt hoe het is met de man, dat hij hem aan het pingen is, maar dat hij niet antwoordt. [vriendin medeverdachte 6] zegt dat hij op het werk is. Dat hij zei dat hij bezig is met het afsluiten van het pand. Om 19.45 heeft PIN-nummer [PIN-nummer] aan [PIN-nummer medeverdachte 6] gevraagd of hij nog niet klaar is met het afsluiten van het pand. Om 20.16 pingt nummer [PIN-nummer] aan [PIN-nummer medeverdachte 6] dat [bijnaam 4 medeverdachte 1] zegt hij pingt je, je reageert niet. Ik heb gezegd je bent nog aan het werk. Op 1 maart 2012 pingt de gebruiker van het PIN-nummer [PIN-nummer 3 medeverdachte 1] aan [verdachte] dat [bijnaam medeverdachte 2] een ontmoeting wil en dat hij hem achter de drinkplek heeft gestuurd. [verdachte] vraagt of het gewoon de parkeerplek is en de gebruiker van het PIN-nummer [PIN-nummer 3 medeverdachte 1] antwoordt bevestigend. Vervolgens pingt laatstgenoemde om 16.27 uur dat zij elkaar ook moeten ontmoeten. [verdachte] antwoordt: ‘ok’. Op 1 maart 2012 om 17.11 uur ziet het observatieteam dat er een ontmoeting plaatsvindt tussen [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [verdachte]. Tot slot schrijft de rechtbank de IMEI-nummers [IMEI-nummer 3 medeverdachte 1] en [IMEI-nummer 4 medeverdachte 1] aan [medeverdachte 1] toe. Op 21 februari 2012 en op 23 februari 2012 komt bij de inzet van een IMSI-catcher op drie verschillende locaties waar [medeverdachte 1] zich op dat moment bevindt het IMEI-nummer [IMEI-nummer 3 medeverdachte 1] naar voren. Op 26 februari 2012 belt de gebruiker van voornoemd IMEI-nummer uit naar de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer]. Die laatste wordt door de gebruiker van het IMEI-nummer [vriendin medeverdachte 1] genoemd. [vriendin medeverdachte 1] noemt de gebruiker van het IMEI-nummer schatje. De gebruiker van het IMEI-nummer [IMEI-nummer 4 medeverdachte 1] belt op 29 februari 2012 met de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer]. Het gesprek gaat over de relatie tussen beide personen. De gebruiker van voornoemd telefoonnummer wordt opnieuw [vriendin medeverdachte 1] genoemd. [medeverdachte 3] Aan [medeverdachte 3] schrijft de rechtbank het telefoonnummer [telefoonnummer 2 medeverdachte 3] toe. Daarnaast staat voor de rechtbank vast dat ‘[bijnaam 1 medeverdachte 3]’ een bijnaam is waarmee [medeverdachte 3] wordt aangeduid. Voorts is voor de rechtbank vast komen te staan dat [medeverdachte 3] wordt aangeduid als ‘[bijnaam 2 medeverdachte 3]’ Op 29 december 2011 belt [verdachte] om 12.10 uur uit naar de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 1 medeverdachte 3]. Laatstgenoemde geeft aan dat hij onderweg is. [verdachte] zegt dat hij er al is. Om 12.21 uur bellen [verdachte] en de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 1 medeverdachte 3] weer met elkaar. De gebruiker van laatstgenoemd nummer zegt dat hij er is. [verdachte] geeft aan dat hij links van de deur zit. Uit camerabeelden van café restaurant Dauphine blijkt dat op 29 december 2011 om 12.22 uur [medeverdachte 3] bij de draaideur van Dauphine loopt. Op dat moment is [medeverdachte 3] aan het bellen, kijkt hij naar links en slaat hij linksaf. Op 29 december 2011 heeft het observatieteam vanaf 13.13 uur in Dauphine een ontmoeting waargenomen tussen onder meer [verdachte] en [medeverdachte 3]. Diezelfde dag om 18.15 uur belt de gebruiker van het nummer [telefoonnummer 1 medeverdachte 3] met [verdachte]. Hij zegt tegen [verdachte] dat hij [bijnaam 2 medeverdachte 3] is. Op 27 januari 2012 om 19.51 uur belt [verdachte] met de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 2 medeverdachte 3]. [verdachte] vraagt met wie hij spreekt. De gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 2 medeverdachte 3] antwoordt: [bijnaam 2 medeverdachte 3].’ Op 3 maart 2012 om 16.14 uur belt [medeverdachte 1] met ene [NN]. [NN] zal het nummer van [bijnaam 1 medeverdachte 3] per sms versturen. Om 17.31 uur ontvangt [medeverdachte 1] van [NN] het volgende sms-bericht: [telefoonnummer 2 medeverdachte 3] [bijnaam 1 medeverdachte 3]. Medeverdachte [medeverdachte 5] wordt tijdens zijn tweede verhoor op 20 februari 2013 geconfronteerd met een foto waarop onder andere [medeverdachte 3] is afgebeeld. [medeverdachte 5] verklaart dat de man met de bontkraag ([medeverdachte 3]) [bijnaam 1 medeverdachte 3] van de Bijlmer is. Uit de ID-staat SKDB blijkt dat [medeverdachte 3] in 2003 en 2007 in de Bijlmer heeft gewoond. Op 20 november 2012 vindt er een doorzoeking plaats op het verblijfadres van [medeverdachte 3], te weten [adres medeverdachte 3] te Diemen. In de woning wordt een agenda aangetroffen met daarin een foto van [medeverdachte 3]. In deze agenda staat het telefoonnummer [telefoonnummer 2 medeverdachte 3]. Bij de datum 26 juni 2012 staat vermeld: ‘[bijnaam 1 medeverdachte 3] naar Curaçao.’ Op de verjaardagskalender bij de datum [geboortedatum medeverdachte 3] staat ook de naam [bijnaam 1 medeverdachte 3] vermeld. [medeverdachte 3] is geboren op [geboortedatum medeverdachte 3]. Tevens wordt op het verblijfadres van [medeverdachte 3] een factuur aangetroffen van [bedrijfsnaam] computers te Amsterdam van 3 oktober 2012 waarop staat: ‘[bijnaam 1 medeverdachte 3], [adres medeverdachte 3].’ [medeverdachte 2] De rechtbank stelt, op grond van het navolgende, vast dat ‘[bijnaam medeverdachte 2]’ een bijnaam is voor [medeverdachte 2]. Dit geldt tevens voor de varianten van deze bijnaam, zoals ‘[bijnaam medeverdachte 2]’, ‘[bijnaam medeverdachte 2]’ en ‘[bijnaam medeverdachte 2]’. Op 16 februari 2012 belt [medeverdachte 1] uit naar [verdachte]. [verdachte] zegt dat hij op de datum van [bijnaam medeverdachte 2] rekent. [medeverdachte 1] antwoordt: ‘ah… ja, ja…van [medeverdachte 2], die [medeverdachte 2] ons heeft gezegd.’ ‘Ja, swa’, zegt [verdachte]. Op 26 februari 2012 om 16.02 uur pingt [medeverdachte 1] aan [verdachte] dat [bijnaam medeverdachte 2] zegt dat de bus laat is gearriveerd. Om 16.14 uur pingt [medeverdachte 1] aan [verdachte] dat [bijnaam medeverdachte 2] zegt dat de man geen gelegenheid krijgt en dat hij het op en neer laat gaan om het werk te doen. [verdachte] zegt dat als hij dit ding verneukt hij niet in zijn schoenen wil staan. Om 16.42 uur belt [medeverdachte 1] met [vriendin medeverdachte 1]. [vriendin medeverdachte 1] vraagt of die [medeverdachte 2] [medeverdachte 1] heeft geript. Op 26 februari 2012 om 20.46 uur pingt [verdachte] met [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] pingt dat [bijnaam medeverdachte 2] het niet moet verkloten. [verdachte] zegt dat hij pissig is op [bijnaam medeverdachte 2]. Op 29 februari 2012 is van 15.52 tot 17.45 een ontmoeting waargenomen tussen [verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2]. Van 18.21 uur tot ongeveer 18.55 uur is een ontmoeting op een andere plaats waargenomen tussen [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5]. Op 29 februari 2012 pingt [medeverdachte 1] om 18.31 uur aan [betrokkene 1]: ‘Nu [betrokkene 1], de vent beweert dat hij niets heeft gevonden. We hebben hun uitgelegd dat ze moeten betalen. En vandaag beginnen met betalen, hij doet alsof hij wilt twijfelen dat het ding gezet is terwijl het onder zijn verantwoordelijkheid valt dat hij het niet heeft gepakt.’ Op 1 maart 2012 om 16.25 uur pingt [medeverdachte 1] aan [verdachte] dat [bijnaam medeverdachte 2] een ontmoeting wil en dat hij hem achter de drinkplek heeft gestuurd. Om 19.12 uur pingt [verdachte] aan [betrokkene 1]: ‘Die mensen hebben het ding gepakt, maar zij zijn fout zij moeten betalen.’ ‘Wij zitten hier te wachten dat zij komen.’ Op 1 maart 2012 wordt door het observatieteam om 19.56 uur een ontmoeting waargenomen voor restaurant café Dauphine tussen [medeverdachte 1], [verdachte], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2]. Diezelfde dag om 21.32 uur pingt [verdachte] aan [betrokkene 1]: ‘Ik heb hier al een auto afgenomen vriend.’ ‘Ik begin met alvast deze te verkopen.’ Op 7 maart 2012 werd een witte Volkswagen Golf, voorzien van kenteken [kenteken 1], op naam gesteld van [medeverdachte 7] en op 25 april 2012 werd de tenaamstelling overgeschreven op [medeverdachte 4]. De auto was voor 7 maart 2012 op naam gesteld van [naam]. [naam] bleek te zijn ingeschreven op hetzelfde adres als [medeverdachte 2]. Uit Blueview bleek dat [medeverdachte 2] meerdere keren in relatie gebracht en/of gezien was in de Volkswagen golf met kenteken [kenteken 1]. [betrokkene 1] [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben in zaaksdossier B1 veelvuldig pingcontact met de gebruiker van de PIN-nummers [PIN-nummer 1 betrokkene 1]en [PIN-nummer 2 betrokkene 1] met bijbehorende nicknames. Bij beide PIN-nummers worden de nicknames [nickname betrokkene 1] en [nickname betrokkene 1] afwisselend gebruikt. Bij het PIN-nummer dat eindigt op [PIN-nummer 2 betrokkene 1] wordt korte tijd de nickname: ‘[nickname betrokkene 1]’ gebruikt. De gebruiker van deze PIN-nummers zal hierna worden aangeduid als [betrokkene 1]. De rechtbank zal, uitgaande van voornoemde verdachten als gebruikers van voornoemde nummers, de met die nummers gevoerde pinggesprekken aan de respectieve verdachten toeschrijven, tenzij op grond van contra-indicaties hierna vermeld een andere conclusie gewettigd is. III. Redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank zal eerst aangeven wat zij van belang acht voor het bewijs en daaropvolgend ingaan op de rol van de afzonderlijke verdachten bij de invoer die zij uit de feiten en omstandigheden afleidt. Op 29 december 2011 om 00.32 uur belt [medeverdachte 1] met [verdachte]. [medeverdachte 1] zegt tegen [verdachte]: ‘Dus wij hebben morgen om 12 uur een afspraak. Daar bij die nette plaats toch?’ [verdachte] bevestigt dit. [medeverdachte 1] vraagt vervolgens met wie zij een afspraak hebben en of de afspraak met diezelfde brothers is. [verdachte] antwoordt: ‘neen, met die andere mensen, toch.’ Vervolgens antwoordt [medeverdachte 1]: ‘Met de nieuwe. Oké, oké.’ Om 12.28 uur voeren [medeverdachte 1] en [verdachte] wederom een telefoongesprek. [medeverdachte 1] zegt dat hij er bijna is. [medeverdachte 1] vraagt aan [verdachte] waar zij zitten. [verdachte] antwoordt dat slechts één van de mannen er is en dat de anderen er nog niet zijn. Het observatieteam ziet op 29 december 2011 om 13.13 uur [verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] aan een tafel zitten in café restaurant Dauphine te Amsterdam. Om 14.45 uur ziet het observatieteam de mannen Dauphine weer verlaten. Op 30 januari 2012 om 23.49 uur pingt [verdachte] het volgende aan [betrokkene 1]: ‘Hoe staat het voor ons deze dagen. Zijn wij on?’ Op 31 januari 2012 om 00.03 uur antwoordt [betrokkene 1]: ‘Ja maty wij zijn bezig te kijken hoe en wat.’ [verdachte] antwoordt: ‘Dat ding wat [bijnaam 2 medeverdachte 1] wil doen, wat denk je ervan of wat ga je doen?’ De volgende dag, 1 februari 2012, worden er tussen [verdachte] en [betrokkene 1] vanaf 14.11 uur de volgende pingberichten verstuurd. [verdachte]: ‘Gisteren hebben de guys mij toevallig gepingd mij gevraagd wat er aan het gebeuren is.’ [betrokkene 1]: ‘Ja makker wij zijn wel rond ik ga een beetje geld sturen voor voorschot zodat hij met smaak kan werken.’ [verdachte]: ‘Ik wil het doen’ ‘Wel laten wij het doen om ons jaar te openen.’ [betrokkene 1] pingt om 21.35 uur: ‘Mati neem enkele datums van dat ding om te vertrekken, de man is on.’ Op 2 februari 2012 om 14.35 uur pingt [verdachte] aan [betrokkene 1]: ‘Hallo ik heb nog een groep die kan doen makker.’ ‘Maar wij gaan kijken naar die ene waarmee wij de eerste keer hebben gedaan.’ [betrokkene 1] antwoordt: ‘Ja makker afgesproken mati.’ Om 18.54 uur diezelfde dag pingt [verdachte] aan [betrokkene 1]: ‘Ga je dat ding van [bijnaam 2 medeverdachte 1] doen mati.’ ‘Want ik ga weer naar een afspraak met hem.’ ‘De mensen zijn klaar.’ [betrokkene 1] antwoordt: ‘Ja mati van [bijnaam persoon/plaats] bedoel je.’ [verdachte] pingt aan [betrokkene 1]: ‘Zij willen minimum 5 inzetten/meedoen.’ [betrokkene 1] verstuurt daarop het volgende bericht: ‘Ja mati laat mij daar komen volgende week kunnen wij het doen. Ik ben read om zelfs 10 of 20 te zetten.’ [verdachte] vraagt aan [betrokkene 1]: ‘Wat zeg ik hun nu aan tafel.’ [betrokkene 1] antwoordt: ‘ja’. Diezelfde dag, om 19.45 uur, ontmoeten [verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en een onbekende man elkaar in café restaurant Dauphine. Om 20.21 uur voegt [medeverdachte 2] zich bij voornoemde personen. Vanaf 20.22 uur voert [verdachte] een pinggesprek met [betrokkene 1]. [verdachte] aan [betrokkene 1]: ‘Makker ik ben hier met de man.’ ‘Nou welke dag ben je klaar om het te doen woensdag of weekend.’ Om 20.33 uur pingt [verdachte] aan [betrokkene 1]: ‘Denk je dat wij hun weekend volgende week moeten zeggen. Want in principe weet [bijnaam persoon/plaats] al wat hij moet doen. Of moet jij op dvd wachten?’ [betrokkene 1] antwoordt: ‘Ja makker beter volgende week weekend, ik zal ervoor zorgen dat ik persoonlijk bij [bijnaam persoon/plaats] ben.’ Op 6 februari 2012 om 17.59 uur pingt [verdachte] aan [betrokkene 1] dat hij zo een afspraak heeft met de gasten van de vleugel. [verdachte] pingt om 20.28 uur aan [betrokkene 1]: ‘Nu vriend ik zit met de gasten hier.’ Vervolgens pingt [verdachte]: de vent van de vleugel. Daarna verstuurt [verdachte] het volgende bericht aan [betrokkene 1]: ‘Hier is [bijnaam 2 medeverdachte 1].’ Kort daarvoor, om 20.09 uur, ziet het observatieteam [verdachte], [medeverdachte 1] en twee onbekende mannen in café restaurant Dauphine. De twee onbekende mannen blijken te zijn [Betrokkene 4] en [medeverdachte 10]. Op 15 februari 2012 belt [medeverdachte 1] met [verdachte]. [verdachte] zegt: ‘Pac is on voor vrijdag.’ [verdachte] pingt vervolgens om 23.00 uur aan [betrokkene 1]: ‘Kijk of [naam] morgen kan werken.’ ‘Wij zijn on voor komende vrijdag.’ [betrokkene 1] stuurt dan het volgende bericht: ‘Ik vraag aan de mati jou te laten/brengen.’ [verdachte] pingt: ‘Makker, doe je best, want wij hebben de mensen gezegd dat vanaf de 14e van de maand het gestuurd kan worden je hebt ons zelf gezegd.’ [betrokkene 1] antwoordt: ‘Ja swa ik weet het mati.’ [verdachte] schrijft: ‘ik ben niet degene die dat deel heeft geschreven het is [bijnaam 2 medeverdachte 1] en pingt vervolgens dat [betrokkene 1] wel nerveus lijkt. [verdachte] ontvangt daarop de volgende berichten van [betrokkene 1]: ‘Ja, mati, toch nerveus. Ik heb net dat ding voor [naam] gestuurd.’ ‘Ik ben nerveus als dat ding niet in mijn handen is snap je.’ [verdachte] antwoordt: ‘Wij zitten met de guys aan tafel snap je.’ In een telefoongesprek dat [medeverdachte 1] op 16 februari 2012 met [verdachte] voert geeft [verdachte] aan dat Pacman niet meer kan omdat het te gehaast is. [verdachte] rekent nu op de datum van [bijnaam medeverdachte 2]. [medeverdachte 1] zegt daarop: ‘Ja, van [medeverdachte 2], die [medeverdachte 2] ons heeft gezegd.’ Op 18 februari 2012 is [verdachte] met vlucht KL761 naar Curaçao gevlogen. Op 28 februari 2012 staat de terugvlucht naar Amsterdam geboekt. Op 24 februari 2012 pingen [medeverdachte 1] en [verdachte] met elkaar. [medeverdachte 1] vraagt om 19.21 uur aan [verdachte] of hij tegen [bijnaam 1 medeverdachte 3] heeft gezegd dat [bijnaam medeverdachte 2] geld moet geven. [verdachte] antwoordt bevestigend. [medeverdachte 1] pingt dat hij ze nu gaat ontmoeten, omdat [bijnaam medeverdachte 2] met hem wil praten. Vervolgens pingt [medeverdachte 1] dat hij hem zelf zal zeggen hoeveel. [verdachte] antwoordt: ‘[bijnaam medeverdachte 2] moet het wel geven.’ [medeverdachte 1] pingt dan: ‘Hij moet eraan denken dat [bijnaam medeverdachte 2] papier moet geven.’ [verdachte] pingt dat hij het hem al heeft gezegd. Op 25 februari 2012 pingt [medeverdachte 1] met [betrokkene 1]. [medeverdachte 1] vraagt om 17.20 uur aan [betrokkene 1]: ‘Kun je ze ook het kenteken voor jou laten sturen?’ Direct daarna vraagt [medeverdachte 1] aan [betrokkene 1] of hij een foto van de kinderen heeft. Om 17.38 uur verstuurt [betrokkene 1] drie foto’s met daarop afgebeeld pakketten en een rugtas waaraan een touwtje is geknoopt. Deze foto’s worden door [medeverdachte 1] diezelfde dag om 23.28 uur aan [verdachte] verstuurd. [medeverdachte 1] vraagt aan [verdachte] of hij ze heeft ontvangen en [verdachte] antwoordt: ‘Ja maatje zeker.’ Op 26 februari 2012 om 4.14 uur vraagt [medeverdachte 1] over de ping aan [verdachte]: ‘heeft de kleine man iets tegen jou gezegd?’ ‘Vraag het hem?’ In een pinggesprek tussen [betrokkene 1] en [medeverdachte 1] op diezelfde datum verstuurt eerstgenoemde vervolgens om 4.23 uur een bericht met navolgende inhoud aan [medeverdachte 1]: ‘KCK’ ‘Dat is de letter.’ [medeverdachte 1] verstuurt vervolgens om 4.28 uur aan [verdachte]: ‘We zijn on b!!’ Om 4.28 uur ontvangt [medeverdachte 1] van [betrokkene 1]: ‘Vriend [naam] heeft 6 gezet hij zei dat hij morgen de rest zet.’ [medeverdachte 1] antwoordt: ‘Beter iets dan niets.’ Uit informatie van het Centraal Informatie Systeem Schiphol blijkt dat van de vlucht KL761 afkomstig vanuit Curaçao en Bonaire van 26 februari 2012 met registratienummer PH-KCK de verwachte aankomsttijd 11.10 uur betrof, maar dat het vliegtuig ruim een uur later, om 12.36 uur, is geland op Schiphol. Het vliegtuig is op 27 februari 2012 doorgevlogen naar San Francisco om de daaropvolgende dag om 9.32 uur wederom te landen op Schiphol. Op 26 februari 2012 wordt op Schiphol het KLM vliegtuig met registratienummer PH-KCK onderzocht door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4]. Een medewerker van de afdeling technische dienst van KLM opent een rood gekleurd luik, onder de vleugel aan bakboordzijde van het vliegtuig. Op dit luik is te lezen: ‘pressure refueling.’ Op het moment dat de medewerker van de technische dienst het luik opent valt daaruit een zwarte tas. Verbalisanten zien dat de tas is omwikkeld met een geelachtig gekleurd touwtje. Verbalisanten nemen de tas in beslag genomen en brengen de tas over naar het kantoor van CargoHarc-team op Schiphol waar de tas wordt veilig gesteld in een kluis. Op 29 februari 2012 stelt [verbalisant 5] een sporenonderzoek in. In de zwarte rugtas worden zes pakketten aangetroffen, waarvan de buitenste verpakkingslaag grijze tape betreft. Aan de buitenzijde van de zwarte rugtas zijn op verschillende plaatsen drie touwen vastgeknoopt. Op 6 maart 2012 onderwerpen verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] de rugtas met de zes pakketten aan een nader onderzoek. De inhoud van de zes pakketten betreft een witte kruimelige stof met een netto gewicht van 6009 gram. Van de inhoud van de zes pakketten hebben verbalisanten een zestal monsters getrokken, welke zijn geregistreerd onder de nummers AABY2966NL tot en met AABY2971NL. Het Nederlands Forensisch Instituut heeft onderzoek verricht naar de monsters AABy2966NL tot en met AABY2971NL en geconcludeerd wordt dat elk monster cocaïne bevat. Op 26 februari 2012 om 14.34 uur pingt [medeverdachte 1] aan [verdachte] op de vraag hoe het gaat dat hij op [bijnaam medeverdachte 2] aan het wachten is. Om 15.00 uur pingt [medeverdachte 1] aan [verdachte]: ‘Ik zat net met [bijnaam 1 medeverdachte 3].’ [verdachte] zegt: ‘Om naar jou toe te komen.’ ‘Hebben ze toch al oké gegeven’ ‘Ik bedoel zodat de kinderen naar jou toe komen/bij jou komen.’ [medeverdachte 1] pingt: ‘Ja, hij heeft naar [bijnaam 1 medeverdachte 3] geschreven dat ze tegen hem gezegd hebben dat hij 1 uur moet wachten.’ [verdachte] stuurt vervolgens het volgende bericht: ‘Hij moet met ze komen.’ ‘Maatje we moeten snel bewegen. Voordat het verneukt wordt.’ Om 16.02 uur praten [medeverdachte 1] en [verdachte] verder via pingberichten. [medeverdachte 1] aan [verdachte]: ‘Nu zegt [bijnaam medeverdachte 2] dat de bus laat is gearriveerd.’ [verdachte] aan [medeverdachte 1]: ‘Bedoel je dat het nog niet oké is.’ [medeverdachte 1] antwoordt: ‘Nee, [bijnaam medeverdachte 2] zit hier.’ ‘Hij zei dat de man geen kans/gelegenheid krijgt/heeft.’ [verdachte] zegt: ‘Je bedoelt dat het ding gaat/vertrekt’, waarop [medeverdachte 1] pingt: ‘Hij laat het op en neer gaan om het werk te doen.’ [medeverdachte 1] pingt vervolgens nog dat hij met [bijnaam 1 medeverdachte 3] en [bijnaam medeverdachte 2] zit en dat [bijnaam 1 medeverdachte 3] met de mannen gaat praten. [verdachte] antwoordt: ‘Oké, goed.’ Op 26 februari voert [medeverdachte 1] vanaf 16.42 uur een telefoongesprek met [vriendin medeverdachte 1]. [vriendin medeverdachte 1] vraagt onder meer: ‘Wat is er schatje, heeft die [medeverdachte 2] je geript?’ [medeverdachte 1] zegt ‘Nee nee nee nee kijk wat je praat weet je weet je wat het is ik leg je dadelijk zelf uit oke?’ [medeverdachte 1] pingt op 26 februari 2012 vanaf 16.37 uur met [betrokkene 1]. [medeverdachte 1] pingt: ‘Mati het is laat gearriveerd/gekomen, ze hebben het op en neer laten gaan zegt deze nieuwe groep tegen mij. Dat het gearriveerd was voordat ze naar buiten moesten om te beginnen. Maar ze hebben de garantie gegeven dat ze morgen hun ding doen als het terug is. Ik heb het die man duidelijk uitgelegd dat onze eerste groep op dat ding gaat zodra het aankomt. Hij zei maak je geen zorgen, ze staan garant.’ ‘Dus zeg tegen [naam] dat hij wacht.’ [betrokkene 1] antwoordt: ‘Ja swa, ach nee maar ik dacht dat we het nu met de eerste groep gedaan hadden.’ [medeverdachte 1] antwoordt: ‘Nee, we hebben deze groep gebruikt, want hun dagen vielen op dezelfde dagen als die van [naam]. Het is volgende week met Gods wil dat de andere groep op onze dag van handelen zit.’ Voornoemd bericht verstuurt [medeverdachte 1] op 26 februari 2012 om 16.50 uur door aan [verdachte]. [verdachte] geeft vervolgens aan dat [naam] en [bijnaam 1 medeverdachte 3] heel erg pissig zijn en dat het uit de hand kan lopen. [medeverdachte 1] pingt dan: ‘Hun pakje aan maatje.’ [verdachte] verstuurd daarop het volgende pingbericht: ‘[bijnaam medeverdachte 2] zijn pakje aan.’ Om 17.42 uur verstuurt [betrokkene 1] het volgende pingbericht aan [medeverdachte 1]: ‘Maatje luister naar mij, [naam] zegt tegen mij dat het ding moet tanken zodra het stilstaat en ze vinden het zorg dat die mannen niet de clown uithangen broer. Jullie hadden met hun moeten werken en je weet dondersgoed broer hoe kut dat ding kan vliegen zonder te tanken. Zodra het stilstaat gaat het tanken of komt ergens anders waar het gaat tanken, dus zet druk want het verhaal over morgen geloof ik helemaal niet, dus zorg dat ze de kut van hun moeder eruit halen.’ [medeverdachte 1] pingt om 17.45 uur: ‘Ja maatje, helemaal. Maar aan de zijde/kant waar dat ding is, is niet de kant/zijde van de tank/om te tanken. Die zijde is om eruit te halen als er teveel is. Maar er is hier al heel veel druk gezet.’ Om 17.46 uur pingt [medeverdachte 1] het bericht dat hij om 17.42 uur van [betrokkene 1] ontving door aan [verdachte]. [medeverdachte 1] geeft daarbij aan dat ze verkeerd zitten en dat de kant niet de kant is om te tanken. [betrokkene 1] pingt om 17.53 uur aan [medeverdachte 1]: ‘Vriend ze moeten het er vandaag uithalen en niet zo zacht doen (zich niet aanstellen/mieterig doen), ik bedoel laten we serieus doen.’ [medeverdachte 1] laat weten dat hij met ze bezig is. [betrokkene 1] pingt vervolgens: ‘Vriend jullie hebben gefaald maatje ik heb jullie duidelijk gemaakt onze winnende groep voorrang te geven. [naam] is levendig/alert hij zegt dat hij voelt dat het niet dezelfde groep is zorg dat ze het eruit halen.’ Op 26 februari 2012 pingt [medeverdachte 1] vanaf 20.28 uur met [verdachte]. [medeverdachte 1] vraagt [verdachte] een foto van de plek te sturen. [medeverdachte 1] is met een vent aan het praten die vast op de dienst werkt. [medeverdachte 1] stuurt dan twee berichten: ‘Stuur de foto met de as en de touw.’ ‘Die ik voor jou gestuurd heb.’ [verdachte] antwoordt: ‘Ik heb ze gewist toen ik gisteren door de douane ging, opdat ze niet gaan liegen en zogenaamd in mijn tel willen.’ [medeverdachte 1] pingt: ‘Die man is met de vent die zelf werkt gekomen maatje.’ ‘Daarom moet [bijnaam medeverdachte 2] het niet verneuken/verkloten.’ ‘En hij werkt wel op de spot.’ [verdachte] antwoordt: ‘[bijnaam medeverdachte 2] kan naar zijn moeders kut lopen, maatje.’ [medeverdachte 1] pingt om 20.47 uur aan [verdachte]: ‘Nu zegt [bijnaam medeverdachte 2] dat die van hem bij de plek/zaak werkt, swa.’ [verdachte] antwoordt: ‘Pfff zeg tegen hem dat hij het helemaal niet zo gezegd heeft.’ [verdachte] pingt aan [medeverdachte 1] dat hij boos is op [bijnaam medeverdachte 2]. Om 20.48 uur pingt [verdachte]: ‘Want dit pik ik niet.’ [medeverdachte 1] vraagt om 20.55 uur aan [verdachte] wat hij nu tegen ‘[bijnaam betrokkene 1]’ moet zeggen. [verdachte] antwoordt: ‘De waarheid maatje.’ [medeverdachte 1] pingt aan [verdachte] vervolgens het bericht dat hij ontving van [betrokkene 1] waarin [betrokkene 1] zegt dat ze hebben gefaald. [medeverdachte 1] pingt vervolgens: ‘Maar ik wil antwoorden: We hebben niet gefaald broer. We hebben simpelweg de mannen betaald om te werken. En toen onze eerste groep een dag voor vorige week donderdag en woensdag gegeven had. Maar [naam] kon pas zaterdag.’ ‘En het resulteerde dat groep 2 toevallig van het weekend aan het werk was hebben we besloten hun te gebruiken.’ [verdachte] antwoordt: ‘Ja man.’ Op 27 februari 2012 om 3.17 uur pingt [medeverdachte 1] aan [betrokkene 1]: ‘Vanzelf weten deze mensen dondersgoed wat wat is/hoe het zit. De zijde/kant waar dat ding zit is niet de zijde waar ze tanken. Maar de andere zijde, dat heeft de eerste groep mij zelf uitgelegd voor het geval er op een dag zoiets aan hun zijde.’ [betrokkene 1] pingt: ‘Serieus heel erg jammer broer, zie je hoeveel we gestreden/geworsteld en gewacht hebben om dit weer te krijgen.’ [medeverdachte 1] zegt: ‘Ja broer, ik ben hier helemaal gek/doorgedraaid. Want het is brood voor mijn kinderen en ik vertegenwoordig NLS [bijnaam 1 verdachte]. De eerste groep heeft ons vorige week dagen gegeven, dinsdag en woensdag. Maar de dagen van [naam] begonnen zaterdag snap je, daarom is er met hen gewerkt. Want alle drie de groepen mensen met wie hij dit werk wil doen ken ik, en ik wil dient dat ze dingen als een bitch gaan lopen doen en het verzieken.’ [betrokkene 1] zegt dan tegen [medeverdachte 1]: ‘ja maar ik verander/verwissel nooit het winnende team.’ Op 28 februari 2012 om 22.26 uur stuurt [medeverdachte 1] het volgende bericht aan [betrokkene 1]: ‘Vanzelf is dat ding er straks, zij zullen ermee bezig zijn. Maar sowieso is de afspraak gemaakt dat wat er ook gebeurt, er morgen met Gods wil wordt betaald.’ [betrokkene 1] antwoordt: ‘Met wat kun je mij betalen.’ [medeverdachte 1] antwoordt dat zodra hij het heeft [betrokkene 1] het krijgt. Zodra hij het in zijn handen heeft, kijkt hij hoe het is en dan doen. Het observatieteam heeft op 29 februari 2012 om 15.48 uur een ontmoeting waargenomen in de McDonalds tussen [verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3]. Vier minuten later ziet het observatieteam dat [medeverdachte 2] de McDonalds betreedt en dat hij bij [verdachte], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] gaat zitten. Om 17.42 uur verlaten [verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 3], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] de McDonalds. Om 18.21 uur ziet het observatieteam [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] een ontmoeting hebben voor het Mercure. Om 18.24 en 18.27 wordt waargenomen dat [medeverdachte 1] zijn mobiele telefoon gebruikt. Om 18.55 uur stappen de mannen in hun auto’s en rijden weg. Diezelfde dag om 18.31 uur pingt [medeverdachte 1] met [betrokkene 1]. [medeverdachte 1] verstuurt: ‘Nu [betrokkene 1], de vent beweert dat hij niets heeft gevonden. We hebben hun uitgelegd dat ze moeten betalen. En vandaag beginnen met betalen. Hij doet alsof hij wil twijfelen dat het ding gezet is terwijl het onder zijn verantwoordelijkheid valt dat hij het niet heeft gepakt. Dus we stellen al dat als hij niet meewerkt slaan we los op hun opdat ze weten dat de dingen serieus zijn. Heb je de foto met de tas met de dvd met het lintje ernaast voor mij.’ ‘Straks zijn we met hem aan tafel opdat hij begint te betalen.’ [betrokkene 1] antwoordt: ‘Ach nee vriend, de man heeft voor de gek gehouden toen dat ding een rondje ging maken wisten ze heel goed dat dat ding stopt om (benzine) te tanken, welke vliegtuig vliegt zonder fuel vriend. Hij had al bekogeld moeten worden vriend het is hetzelfde gedo.’ [medeverdachte 1] zegt: ‘Ns (nos = wij) regelen dit ding.’ [medeverdachte 1] pingt: ‘hij had het dezelfde dag moeten doen.’ ‘Of ons zeggen (gezegd hebben als hij verlaat was om het niet te doen) als hij verlaat is niet te doen.’ [medeverdachte 1] vraagt om 18.41 uur aan [betrokkene 1] of hij de foto’s nog voor hem heeft. Om 18.58 pingt [betrokkene 1]: ‘Ja, ik ben ken kem (helemaal oke) ik leg je uit wat hij verstuurd heeft ik heb het over (door) gestuurd. Om 19.00 uur verstuurt [betrokkene 1] per ping zeven foto’s van een rugtas en pakketten. [betrokkene 1] pingt [medeverdachte 1] vervolgens: ‘Ik heb hun die 500 E’s (meervoud) in de ochtend gegeven.’ [medeverdachte 1] vraagt: ‘Dus ze waren van 500 euro.’ [betrokkene 1] pingt om 19.24 uur aan [medeverdachte 1]: ‘nee vriend, ik heb hem 25000€ gegeven.’ ‘Ik leg je uit dat hij de foto gemaakt heeft op de dag toen hij aankwam om mij de euro’s boven (erop) te laten zien die ik hem net gegeven had want die dvd’s zijn al heel lang daar.’ Bij de inbeslagname op 26 februari 2012 worden door het onderzoeksteam bij het uitpakken van de zending verdovende middelen foto’s gemaakt. [betrokkene 1] heeft op 25 februari 2012 een drietal en op 29 februari 2012 een zevental foto’s aan [medeverdachte 1] verstuurd. Het merklogo dat te zien is op de rugtas op beide foto’s komt overeen, hetgeen ook geldt voor het koord dat en zoals dat aan de rugtas is bevestigd en zoals dat op de foto’s te zien is. In beide gevallen staan op de foto’s zilverkleurige pakketten afgebeeld. Op 1 maart 2012 voert [verdachte] een pinggesprek met de gebruiker van het PIN-nummer [PIN-nummer]. [verdachte] pingt dat hij net ‘150 duiz’ heeft verloren en dat hij ‘in een grote shit zit hier.’ [verdachte] is bezig dat ‘ze’ hem gaan betalen. Om 16.25 uur pingt [medeverdachte 1] aan [verdachte]: ‘Hey [bijnaam medeverdachte 2] wilt ontmoeting.’ ‘Ik heb hem achter drinkplek gestuurd’ ‘Ik ga daarheen.’ [verdachte] pingt: ‘Ja vriend ik kom.’ Diezelfde dag om 19.12 uur pingt [verdachte] met [betrokkene 1]. [verdachte] aan [betrokkene 1]: ‘Popo heeft het ding/spul gevonden.’ ‘Want deze flikkers hebben het spul/ding niet gepakt’ ‘Zij hebben onze zaak/ding gewoon verkloot.’ ‘Maar ik zal ze pakken.’ ‘Men zegt dat het in de Telegraaf staat en op AT5.’ ‘De soldaat is hier bij mij, kom naar boven, ik ga ze beklimmen, nu (ik ga ze nu aanpakken).’ ‘Wij zitten hier te wachten dat zij komen.’ Op 1 maart 2012 is door het openbaar ministerie een persbericht uitgegeven omtrent de inbeslagname van zes kilo cocaïne, welke verstopt zat in een vliegtuigvleugel. Op 1 maart 2012 wordt door het observatieteam om 19.14 uur een ontmoeting waargenomen voor café restaurant Dauphine tussen [medeverdachte 1], [verdachte], [medeverdachte 3] en twee onbekende mannen (Man 3 en Man 4). Om 19.56 uur ziet het observatieteam een ontmoeting tussen [medeverdachte 1], [verdachte], [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en een onbekende man (Man 5). Om 21.32 uur pingt [verdachte] aan [betrokkene 1]: ‘Ik heb hier al een auto afgenomen vriend.’ ‘Morgen moeten zij met meer geld komen.’ [betrokkene 1] pingt om 22.53 uur aan [verdachte]: ‘Ja vriend die kerels zijn zeikerds. Serieus vriend als zij het gepakt hebben dan vervloek ik ze. Alles had zonder problemen kunnen gaan. Zij zouden een manier hebben gezocht om het eruit te halen wanneer het ding geparkeerd stond of zo iets.’ [verdachte] antwoordt: ‘Zij hebben het niet eruit gehaald en hebben het ding verneukt.’ IV. Bewijsoverweging De rechtbank leidt uit de vastgestelde feiten en omstandigheden af dat vanaf 29 december 2011 de invoer van een partij cocaïne via Schiphol is georganiseerd, dat op 26 februari 2012 naarstig is gezocht naar een manier om de cocaïne (alsnog) uit de vleugel van het vliegtuig te halen en dat vervolgens is gecommuniceerd over het waarom van en de verantwoordelijke voor het falen. Van belang heeft de rechtbank in het bijzonder geacht de overeenkomsten tussen de aan en door verdachten op 25 en 29 februari 2012 verstuurde foto’s van pakketten en een rugtas en de op 26 februari 2012 aangetroffen pakketten cocaïne in een rugtas en voorts de overeenkomst tussen het op 26 februari 2012 aan een van de verdachten verstuurde kenteken gevolgd door het pingbericht ‘we zijn on b!’ en de registratiecode van het vliegtuig waarin de cocaïne op 26 februari 2012 is aangetroffen. De rechtbank is van oordeel dat de gesprekken en ontmoetingen zoals hiervoor weergegeven blijkens hun inhoud en gezien de onderlinge samenhang betrekking hebben gehad op de invoer van cocaïne op 26 februari 2012. De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op de kring van deelnemers aan de telefoon- en pinggesprekken en aan de ontmoetingen en op de continuïteit van die gesprekken en ontmoetingen. Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen het versluierend taalgebruik in de opgenomen telefoon- en pinggesprekken. Ten slotte heeft de rechtbank in haar oordeelsvorming betrokken dat de verdachten in het voorbereidend onderzoek noch ter terechtzitting een verklaring hebben afgelegd over de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden die wijzen op hun betrokkenheid bij het ten laste gelegde met betrekking tot dit zaaksdossier. Daarmee hebben verdachten geen verklaring gegeven die de redengevendheid van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden zou kunnen ontzenuwen. De rechtbank acht derhalve gelet op het samenstel van feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, wettig en overtuigend bewezen dat de door verdachten verrichte handelingen betrekking hebben gehad op de invoer van 6009 gram cocaïne. Medeplegen De rechtbank leidt uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden af dat [verdachte] een actieve bijdrage heeft geleverd aan de organisatie van de invoer van de cocaïne. [verdachte] is aanwezig bij ontmoetingen met medeverdachten, onderhoudt contact over de (datum van
- de)zending cocaïne met [betrokkene 1] die kennelijk een belangrijke rol vervult aan de zijde waar de drugs wordt verzonden en aan wie over de feitelijke invoer verantwoording wordt afgelegd en [verdachte] initieert dan wel onderhoudt voorts, al dan niet via een tussenpersoon, contact met de personen die de cocaïne in Nederland uit het vliegtuig zouden halen. [verdachte] ontvangt de foto’s van pakketten en een rugtas op 25 februari 2012. Hij houdt zich bezig met het probleem dat de cocaïne niet uit het vliegtuig wordt gehaald en met het aanwijzen van een verantwoordelijke voor het falen. [verdachte] en [medeverdachte 1] houden elkaar op de hoogte van hetgeen zij doen in het kader van de zending. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [verdachte] samen met in ieder geval [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en ‘[betrokkene 1]’ handelingen heeft verricht die waren gericht op de invoer van drugs en dat zij zich aldus schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van het op 26 februari 2012 opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van 6009 gram cocaïne. 4.3.5. Feit 2 (zaaksdossier B1) I. Inleiding Onder feit 2 wordt [verdachte] en [medeverdachte 1] verweten dat zij [medeverdachte 2] door middel van geweld, enige andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld hebben gedwongen een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 1] aan hen af te staan. [medeverdachte 2] heeft geen aangifte gedaan van dit feit. In het onderzoek is [medeverdachte 2] onvindbaar gebleken en om die reden hebben de opsporingsdiensten hem niet kunnen aanhouden, noch hebben zij hem kunnen horen over het onderhavige feit. II. Gebruik nummers telecommunicatie [verdachte] maakt gebruik van de PIN-nummers [PIN-nummer 1 verdachte], [PIN-nummer 2 verdachte] en [PIN-nummer 4 verdachte] en het telefoonnummer [telefoonnummer 1 verdachte]. Dat de PIN-nummers [PIN-nummer 1 verdachte] en [PIN-nummer 2 verdachte] indertijd aan [verdachte] toebehoorden is hiervoor onder feit 1 besproken. Dit geldt ook voor het telefoonnummer [telefoonnummer 1 verdachte]. Ten aanzien van het PIN-nummer [PIN-nummer 4 verdachte] overweegt de rechtbank het volgende. Op 5 maart 2012 verandert de nickname behorende bij het PIN-nummer [PIN-nummer 1 verdachte]. De nickname is dan [naam zoon verdachte]. Dit is de naam van de zoon van [verdachte]. De gebruiker van het PIN-nummer [PIN-nummer 1 verdachte] ontvangt vervolgens een pingbericht vanaf het PIN-nummer [PIN-nummer 4 verdachte]. De gebruiker van laatstgenoemd PIN-nummer noemt zichzelf [bijnaam 1 verdachte]. De gebruiker van het PIN-nummer [PIN-nummer 4 verdachte] verstuurt berichten aan de gebruiker van het PIN-nummer [PIN-nummer 1 medeverdachte 4] waarin hij deze gebruiker zus noemt. De gebruiker van PIN-nummer [PIN-nummer 1 medeverdachte 4] betreft [medeverdachte 4], de zus van [verdachte]. Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat het PIN-nummer [PIN-nummer 4 verdachte] indertijd aan [verdachte] toebehoorde. [medeverdachte 1] maakt gebruik van de PIN-nummers [PIN-nummer 1 medeverdachte 1] en [PIN-nummer 3 medeverdachte 1] en de IMEI-nummers [IMEI-nummer 3 medeverdachte 1] en [IMEI-nummer 4 medeverdachte 1]. Van voornoemde PIN- en IMEI-nummers is onder feit 1 al door de rechtbank geconcludeerd dat deze indertijd aan [medeverdachte 1] toebehoorden. [medeverdachte 2] De rechtbank heeft onder feit 1 vastgesteld dat ‘[bijnaam medeverdachte 2]’ een bijnaam is voor [medeverdachte 2]. Dit geldt tevens voor de varianten van deze bijnaam, zoals ‘[bijnaam medeverdachte 2]’, ‘[bijnaam medeverdachte 2]’ en ‘[bijnaam medeverdachte 2]’. De rechtbank zal, uitgaande van voornoemde verdachten als gebruikers van voornoemde nummers, de met die nummers gevoerde pinggesprekken aan de respectieve verdachten toeschrijven, tenzij op grond van contra-indicaties hierna vermeld een andere conclusie gewettigd is. III. Redengevende feiten en omstandigheden Zoals hiervoor onder feit 1 weergegeven heeft de rechtbank bewezen geacht dat [medeverdachte 1], [verdachte], [medeverdachte 2], en [medeverdachte 3] als medeplegers verantwoordelijk zijn voor de invoer in Nederland van iets meer dan 6 kilogram cocaïne op 26 februari 2012. Op die datum is op Schiphol een KLM vliegtuig doorzocht door medewerkers van het CargoHarc-team. De medewerkers ontdekten de hoeveelheid cocaïne en hebben deze in beslag genomen. Voor [medeverdachte 1], [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] was de invoer derhalve niet geslaagd. Op en na 26 februari 2012 speelt zich het navolgende af. Op 26 februari 2012 om 14.34 uur pingt [medeverdachte 1] aan [verdachte] op de vraag hoe het gaat dat hij op [bijnaam medeverdachte 2] aan het wachten is. Om 15.00 uur pingt [medeverdachte 1] aan [verdachte]: ‘Ik zat net met [bijnaam 1 medeverdachte 3].’ [verdachte] zegt: ‘Om naar jou toe te komen.’ [medeverdachte 1] pingt: ‘Ja, hij heeft naar [bijnaam 1 medeverdachte 3] geschreven dat ze tegen hem gezegd hebben dat hij 1 uur moet wachten.’ [verdachte] stuurt vervolgens het volgende bericht: ‘Hij moet met ze komen.’ ‘Maatje we moeten snel bewegen. Voordat het verneukt wordt.’ Om 16.02 uur praten [medeverdachte 1] en [verdachte] verder via pingberichten. [medeverdachte 1] aan [verdachte]: ‘Nu zegt [bijnaam medeverdachte 2] dat de bus laat is gearriveerd.’ [verdachte] aan [medeverdachte 1]: ‘Bedoel je dat het nog niet oké is.’ [medeverdachte 1] antwoordt: ‘Nee, [bijnaam medeverdachte 2] zit hier.’ ‘Hij zei dat de man geen kans/gelegenheid krijgt/heeft.’ [verdachte] pingt: ‘Zeg tegen hem dat hij zorgt dat zijn mensen zeker zijn maatje.’ ‘Want als hij dit ding verneukt dan wil ik niet in zijn schoenen staan (vrij vertaald).’ [medeverdachte 1] pingt op 26 februari 2012 vanaf 16.37 uur met [betrokkene 1]. [medeverdachte 1] pingt: ‘Mati het is laat gearriveerd, ze hebben het op en neer laten gaan zegt deze nieuwe groep tegen mij. Dat het gearriveerd was voordat ze naar buiten moesten om te beginnen. Maar ze hebben de garantie gegeven dat ze morgen hun ding doen als het terug is. Ik heb het die man duidelijk uitgelegd dat onze eerste groep op dat ding gaat zodra het aankomt. Hij zei maak je geen zorgen, ze staan garant.’ [betrokkene 1] antwoordt: ‘Ja swa, ach nee maar ik dacht dat we het nu met de eerste groep gedaan hadden.’ [medeverdachte 1] antwoordt: ‘Nee, we hebben deze groep gebruikt, want hun dagen vielen op dezelfde dagen als die van [naam]. Het is volgende week met Gods wil dat de andere groep op onze dag van handelen zit.’ Voornoemd bericht verstuurt [medeverdachte 1] op 26 februari 2012 om 16.50 uur door aan [verdachte]. [verdachte] geeft vervolgens aan dat [naam] en [bijnaam 1 medeverdachte 3] heel erg pissig zijn en dat het uit de hand kan lopen. [medeverdachte 1] pingt dan: ‘Hun pakje aan maatje.’ [verdachte] verstuurd daarop het volgende pingbericht: ‘[bijnaam medeverdachte 2] zijn pakje aan.’ Op 26 februari voert [medeverdachte 1] vanaf 16.42 uur een telefoongesprek met [vriendin medeverdachte 1]. [vriendin medeverdachte 1] vraagt onder meer aan [medeverdachte 1]: ‘Wat is er schatje, heeft die [medeverdachte 2] je geript?’ Op 26 februari 2012 om 20.30 uur pingt [medeverdachte 1] aan [verdachte] dat hij met een vent aan het praten is die vast op de dienst werkt. [medeverdachte 1] pingt vervolgens om 20:46 uur: ‘Die man is met de vent die zelf werkt gekomen maatje.’ ‘Daarom moet [bijnaam medeverdachte 2] het niet verkloten.’ ‘En hij werkt wel op de spot.’ [verdachte] antwoordt: ‘[bijnaam medeverdachte 2] kan naar zijn moeders kut lopen, maatje.’ [medeverdachte 1] aan [verdachte]: ‘Nu zegt [bijnaam medeverdachte 2] dat die van hem bij de plek werkt, swa.’ [verdachte] antwoordt: ‘Pfff zeg tegen hem dat hij het helemaal niet zo gezegd heeft.’ [verdachte] pingt vervolgens aan [medeverdachte 1] dat hij boos is op [bijnaam medeverdachte 2]. En: ‘Want dit pik ik niet.’ Op 26 februari 2012 om 22.13 uur belt [medeverdachte 1] met [vriendin medeverdachte 1]. [vriendin medeverdachte 1] zegt onder meer: ‘Luister niet geloven dan dan moet je gewoon die sleutel van die auto afpakken. Nou ga je echt janken. Die gewoon afpakken. Die moet je gewoon afpakken want dat is zijn trots he. Hij kei keistoer en zo. Echt een criminele bak.’ ‘Gewoon met. Hij heeft… Ik ben met hem in die auto gestapt. Met die. In die witte Golf. Daarom heb ik die auto gezien.’ [medeverdachte 1] zegt in het gesprek: ‘Weet je hoe grappig. Ik pak die sleutel af hij moet het inleveren en jij rijdt.. hmmm.’ Het observatieteam heeft op 29 februari 2012 om 15.48 uur een ontmoeting waargenomen in de McDonalds te Diemen tussen [verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3]. Vier minuten later ziet het observatieteam dat [medeverdachte 2] aankomt in een Peugeot 206, de McDonalds betreedt en dat hij bij [verdachte], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] gaat zitten. Om 17.42 uur verlaten [verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 3], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] de McDonalds. Om 18.21 uur ziet het observatieteam [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] een ontmoeting hebben voor het Mercure Hotel te Amsterdam. Om 18.24 uur en 18.27 uur wordt waargenomen dat [medeverdachte 1] zijn mobiele telefoon gebruikt. Om 18.55 uur stappen de mannen in hun auto’s en rijden weg. Diezelfde dag om 18.31 uur pingt [medeverdachte 1] met [betrokkene 1]. [medeverdachte 1] verstuurt: ‘Nu [betrokkene 1], de vent beweert dat hij niets heeft gevonden. We hebben hun uitgelegd dat ze moeten betalen. En vandaag beginnen met betalen. Hij doet alsof hij wil twijfelen dat het ding gezet is terwijl het onder zijn verantwoordelijkheid valt dat hij het niet heeft gepakt. Dus we stellen al dat als hij niet meewerkt slaan we los op hun opdat ze weten dat de dingen serieus zijn. Heb je de foto met de tas met de dvd met het lintje ernaast voor mij.’ ‘Straks zijn we met hem aan tafel opdat hij begint te betalen.’ [betrokkene 1] antwoordt: ‘Ach nee vriend, de man heeft voor de gek gehouden toen dat ding een rondje ging maken wisten ze heel goed dat dat ding stopt om (benzine) te tanken welke vliegtuig vliegt zonder fuel vriend. Hij had al bekogeld moeten worden vriend het is hetzelfde gedo.’ [medeverdachte 1] zegt: ‘Ns (nos=wij) regelen dit ding.’ [medeverdachte 1] pingt: ‘zijn probleem vriend’ ‘hij had het dezelfde dag moeten doen.’ ‘Of ons zeggen (gezegd hebben als hij verlaat was om het niet te doen) als hij verlaat is niet te doen.’ ‘We willen hier vandaag al op hen inslaan.’ ‘We staan hier al gereed (hebben ons al gereed gemaakt)’ ‘Om te praten kijken of hij wilt afhandelen.’ ‘Anders doen wij ons ding.’ ‘[bijnaam 1 verdachte] en ik en nog een paar soldaten hebben ons opgesteld.’ Op 29 februari 2012 om 19.49 uur belt [medeverdachte 1] met de gebruiker van het Antilliaanse telefoonnummer [telefoonnummer] (hierna: [NN1]). [medeverdachte 1] geeft aan dat hij stress heeft in verband met ‘dingen’ met [nickname betrokkene 1]. [medeverdachte 1] zegt dat de dingen zijn vastgelopen bij een persoon en het is nu zijn ‘pakje aan’. [medeverdachte 1] zegt dan nog: ‘Het is zijn probleem. Het is hun probleem, [naam]. Ik wil het niet horen, ik wil het niet zien: weet je. Ik wil helemaal niks zien, broer. Ik kom en geef die vent een schop in zijn gezicht. Ik wacht het af. Ze willen hem al "opeten". Ik ben degene die zegt nee, nee, nee, je moet je hoofd gebruiken.’ Om 22.13 uur voert [medeverdachte 1] een telefoongesprek met [vriendin medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] zegt tegen [vriendin medeverdachte 1]: ‘Wat zeg je? Nee nee al dit geluid ik heb hoofdpijn, die flikker is net weggelopen weet je wel met z'n verhaaltjes en z'n bullshit weet je wel?’ [vriendin medeverdachte 1] vraagt of [medeverdachte 1] hem gewoon heeft laten gaan. [medeverdachte 1] antwoordt: ‘Nee maar hij hij heeft geen andere keus, hij is tot morgen morgen. Hij heeft geen andere keus schatje. Weet je ik kan niet zo uiterlijk daar winnen met deze telefoon heb ik hier mee gebeld enzo snap je?’ Later zegt [medeverdachte 1]: ‘Weet je het is niet een telefoon van ons alleen weet je. Dus hij heeft gewoon geen andere keus, begrijp je hij heeft gewoon geen andere keus. Hij heeft zich proberen d'r uit te lullen op verschillende manieren weet je wel? Uiteindelijk heb ik ook gezegd ik heb ook kinderen vriend. Die dingen moet je zelf doen snap je? Hij wil slim spelen maar weet je klaar nou.’ ‘Dan ga je fouten maken maarja. Nu heeft ie gebakken peren want die tonmobiel raakt ie kwijt morgen. Sowieso. En wat heeft ie gedaan vandaag. Vandaag komt ie met een krakkenbak aan rijden. Je weet toch? Dat is ut. Begrijp je?’ ‘Oh wat een stress schat. Ja ja ja ja maar hij denkt hey. Nu dat ik dit zeg over die tonnobiel ga ik nu naar binnen weer tegen die jongen zeggen van hey luister hij moet die mobiel morgen inleveren. Klaar. Weet je? En hij heeft daar wel andere. Weet je ga nu naar binnen man, fokking man kankerleier man.’ Op 1 maart 2012 om 13.12 uur belt [verdachte] met [medeverdachte 3]. [medeverdachte 3] geeft aan dat hij [bijnaam medeverdachte 2] al benaderd heeft en dat hij vindt dat [bijnaam medeverdachte 2] zijn reet moet optillen. Op 1 maart 2012 voert [verdachte] een pinggesprek met de gebruiker van het PIN-nummer [PIN-nummer] (hierna: [NN2]). [verdachte] pingt om 16.02 uur dat hij net ‘150 duiz’ heeft verloren en dat hij ‘in grote shit zit hier.’ [verdachte] is bezig dat ‘ze’ hem gaan betalen. [NN2]: ‘Krijg je problemen met mensen?’ [verdachte]: ‘En ze willen niet betalen.’ ‘Dat is mijn tak.’ [NN2]: ‘Los het rustig op schat.’ [verdachte] verstuurt dan de pingberichten: ‘Kan niet meer rustig.’ ‘Ze willen mij het geld niet geven.’ Om 16.25 uur pingt [medeverdachte 1] aan [verdachte]: ‘Hey [bijnaam medeverdachte 2] wilt ontmoeting.’ ‘Ik heb hem achter drinkplek gestuurd’ ‘Ik ga daarheen’. [verdachte] pingt: ‘Ja vriend ik kom’ ‘Ik ben moe van praten met die gasten vriend serieus.’ ‘Ze moeten regelen/afhandelen.’ [medeverdachte 1]: ‘Deze man gaat met [bijnaam medeverdachte 2].’ [verdachte]: ‘Ja ik kom.’ Diezelfde dag om 18.59 uur pingt [verdachte] met [betrokkene 1]. [verdachte] aan [betrokkene 1]: ‘Jij zal het zo horen wanneer ik hun gezicht met een kogel kapotmaak (doorboor).’ ‘Zij moeten mij vandaag betalen.’ Ik ben goed kwaad.’ Vervolgens vanaf 19.12 uur: ‘Popo heeft het spul gevonden.’ ‘Want deze flikkers hebben het spul/ding niet gepakt.’ ‘Zij hebben onze zaak gewoon verkloot.’ ‘Maar ik zal ze pakken.’ ‘Men zegt dat het in de Telegraaf staat en op AT5.’ ‘De soldaat is hier bij mij, kom naar boven, ik ga ze beklimmen, nu (ik ga ze nu aanpakken)’ ‘Wij zitten hier te wachten dat zij komen.’ Op 1 maart 2012 wordt door het observatieteam om 19.14 uur een ontmoeting waargenomen voor restaurant café Dauphine tussen [medeverdachte 1], [verdachte], [medeverdachte 3] en twee onbekende mannen (Man 3 en Man 4). Om 19.56 uur ziet het observatieteam een ontmoeting tussen [medeverdachte 1], [verdachte], [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en een onbekende man (Man 5). Om 21.32 pingt [verdachte] aan [betrokkene 1]: ‘Ik heb hier al een auto afgenomen vriend.’ ‘Ik begin alvast deze te verkopen.’ ‘Morgen moeten zij met meer geld komen.’ ‘Ze hebben onze klus gekloot vriend.’ ‘Ik heb gogo op ze tevoorschijn gehaald opdat ze het weten.’ ‘En als men niet wil luisteren dan schiet ik op ze.’ [betrokkene 1] pingt: ‘Verkoop het vriend.’ [verdachte]: ‘Ik ben hier in de garage zodat ze het wassen en in de showroom plaatsen voor de verkoop.’ [betrokkene 1] pingt om 22.53 uur aan [verdachte]: ‘Ja vriend die kerels zijn zeikerds. Serieus vriend als zij het gepakt hebben dan vervloek ik ze. Alles had zonder problemen kunnen gaan. Zij zouden een manier hebben gezocht om het eruit te halen wanneer het ding geparkeerd stond of zo iets.’ [verdachte] antwoordt: ‘Zij hebben het niet eruit gehaald en hebben het ding verneukt.’ ‘Je zal het horen, geld of kogels.’ Om 22.11 uur voert [medeverdachte 1] een telefoongesprek met [vriendin medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] zegt: ‘Kowida we hebben die tommobiel van hem afgepakt.’ Om 22.51 uur bellen [medeverdachte 1] en [vriendin medeverdachte 1] weer met elkaar. [medeverdachte 1] zegt dat het geen echte R32 is. [vriendin medeverdachte 1] vraagt waar [medeverdachte 1] het over heeft en hij antwoordt: ‘Die mobiel van die man.’ In het gesprek zegt [medeverdachte 1] later: ‘Je had hem vandaag moeten zien he. Hij ging achter mij schuilen. Mij asjeblieft vragen om hem te beschermen. Ik zei tegen hem is goed. Ik zei blijf rustig iedereen, ik zeg kom hij wil met mij praten. Ik zeg tegen hem. Weet je wat ik hem vroeg. Ik ben toch altijd met jou goed geweest of niet. Jaa. Heb je ooit problemen met mij gehad? Weet je wat ie me antwoordde? Ik heb je altijd gemogen dat weet jij. Echt ik zweer het je toen hij dit tegen mij zei he. Ik wou eigenlijk gewoon.. Dit is een deel van de betaling weet je.’ [vriendin medeverdachte 1] vraagt aan [medeverdachte 1] of hij de papieren heeft. [medeverdachte 1] antwoordt: ‘We hebben het in een vriendenzaak van ons gebracht. Die jongen heeft het van me aangenomen nu snap je. Maar hij heeft deel 3 niet meegegeven jongen.’ ‘Nee die moet ie nog komen brengen.’ Om 23.38 uur voeren [medeverdachte 1] en [vriendin medeverdachte 1] een telefoongesprek waarin [medeverdachte 1] aangeeft dat hij nu deel drie gaat halen. Op 2 maart 2012 verstuurt de gebruiker van het PIN-nummer [PIN-nummer] aan [medeverdachte 1] een foto van een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 1]. Daarvoor ontvangt [medeverdachte 1] van dezelfde persoon het volgende pingbericht: ‘Ik ben hier aangekomen om te nemen, ik rijd daarna naar de garage toe.’ Er is onderzoek verricht naar de Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 1]. Uit gegevens van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna: RDW) blijkt dat [naam] (hierna: [naam]) van 20 april 2011 tot en met 8 maart 2012 de kentekenhouder van de Golf was. Vanaf 9 maart 2012 tot 25 april 2012 is dit [medeverdachte 7]. Daarna, vanaf 26 april 2012, staat [medeverdachte 4] geregistreerd als de kentekenhouder van de Volkswagen Golf. [naam] staat ingeschreven op hetzelfde adres als [medeverdachte 2]. Tijdens een doorzoeking wordt op het adres van [verdachte] een factuur aangetroffen voor een verzekering van een auto. De verzekerde auto betrof een Volkswagen Golf TDI met kenteken [kenteken 1]. De periode van verzekering liep van 27 april 2012 tot en met 27 juni 2012. De factuur was gericht aan [medeverdachte 4]. Op 20 november 2012 wordt [naam] als getuige gehoord door de politie. [naam] verklaart dat veel van zijn vrienden in de Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 1] reden. Eén van die vrienden was [medeverdachte 2]. Op 13 februari 2013 wordt [naam] nogmaals gehoord. Hij verklaart dan dat op een dag [medeverdachte 2] voor de deur stond en dat [medeverdachte 2] toen om deel drie van het kentekenbewijs en de sleutels van de Golf vroeg. [medeverdachte 2] vertelde dat hij in de problemen zat en dat het niet goed met hem ging. [naam] verklaart dat hij dit ook aan [medeverdachte 2] zag. Op 12 februari 2013 wordt [betrokkene 7] als getuige gehoord. [betrokkene 7] is op dat moment in het bezit van de Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 1]. [betrokkene 7] verklaart dat hij de auto heeft gekocht bij de [garage 1] van een persoon met de bijnaam ‘[bijnaam 2 verdachte]’. [verdachte] heeft tijdens zijn verhoor van 20 november 2012 aangegeven dat hij [bijnaam 2 verdachte] wordt genoemd. IV. Bewijsoverweging Uit de redengevende feiten en omstandigheden volgt dat [medeverdachte 2] de Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 1] heeft afgestaan aan [verdachte] en [medeverdachte 1]. De vraag die de rechtbank zich gesteld ziet is of [medeverdachte 2] dit onder dwang van [verdachte] en [medeverdachte 1] heeft gedaan. Bij het beantwoorden van die vraag is complicerend dat [medeverdachte 2] nimmer is gehoord door de politie en dat beide verdachten niets hebben verklaard over hetgeen er precies is voorgevallen bij de afgifte van de Volkswagen Golf door [medeverdachte 2]. Niettemin is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] zodanig onder druk hebben gezet dat daardoor [medeverdachte 2] werd gedwongen de Volkswagen Golf af te staan. Voor dit oordeel acht de rechtbank het volgende van belang. Uit de communicatie die heeft plaatsgevonden na het cocaïnetransport van 26 februari 2012 is af te leiden dat [medeverdachte 1], [verdachte] en [betrokkene 1] [medeverdachte 2] verantwoordelijk hielden voor het niet uit het vliegtuig halen van de cocaïne en dat zij wilden dat hij hun daarvoor zou betalen. Op 29 februari 2012 en op 1 maart 2012 hebben [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 2] ontmoetingen gehad die in het teken stonden van het inlossen van deze schuld door [medeverdachte 2]. Uit de communicatie tussen [vriendin medeverdachte 1], [medeverdachte 1], [verdachte] en [betrokkene 1] blijkt dat [medeverdachte 2] op 1 maart 2012 een Volkswagen Golf heeft afgestaan. Dat dit niet op vrijwillige basis is geschied leidt de rechtbank af uit het pingbericht van [verdachte] aan [betrokkene 1], na de waargenomen afspraak met [medeverdachte 2], waarin hij aangeeft dat hij een auto heeft afgepakt. Ook de gesprekken tussen [medeverdachte 1] en [vriendin medeverdachte 1] waarin [medeverdachte 1] aangeeft dat [medeverdachte 2] geen andere keuze heeft en dat [medeverdachte 2] zijn auto kwijt raakt, en dat ‘ze’ die tonmobiel hebben afgepakt wijzen op onvrijwilligheid. Gelet op een gesprek later die avond tussen [vriendin medeverdachte 1] en [medeverdachte 1], waarin de laatste aangeeft dat [medeverdachte 2] achter hem ging schuilen en dat deze [medeverdachte 1] vroeg om bescherming, alsook gelet op de door [verdachte] verstuurde pingberichten waarin deze aangeeft dat het conflict niet meer rustig opgelost kan worden en waarin [verdachte] schrijft dat hij een ‘gogo’ tevoorschijn heeft gehaald, acht de rechtbank bewezen dat [medeverdachte 2] door [medeverdachte 1] en [verdachte] in zodanige mate onder druk is gezet dat hij aan hen geen weerstand heeft kunnen bieden en zijn auto heeft afgestaan . De rechtbank wordt in haar oordeel dat [medeverdachte 2] onder druk is gezet gesterkt door de verklaring van [naam] die aangeeft dat [medeverdachte 2] hem heeft verteld dat hij in de problemen zat en dat het niet goed met hem ging. Daarbij komt dat [naam] heeft verklaard dit zelf ook aan [medeverdachte 2] te hebben gezien. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] [medeverdachte 2] door enige andere feitelijkheid hebben gedwongen aan hen de Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 1] af te staan. 4.3.6. Feit 4 (zaaksdossier B8) I. Inleiding [verdachte] wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de strafbare voorbereiding of bevordering van met betrekking tot cocaïne te verrichten gedragingen, zoals – onder meer – het binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne. De onderzoeksresultaten in zaaksdossier B8 bestaan, voor het overgrote deel, uit onderschepte datacommunicatie, te weten pinggesprekken. [verdachte] heeft zich gedurende het hele onderzoek, daargelaten een enkele verklaring met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden, beroepen op zijn zwijgrecht. In het onderzoek dat ziet op zaaksdossier B8 is geen cocaïne aangetroffen en in beslag genomen. Voor de bewijslevering komt het daarom vooral aan op de betekenis die moet worden toegekend aan de inhoud van de afgeluisterde en opgenomen communicatie. In de onderschepte pinggesprekken in dit dossier wordt niet ondubbelzinnig gesproken over cocaïne respectievelijk de invoer daarvan. In zijn uitspraak van 14 december 2012 (onderzoek Alpamayo) heeft het Gerechtshof Amsterdam overwogen dat wanneer in weerwil van de letterlijke gebezigde bewoordingen de betekenis en strekking van onderschepte gesprekken niettemin worden geduid als betrekking hebbende op cocaïne bij de bewijslevering de nodige behoedzaamheid dient te worden betracht. Het risico op een verkeerd begrip is immers aanwezig als de betekenis van het gesproken en geschreven woord moet worden uitgelegd en geïnterpreteerd. De rechtbank heeft daarom na te gaan of de voor het bewijs te bezigen verslagen van – in het onderhavige geval – pinggesprekken, bezien naar hun inhoud, de chronologie en de kring van deelnemers aan die gesprekken, in een met het oog op de bewijslevering betekenisvolle samenhang kunnen worden geplaatst. Bij dat onderzoek kan betekenis worden toegekend aan hetgeen overigens ten aanzien van één of meer van die deelnemers is gebleken, meer in het bijzonder over diens betrokkenheid op één of andere wijze bij de stof die in de beschuldiging centraal staat, te weten cocaïne. Dat sprake is van handelingen die betrekking hebben op cocaïne kan ook worden geconcludeerd, zo overweeg het Gerechtshof Amsterdam in zijn uitspraak van 17 september 2012 (onderzoek Pan), indien blijkt van een patroon van handelingen en gebeurtenissen dat in aanzienlijke mate overeenkomt met het patroon, beschreven in een zaaksdossier waarin wel een hoeveelheid cocaïne is aangetroffen en in beslag genomen en dat tot een bewezenverklaring van een aan verdachte ten laste gelegd feit heeft geleid. Daarbij is onder meer de combinatie van de betrokken personen, het gebezigde taalgebruik in de afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken en de modus operandi van betekenis. II. Gebruik nummers telecommunicatie Op 20 november 2012 vindt in de woning aan de [adres verdachte] te Amsterdam, zijnde de woning van [verdachte], een doorzoeking plaats waarbij een BlackBerry telefoon type 8520 wordt aangetroffen, bij welk toestel het PIN-nummer [PIN-nummer 5 verdachte] hoort. Tijdens de inzet van een IMSI-catcher op 3 oktober 2012 komt het IMEI-nummer [IMEI-nummer 2 verdachte] naar voren bij drie verschillende runs op locaties waar [verdachte] zich op dat moment bevindt. Bij voornoemd IMEI-nummer hoort het PIN-nummer [PIN-nummer 5 verdachte]. Op [datum] ontvangt de gebruiker van dit PIN-nummer meerdere berichten waarin hij gefeliciteerd wordt met ‘[naam]’ en met zijn kind. In een van die felicitatieberichten, te weten het bericht dat om 12.16 uur die dag wordt verstuurd, wordt de gebruiker van dit PIN-nummer ‘[bijnaam 2 verdachte]’ genoemd. [verdachte] heeft een dochter, [naam dochter verdachte], die is geboren op [datum]. Tijdens zijn verhoor van 20 november 2012 heeft [verdachte] aangeven dat iedereen hem [bijnaam 2 verdachte] noemt. Op [datum] pingt de gebruiker van het PIN-nummer [PIN-nummer 5 verdachte] aan de gebruiker van het PIN-nummer [PIN-nummer] dat [medeverdachte 4] jarig is. De gebruiker van laatstgenoemd PIN-nummer vraagt de gebruiker van PIN-nummer [PIN-nummer 5 verdachte] of hij haar wil feliciteren. De gebruiker van het PIN-nummer [PIN-nummer 5 verdachte] geeft aan dat hij dat zal doen. [verdachte] heeft een zus, [medeverdachte 4], die jarig is op [datum]. De gebruiker van het PIN-nummer [PIN-nummer 5 verdachte] stuurt op 5 oktober 2012 het volgende bericht: ‘Zou jij [naam zoon verdachte] voor mij naar school kunnen brengen mocht ik het niet halen?’ [verdachte] heeft een zoon die [naam zoon verdachte] heet. Voorts blijkt uit pingberichten dat de gebruiker van het PIN-nummer [PIN-nummer 5 verdachte] contact heeft met een [vriendin verdachte], terwijl uit onderzoek blijkt dat [verdachte] een vriendin heeft die zo heet. [verdachte] heeft ter terechtzitting van 9 januari 2014 ook verklaard dat hij een vriendin heeft die [vriendin verdachte] heet. Gelet op het vorenstaande concludeert de rechtbank dat het PIN-nummer [PIN-nummer 5 verdachte] indertijd aan [verdachte] toebehoorde. Het IMEI-nummer [IMEI-nummer 3 verdachte] en het IMSI-nummer [IMSI-nummer 1 verdachte] komen naar voren tijdens de inzet van een IMSI-catcher op 12 en op 16 oktober 2012 bij drie verschillende runs op locaties waar [verdachte] zich op dat moment bevindt. Bij voornoemd IMEI-nummer hoort het PIN-nummer [PIN-nummer 6 verdachte]. Het IMSI-nummer is gekoppeld aan het telefoonnummer [telefoonnummer 3 verdachte]. De simkaart behorende bij het IMSI-nummer en het daaraan gekoppelde telefoonnummer is ook gebruikt in de telefoon met het IMEI-nummer [IMEI-nummer 2 verdachte]. Zoals uit de hiervoor aangehaalde overwegingen blijkt is de telefoon met dit laatste IMEI-nummer aangetroffen in de woning van [verdachte] en blijkt uit door de gebruiker van het bijbehorende PIN-nummer ([PIN-nummer 5 verdachte]) verstuurde berichten dat deze telefoon in gebruik was bij [verdachte]. Op 4 november 2012 om 16.53 uur verstuurt [medeverdachte 1] vanaf PIN-nummer [PIN-nummer 5 medeverdachte 1] aan de gebruiker van het PIN-nummer [PIN-nummer 5 verdachte] een bericht, inhoudende dat hij hem de foto’s gaat sturen op die andere. Om 17.10 uur en om 17.18 uur verstuurt [medeverdachte 1], dan gebruik makend van het PIN-nummer [PIN-nummer 6 medeverdachte 1], een foto aan de gebruiker van het PIN-nummer [PIN-nummer 6 verdachte]. De gebruiker van PIN-nummer [PIN-nummer 6 verdachte] noemt in een pinggesprek de naam [naam vriendin verdachte]. Uit het vorenstaande volgt dat de gebruiker van het PIN-nummer [PIN-nummer 5 verdachte] en de gebruiker van het PIN-nummer [PIN-nummer 6 verdachte] dezelfde persoon betreft. De rechtbank concludeert dan ook dat het PIN-nummer [PIN-nummer 6 verdachte] indertijd in gebruik was bij [verdachte]. De rechtbank zal, uitgaande van [verdachte] als gebruiker van voornoemde nummers de met die nummers gevoerde pinggesprekken aan [verdachte] toeschrijven, tenzij op grond van contra-indicaties hierna vermeld een andere conclusie gewettigd is. III. Redengevende feiten en omstandigheden In de periode van 4 oktober 2012 tot en met 11 november 2012 heeft [verdachte] veelvuldig pingcontact met de gebruiker van PIN-nummer [PIN-nummer] (hierna: [NN3]). Op 4 oktober 2012 om 23.37 uur ontvangt [verdachte] de volgende berichten van [NN3]: ‘De machinekamer kan niet omdat het voorin is en alles dat in het voorste gedeelte is kan niet omdat er een highloder aan te pas moet komen en de vent die het bestuurt beeft en blijft op zijn neen.’ ‘Alles dat kompartiment 3 - 4 - 5 is kan.’ [verdachte] antwoordt om 23.38 uur: ‘Ok, ok.’ [NN3] bericht daarop om 23.38 uur aan [verdachte] dat de machinekamer van Arke 1-2 is en dus voorin. [NN3] verstuurt vervolgens berichten aan [verdachte] waarin hij zegt dat [naam] daarom ook vast zat, omdat die vent die dat bestuurt niet mee wil doen en niet mee wil werken. Ook [NN3] heeft in het verleden met die vent gesproken en hij verleent absoluut geen medewerking. Op 6 oktober 2012 om 22.17 uur pingt [verdachte] aan [NN3]: ‘nu/en.’ Op 7 oktober om 22.30 uur pingt [verdachte] aan [NN3]: ‘Is alles rustig.’ Op 7 oktober 2012 om 22.34 uur vraagt [NN3] in een pingbericht aan [verdachte]: ‘Het ding dat je mij van de week vroeg over machine, als ik het gereed krijg, is het iets van gelijk?’ [verdachte] bevestigt dit. [NN3] pingt daarop aan [verdachte]: ‘Want ik heb zelf gisteren opnieuw met de kerel gesproken als de mensen nodig hebben zou hij wel kunnen helpen, zolang hij niets hoeft aan te raken’ De volgende dag pingen [NN3] en [verdachte] wederom met elkaar. [verdachte] verstuurt vanaf 16.31 uur de volgende berichten aan [NN3]: ‘Ik heb wel tegen papa gezegd dat je kan. Dat ding.’ ‘Ik ga zo met [bijnaam 2 medeverdachte 1] praten.’ ‘Ik stel (maak alles klaar) opdat we één dezer dagen kunnen werken.’ [verdachte] ontvangt dan van [NN3]: ‘Kijk ik heb vanzelf weer met de kerel gesproken die als een flikker doet en ik heb hem uitgelegd dat hij niets hoeft te doen en ook niets aan te raken, alleen de mensen erop zetten opdat zij hun werk kunnen doen en ze weer eraf halen/zetten, niets meer.’ ‘Hij zei als zijn naam maar niet genoemd wordt bij/in niets en ik heb hem gezegd dat degenen waarvoor hij moet zorgen dat ze hem niet zien, allemaal binnen zijn dat wil zeggen dat ik iedereen heb ik moet alleen hem nog hebben.’ [verdachte] antwoordt: ‘Ja goed/zeker bloed.’ [NN3] pingt daarop: ‘Hij zei ok laat hen maar met hem komen praten.’ [verdachte] antwoordt: ‘Ok, ok.’ [NN3] stuurt daarop drie berichten aan [verdachte]: ‘Dus ik ga vanmiddag bij de bro langs die daar met baas gesproken heeft hem zijn dingen laten regelen opdat hij met de kerel praat en ik heb ook tegen de kerel gezegd dat degene die voor mij komt praten, moet hem zeggen dat ik hem gestuurd heb, anders moet hij niets doen want hij is niet voor mij gekomen dat betekent dan dat ik niet verantwoordelijk kan staan voor wat dan ook dat verkeerd gaat.’ ‘Vanzelf het is de kerel die met baas gesproken heeft die weet hoe hij het ding moet organiseren, dus ik moet hem het ding laten regelen met de kerel die het ding bestuurt (rijdt) dat de lucht/omhoog (
- in)gaat.’ ‘Als het geregeld wordt, dan kan alles voorin plus (
- en)machinekamer van arke.’ [verdachte] antwoordt: ‘wel laat me weten opdat ik me kan bewapenen (gereed kan maken).’ [NN3] geeft aan dat hij het laat weten zodra hij klaar is. Om 16.43 uur ontvangt [verdachte] twee berichten van [NN3] met als inhoud: ‘Deze maand moeten die vliegdingen veranderen ook de blauwe.’ ‘Dus zeg tegen de man dat hij snel moet doen om iets te doen voordat de dingen in de war raken.’ [verdachte] antwoordt: ‘Ok ik zeg hem.’ Op 12 oktober 2012 vanaf 21.39 uur worden tussen [verdachte] en [NN3] de volgende berichten verstuurd. [verdachte]: ‘Ja bloed we zijn er.’ ‘Ik was net over jou aan het praten.’ [NN3]: ‘De man is dus in de auto in slaap gevallen.’ [verdachte]: ‘Hij zei neen.’ [NN3]: ‘Heeft hij niet ongeveer een idee gegeven wat er dan gaat gebeuren.’ ‘Want de dingen gaan deze maand veranderen, heb ik begrepen. En vanzelf moet er opnieuw worden bekeken wat het gaat worden.’ ‘En de uren moeten ook worden bekeken.’ [verdachte]: ‘Hij zegt om jou te zeggen om niet rustig te blijven. Wij bereiden ons voor.’ [NN3]: ‘Ik wacht nog even langer.’ [verdachte] antwoordt: ‘Ja makker.’ [verdachte] vraagt vervolgens aan [NN3]: ‘Maar wat zouden jullie eigenlijk dan doen?’ [NN3] verstuurt dan het volgende bericht: ‘Toen wij gesproken hebben heeft hij gezegd dat hij een datum voor ‘dead end’ (catering) moest zoeken.’ [Nb. De tussen haakjes geplaatste toevoeging is in dit geval niet afkomstig van de vertaler maar is reeds opgenomen in het originele bericht.] [verdachte] vraagt daarop: ‘Maar heb je hem gezegd dat je een groep hebt die hier al catering kan doen?’ ‘Dat er steen nodig is.’ [NN3] antwoordt: ‘Nee ik heb hem niet gezegd, want hij heeft al daarginder en hij zei dat hij een datum moet nemen.’ [verdachte] pingt dan: ‘Ik neem morgen contact met hem maak je geen zorgen.’ [NN3]: ‘Wel goed, wat hij had moeten doen is iemand van hem de stenen laten ophalen om ze aan mij te geven en iemand met de papieren sturen om ding te doen zodra hij datum krijgt.’ ‘Dat was onze afspraak.’ ‘Maar ik weet niet waar de dingen vastlopen want ik heb nog niets gekregen, ik weet niet of hij twijfels heeft of wat het is.’ [verdachte] antwoordt: ‘Nee hij twijfelt niet.’ ‘Ik praat morgen met hem.’ Op 15 oktober 2012 ontvangt [NN3] het volgende bericht van [verdachte]: ‘Dead head toch.’ ‘Ok, ik stuur het voor papa.’ [NN3] verstuurt daarop de volgende berichten: ‘Ja maatje.’ ‘Ik heb de riem al.’ [verdachte] geeft op 16 oktober 2012 om 22.38 uur aan dat hij de man heeft gesproken. Daarop stuurt [verdachte] drie berichten aan [NN3]: ‘Hij heeft gezegd dat ik met jou mensen hier moet praten.’ ‘Om te kijken of het serieus is.’ ‘En dan geeft hij dvd.’ [NN3] vraagt vervolgens: ‘Van de dead end daar?’ [verdachte] bevestigt dit en stuurt het volgende bericht aan [NN3]: ‘catering.’ [NN3] vraagt dan of er niets anders is dat hij gelijk kan doen. [verdachte] antwoordt dat hij nu met de man hierover gesproken heeft. [NN3] stuurt daarop het volgende bericht: ‘Ja maar kijk wat er nog is dat hij kan doen, ik ga ook aan die cat werken.’ [verdachte] antwoordt: ‘ok goed.’ [NN3] pingt op 22 oktober 2012 aan [verdachte] dat hij heeft begrepen dat het deze maand gaat veranderen en dat het staat gepland voor de 28e. [NN3] vraagt aan [verdachte]: ‘Hebben jullie al geinformeerd wat aan die kant gedaan kan worden?’ [NN3] bericht aan [verdachte]: ‘Dat wat gaat komen is Airbus 330.’ ‘Hier beneden weet ik niet wat eraan gedaan kan worden. Als het komt gaan ze kijken.’ Uit het proces-verbaal relaas blijkt dat door het onderzoeksteam onderzoek is verricht op internet waaruit is gebleken dat KLM op 28 oktober 2012 voor het eerst op Curaçao is geland met een Boeing van het type Airbus 330 ter vervanging van het vliegtuigtype MD-11. Op 23 oktober 2012 vraagt [verdachte] aan [NN3]: ‘Komt daar beneden 747?’ [NN3] bevestigt dit. [verdachte] vraagt: ‘Wanneer begint hij?’ [verdachte] stuurt daarop de volgende berichten aan [NN3]: ‘Als dat ding daar komt.’ ‘Is de grote blauwe.’ [NN3]: ‘Kan daar wat op gedaan worden?’ [verdachte]: ‘Kunnen jullie erbij komen?’ [NN3] zegt: ‘Wat hebben jullie erop?’ ‘Het zijn volgens mij sowieso dezelfde mensen die overal bij kunnen, wat komt.’ [verdachte] pingt: ‘Ik laat mijn mati jou uitleggen wat wij daarop kunnen. En jij stuurt het voor de werker om te kijken of hij kan.’ [NN3] pingt: ‘Ik ben tot morgenmiddag op Curacao. Dus we kunnen vanavond ontmoeten of morgen vroeg.’ ‘Heeft dat ding het ding om te poepen?’ [verdachte]: ‘Nee nee.’ Vervolgens: ‘Vriend leg de mensen uit dat de plek is die helemaal achteraan op de 747. In de ruimte achter naast de staart. Ze weten dat er daar een ritssluiting is. Als je het opent achter de ritssluiting is er een warme buis.’ ‘Vraag ze of ze daar kunnen komen. En of ze weten welke plek.’ ‘Zeg tegen ze voor ons foto te maken van die plek. En van de ruimte.’ ‘Zo snel mogelijk zodat we kijken of het dezelfde plek is.’ [NN3] verstuurt daarop pingberichten aan [verdachte] met als inhoud: ‘Ok, woensdag ga ik terug naar Bone.’ ‘Maar het ding is nog niet begonnen met vliegen.’ [verdachte] pingt: ‘Vraag aan de vriend of de 747 daar komt. En of hij weet welke.’ ‘Het is de grote blauwe.’ ‘Hoofd van een blauwe hagedis.’ [NN3] antwoordt: ‘Goed ik vraag het hem.’ Verbalisant [verbalisant 8] heeft gerelateerd dat zich in het achterste gedeelte van het vrachtruim van een Boeing 747 een rechthoekig ritsvak bevindt met daarachter een ruimte waar in het verleden regelmatig hoeveelheden cocaïne werden aangetroffen. In voornoemde ruimte bevindt zich tevens een warme/hete buis/pijp. Op 27 oktober 2012 ontvangt [verdachte] van [NN3] de volgende pingberichten: ‘Die kerel heeft me gezegd dat in de mails die ze hebben ontvangen gezegd wordt van de airbus 330 zelf.’ ‘Dat betekent dat morgen niet de boeing komt, maar de airbus 330 zelf.’ [verdachte] antwoordt: ‘Ok ok.’ [NN3] vervolgt: ‘Het hoofd van die blo blo landt hier niet gemakkelijk want hij is te zwaar voor de landingsbaan, hij is een keer geland maar ze hebben aanbevolen beter niet.’ ‘Maar we kijken morgen om zekerder te zijn wanneer het verandert.’ [verdachte] antwoordt: ‘Ok ok.’ Verbalisant [verbalisant 8] heeft gerelateerd dat het hem uit kennis en ervaring opgedaan met eerdere onderzoeken naar invoer van cocaïne bekend is dat vliegtuigen van het merk en type Boeing 747 in principe niet landen op Bonaire in verband met de lengte van de start- en landingsbaan. Op 2 november 2012 verstuurt [verdachte] het volgende pingbericht aan [NN3]: ‘Ik laat je met mijn bro pingen maar laat hem niet weten dat jullie naar Curaçao zijn gegaan.’ [NN3] vraagt welke bro het is. [verdachte] antwoordt: ‘Die van hier.’ Waarop [NN3] zegt: ‘Die ene die die dag met jou was.’ ‘Ja’ zegt [verdachte]. Om 17.19 uur pingt [verdachte] aan [NN3]: ‘Hier is mijn bro.’ De persoon die dan berichten verstuurt vanaf het toestel van [verdachte] zegt tegen [NN3]: ‘Hallo makker.’ ‘Je weet de nieuwe bus van ark toch?’ [NN3] pingt: ‘De andere heeft nu nieuwe, niet ark.’ Met de telefoon van [verdachte] wordt dan geantwoord: ‘Maar er is toch een slaapplaats voor de mensen die werken.’ [NN3] vraagt: ‘In ark?’ Vanaf de telefoon van [verdachte] wordt geantwoord: ‘Die nieuwe blauwe plus ark.’ [NN3] zegt dat hij er wel van gehoord heeft. Vanaf de telefoon van [verdachte] worden dan de volgende berichten verstuurd: ‘Wel daar binnen in het plafond.’ ‘Vraag de bro of hij kan komen/of hij erbij kan.’ ‘Ik stuur pic naar jou toe.’ [NN3] vraagt daarop: ‘Welke van de twee is zekerder/beter.’ Met de telefoon van [verdachte] wordt gepingd: ‘En het is direkt dezelfde dag klaar.’ ‘Ik zal je zeggen welke wanneer ik de pic stuur.’ [NN3] vraagt: ‘Wat heb je nog meer wat gelijk kan.’ Vanaf de telefoon van [verdachte] wordt gepingd: ‘Zijn jullie ook gelijk klaar?’ [NN3] geeft om 17.27 uur aan: ‘We zijn gereed, de dingen om te zetten is nodig.’ Vanaf de telefoon van [verdachte] wordt vervolgens het volgende bericht verstuurd: ‘Kan je dat ding wat je tegen deze man hebt gezegd wat je zelf nog hier had?’ [NN3] antwoordt: ‘D-end?’ ‘Ja.’ ‘Vandaag als je dat wilt.’ Vanaf de telefoon van [verdachte] wordt geantwoord: ‘Oké, want misschien hebben we het voor je.’ [NN3] stuurt dan: ‘Jij moet het daarginds kunnen pakken.’ ‘Ik heb de riem al klaar liggen.’ ‘Als je meer dingen hebt, moet je het me gelijk laten weten.’ Met de telefoon van [verdachte] worden de volgende berichten gestuurd: ‘Kijk, ik geef jou wel een paar andere goede dingen. Ik ga jou de foto’s sturen.’ ‘Maar kijk naar een BB speciaal voor die dingen vriend.’ [NN3]: ‘Ik heb er wel een, ik moet het activeren.’ [NN3]: ‘Ik heb de mensen hier aan een ketting maatje, ze willen werken ik kan ze niet lang ophouden, want als ze iemand anders krijgen om te werken gaan ze bij me weg.’ Vanaf de telefoon van [verdachte] wordt geantwoord: ‘Laten we gaan starten man.’ Op 4 november 2012 worden tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] pingberichten verstuurd. [medeverdachte 1] verstuurt berichten vanaf de PIN-nummers [PIN-nummer 6 medeverdachte 1] en [PIN-nummer 5 medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] pingt om 16.53 uur aan [verdachte]: ‘Ik stuur jou nu de foto’s op die andere.’ [verdachte] vraagt om 17.09 uur aan [medeverdachte 1]: ‘Sangre, ken jij mensen bij de catering?’ [medeverdachte 1] antwoordt: ‘Ja toch.’ Om 17.10 uur en om 17.18 uur verstuurt [medeverdachte 1] een foto aan [verdachte]. De verstuurde foto’s zijn bekeken door verbalisant [verbalisant 8] en hij beschrijft wat hier op staat. Op de eerste foto staat een deur afgebeeld, waarvan het de verbalisant bekend is dat deze toegang verschaft tot een slaapvertrek voor de crew aan boord van een vliegtuig van Arke. Op de tweede foto is een ruimte afgebeeld. [verdachte] pingt om 17.38 uur aan [medeverdachte 1]: ‘[naam] wil de catering.’ ‘Hij zei dat jij het wel moet hebben dan kunnen wij het nu gelijk doen.’ [medeverdachte 1] antwoordt: ‘Wij pakken het gelijk op.’ ‘Maar dat catering ding…je bedoelt toch dat ene ouwe ding?’ [verdachte] verstuurt daarop het volgende bericht: ‘Misschien ‘deadhead’….’ [medeverdachte 1] verstuurt dan een aantal berichten aan [verdachte] met als inhoud: ‘En de kerel van Flamingo heeft mij de vorige keer gezegd.’ ‘vanaf [naam]/van [naam] uit.’ ‘Want wij hebben dat ding.’ ‘Neen de man van Flamingo heeft mij gezegd.’ ’die dag tijdens het gesprek.’ ‘dat hij ook met deadhead klaar is.’ ‘Of wij kunnen.’ [verdachte] antwoordt bevestigend. Waarop [medeverdachte 1] vraagt: ‘Vanaf h