vonnis RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling privaatrecht Sectie Handel & Insolventie zaaknummer / rolnummer: C/15/199736 / HA ZA 13-44 Vonnis van 23 april 2014 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RINED FOURAGES BV, gevestigd te Venlo, eiseres, advocaat mr. H.H.T. Beukers, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AHP MANUFACTURING B.V. h.o.d.n. WYETH MEDICA IRELAND, gevestigd te Capelle aan den IJssel, gedaagde, advocaat mr. J. van den Brande, 2. de vennootschap naar Iers recht CARA ENVIRONMENTAL TECHNOLOGY LIMITED, gevestigd te Dublin, Ierland, gedaagde, procesadvocaat mr. R.A.M. Schram, behandelend advocaten mr. K.A.J. Bisschop en mr. H. Zagers. Partijen zullen hierna Rined, Wyeth en Cara genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties 1 t/m 44 de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 37 van de zijde van Wyeth de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 38 van de zijde van Cara de conclusie van repliek, houdende wijziging van eis met producties 45 en 46 de conclusie van dupliek met producties 38 t/m 45 van de zijde van Wyeth de conclusie van dupliek met producties 39 t/m 45 van de zijde van Cara de akte overlegging producties 47 en 48 van de zijde van Rined de akte overlegging producties 46 t/m 60 van de zijde van Wyeth de akte overlegging producties 46 t/m 56 van de zijde van Cara het proces-verbaal van het op 11 maart 2014 gehouden pleidooi. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Wyeth had in Ierland een faciliteit voor de productie van farmaceutische producten. Zij produceerde onder meer anticonceptiepillen. Daarbij gebruikte zij het synthetisch hormoon medroxy progesteron acetaat (hierna: MPA). Onderdeel van het productieproces was coating van de geneesmiddelen. Dit proces resulteerde mede in twee afvalstromen: de ene bestaande uit een wateroplossing met alleen suiker en kleurstof (suikerwater), de andere uit een suikeroplossing met kleurstof alsmede MPA. 2.2. Wyeth beschikte als afvalproducent over een Integrated Pollution Prevention and Control licence (hierna: IPC-vergunning) van de Ierse overheid. 2.3. Cara is afvalmakelaar. Cara heeft vanaf 1997 voor Wyeth de verwijdering van de stroom suikerwater zonder MPA verzorgd. Het suikerwater met MPA heeft Wyeth tot 2000 via een afvalverwerkingsbedrijf naar verbrandingsfabrieken laten verschepen. 2.4. In 1999 heeft Cara Wyeth in contact gebracht met afvalverwerkingsbedrijf Bioland Liquid Sugars B.V. (hierna: Bioland) in België met het oog op een nuttige toepassing van de stroom suikerwater zonder MPA. In oktober van dat jaar heeft Wyeth in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van Cara een audit uitgevoerd bij Bioland. Tijdens de audit heeft Wyeth aan Bioland gevraagd of zij over een vergunning beschikte. Bioland heeft daar bevestigend op geantwoord en toegezegd de vergunning toe te zenden. Dat laatste is niet gebeurd. 2.5. Na de audit heeft Cara aan Wyeth een offerte uitgebracht voor de verwerking van suikerwater zonder MPA door Bioland. Wyeth heeft Cara daarna suikerwater zonder MPA ter verwerking voor nuttige toepassing doen afvoeren naar Bioland. Vanaf september 2000 is voor Wyeth door Cara ook suikerwater met MPA naar Bioland verzonden. Bioland was ervan op de hoogte dat de tweede stroom suikerwater MPA bevatte. Bioland beschikte niet over een vergunning voor verwerking van farmaceutisch afval. 2.6. Op het uitvoeren uit Ierland van het suikerwater was van toepassing de Verordening (EEG) 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (hierna: Vo EEG 259/93). Op grond van artikel 3 en 6 van deze verordening diende van de uitvoer van het suikerwater (zowel zonder als met MPA) vanuit Ierland naar België een kennisgeving plaats te vinden aan de Belgische bevoegde autoriteit. Een dergelijke kennisgeving is nimmer gedaan. 2.7. Op grond van artikel 34 Vo EEG 259/93 is de producent van afvalstoffen gehouden alle nodige maatregelen te nemen om afvalstoffen op een zodanige wijze te verwijderen of nuttig toe te passen dan wel de verwijdering of nuttige toepassing op zodanige wijze te regelen, dat de kwaliteit van het milieu wordt beschermd overeenkomstig Richtlijn 75/442/EEG en Richtlijn 91/689/EEG. 2.8. In het voorjaar van 2002 raakte Bioland in financiële problemen, die tot haar faillissement hebben geleid. Bioland had tot dat moment 200 ton suikerwater met MPA van Wyeth ontvangen, maar nog niet verwerkt. De curator in het faillissement heeft Bioland dringend verzocht voor afvoer van het op het bedrijf van Bioland opgeslagen suikerwater zorg te dragen. 2.9. In april 2002 heeft Bioland de Van Genugtengroep, een Nederlandse varkenshouder annex veevoerbedrijf, benaderd om het suikerwater af te nemen. De Van Genugtengroep heeft een andere Nederlandse varkenshouder annex veevoerbedrijf, Zeeland Voeders B.V. (hierna: Zeeland Voeders) op de hoogte gesteld van het aangeboden suikerwater. Zeeland Voeders heeft diverse partijen suikerwater (met MPA) afgenomen van Bioland en heeft een deel daarvan doorverkocht aan Rined, een bedrijf dat zich bezig houdt met de handel in veevoeders en bestanddelen daarvan. Het suikerwater is op 15 april 2002 gelost in een opslagsilo van Rined in de Rips en vermengd met tarwezetmeel afkomstig uit een fabriek in Sas van Gent. Kort daarna heeft Rined bij Zeeland Voerders geklaagd over rode verkleuring van het tarwezetmeel als gevolg van het rode suikerwater. Rined en Zeeland Voeders hebben vervolgens afgesproken dat Zeeland Voeders (een deel van) het met het rode suikerwater vermengde tarwezetmeel terug zou nemen, hetgeen is gebeurd. Een ander deel van het met suikerwater vermengde tarwezetmeel is door Rined als varkensvoer verkocht en vanaf 18 april 2002 geleverd aan (Nederlandse) varkenshouders. Op de facturen aan de afnemers stond steeds vermeld “Tarwezetmeel Sas van Gent”. 2.10. Ingevolge de Verordening Registratie Ondernemingen Diervoedersector 1990 diende in 2002 elk bedrijf dat activiteiten ontplooide op het gebied van productie en verwerking van en handel in diervoeder zich te registreren bij het Productschap Diervoeder (PDV). PDV werkte met de GMP-Regeling diervoedersector. De kern van deze regeling werd gevormd door de “Good Manufacturing Practice” (“GMP”) en de geïntegreerde Hazard Analysis of Critical Control Points Standard” (“HACCP Standaard”), welke van toepassing was op alle producenten en handelaars die GMP-gecertificeerd waren. Op grond van de Verordening PDV erkenningsregeling GMP diervoedersector 2000 konden bedrijven zich aanmelden bij PDV voor diverse GMP-erkenningen en een HACCP-erkenning, tezamen GMP+. Onderdeel van de erkenningsregeling was de GMP code diervoedersector waarin voorwaarden met betrekking tot basiskwaliteit waren gespecificeerd. Het doel van de GMP code diervoedersector was onder meer producten en diensten voort te brengen op een wijze die in hoge mate waarborgt dat leveranciers van deze producten en diensten voldoen aan de eisen in wet- en regelgeving, verband houdende met de veiligheid voor mens, dier en milieu (basiskwaliteit). Teneinde die basiskwaliteit te waarborgen was in de Algemene GMP code diervoerdersector een groot aantal voorschriften opgenomen over onder meer de administratie, verificatie en analyse van voedermiddelen, toevoegingsmiddelen en overige hulpstoffen. 2.11. Zeeland Voeders en Rined beschikten beide over een GMP-erkenning. Bioland beschikte niet over een GMP-erkenning en was evenmin HACCP gecertificeerd. Zeeland Voeders heeft het suikerwater (met MPA) van Bioland afgenomen buiten het GMP-erkenningssysteem om en zonder het verplichte onderzoek naar de herkomst ervan. 2.12. Het is onder de GMP-regeling niet toegestaan het suikerwater, zijnde een afvalstof uit de farmaceutische industrie, (al dan niet met MPA) te verwerken in veevoer. 2.13. MPA wordt beschouwd als een groeihormoon. Het kan worden gebruikt om de groei van (mest)varkens te bevorderen, maar leidt bij fokzeugen tot onvruchtbaarheid. Het toedienen van MPA aan vee, waaronder varkens, is in de Europese Unie verboden. 2.14. In mei 2002 bleken varkens in een drietal in Nederland (Noord-Brabant) gevestigde varkenshouderijen te kampen met vruchtbaarheidsproblemen. Na onderzoek bleek het vlees van de varkens op die bedrijven MPA te bevatten. Vastgesteld is dat de varkens mede waren gevoerd met voer dat was bereid met glucosesiroop die was afgenomen van een onderneming van de Van Genugtengroep (Porker Foods B.V.). Vervolgens kwam aan het licht dat er bij (veel) meer varkenshouderijen varkens waren gevoerd met van Bioland, c.q. van de Van Genugtengroep of van Zeeland Voeders afkomstig suikerwater met MPA. Op 26 juni 2002 heeft de AID een monster genomen van het tarwezetmeel in de opslagsilo van Rined in de Rips. Dit monster testte positief op MPA. Rined is daar op 2 juli 2002 van op de hoogte gesteld. 2.15. Van overheidswege (het toenmalige ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV), c.q. haar Algemene Inspectie Dienst - AID) is vanaf juni 2002 onderzoek gedaan naar de verspreiding van MPA onder varkenshouderijen en naar de herkomst daarvan. Vele varkenshouderijen zijn toen voor enige tijd “onder toezicht geplaatst” van de AID, hetgeen betekende dat geen varkens van die bedrijven mochten worden verhandeld of geslacht voor consumptie, tenzij bij individuele tests was gebleken dat de dieren geen MPA bevatten. Ook heeft de AID verschillende besmette varkenshouderijen gesloten en/of geruimd. 2.16. Rined heeft de facturen voor het door haar geleverde met MPA besmette varkensvoer gecrediteerd. Verder heeft zij silo’s moeten huren om met MPA besmet teruggenomen voer op te slaan. Daarnaast is zij door een groot aantal varkenshouders aansprakelijk gesteld voor de geleden schade als gevolg van leveren van met MPA besmet varkensvoer en heeft zij schadeloosstellingen betaald. 2.17. Een medewerker van OVAM, de Belgische afvalstoffenautoriteit, heeft bij e-mailbericht van 13 februari 2014 het volgende geantwoord op vragen van mr. Beukers: “1. Klopt het dat uw organisatie vóór 2002 ook al bekend was met een twijfelachtige reputatie van Bioland Liquid Sugars? Dat klopt. De Vlaamse milieu-inspectie stelde in 1999, 2000 en 2001 vast dat een milieuvergunning ontbrak en dat er schadelijke stoffen werd geloosd. Later in 2001, na de toekenning van de milieuvergunning, stelde de inspectie vast dat nog steeds schadelijke stoffen werden geloosd. 2. Is aannemelijk dat uw organisatie de invoer van farmaceutisch afval naar België (bestemd voor Bioland) zou hebben toegestaan, indien Wyeth en/of Cara in 2002 de juiste kennisgevingen zouden hebben gedaan? Bioland was niet vergund voor de verwerking van farmaceutisch afval, de OVAM zou de invoer niet hebben toegestaan als we hadden geweten dat het om farmaceutisch afval ging. 3. Is bij het antwoord op vraag 2 van belang of de kennisgeving onder de “groene lijst’ of onder de “oranje lijst” op die laatste lijst staat farmaceutisch afval) zou zijn gedaan? Wordt bij een kennisgeving onder de “oranje lijst” een nader onderzoek gedaan nar de deskundigheid van de afvalverwerker? Als een afvalstof bestemd is voor nuttige toepassing en voorkomt op de groene lijst hoeft er geen kennisgeving gedaan te worden. Bij het onderzoek van een kennisgeving wordt eerst gekeken naar de vergunning van de verwerker. Als die niet in orde is wordt de kennisgeving geweigerd. […] 6. Is het bij het antwoord op vraag 2 van belang of Bioland beschikte over een juiste vergunning voor het verwerken van farmaceutisch afval? Zou uw organisatie hiernaar nader onderzoek hebben gedaan, indien een kennisgeving zou zijn verricht? Uiteraard. Zoals reeds gesteld is de vergunning van de verwerker een van de belangrijkste elementen die worden onderzocht bij aanvragen voor invoer van afvalstoffen.” 2.18. PDV heeft de MPA affaire in 2002 geëvalueerd en daarover een (interne) nota opgesteld waarin de volgende conclusies zijn opgenomen: “[…] a. Het incident is niet primair veroorzaakt door gebreken in het huidige systeem of de normstelling, maar door de wijze waarop hieraan invulling wordt gegeven door de deelnemende (GMP+ erkende) bedrijven. […] c. Er is bij een aantal ondernemers een discrepantie tussen enerzijds het belang dat wordt gehecht aan kwaliteitsborging en de naleving van de GMP-regelingen en anderzijds de kwaliteitseisen die de markt aan de dierlijke producten stelt. Hierdoor was het mogelijk dat een risicovolle grondstof van een niet GMP-waardig bedrijf in het gesloten ketensysteem kon binnenkomen. Tevens was het mogelijk dat een afwijkende grondstof in een ander product werd verwerkt zonder dat een risicobeoordeling van deze grondstof plaats had gevonden. d. Bij de hiervoor bedoelde bedrijven ontbreekt enerzijds voldoende inzicht in de risico’s van eigen handelen voor de vervolgschakels in de keten. Anderzijds ontbreekt het in een aantal gevallen aan respect voor de regels en de wijze waarop deze worden gehandhaafd. […] h. Het is van belang dat elke ondernemer in de diervoederketen de vereiste kwaliteitsborging consequent in de dagelijkse praktijk toepast. Dit vraagt niet alleen om professionaliteit, maar ook integriteit van ondernemers. […] j. Kernpunt van deze benadering is dat diervoederbedrijven uitsluitend moeten werken met gekende grondstoffen, waarvan op basis van een risicobeoordeling van het productieproces en de herkomst de risico’s onderkend zijn én aantoonbaar worden beheerst. Dat vraagt voor elke schakel in de keten om inzicht in en zekerheid omtrent de kwaliteitsborging van de toeleverancier(s).” 3Het geschil 3.1. Na wijziging van eis vordert Rined samengevat: te verklaren voor recht dat Wyeth en Cara, althans Wyeth, althans Cara, jegens Rined onrechtmatig hebben gehandeld en hen te veroordelen om de als gevolg van dit onrechtmatige handelen door Rined geleden schade te vergoeden; Wyeth en Cara hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan Rined van een bedrag van € 571.881,48, te vermeerderen met wettelijke rente en kosten. 3.2. Rined stelt ter onderbouwing van haar onrechtmatigheidsverwijt dat Wyeth en Cara – althans een van hen – in strijd hebben gehandeld met (nationale en internationale) wettelijke voorschriften door de Belgische autoriteiten niet in kennis te stellen van het vervoer van de afvalstoffen van Ierland naar België zoals voorgeschreven in artikel 3 Vo EEG 259/93. Daarnaast stelt Rined dat Cara en met name Wyeth hebben gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt door Bioland te selecteren als verwerker van het farmaceutische afval, terwijl zij wisten, althans moesten weten, dat Bioland niet in staat was het van Wyeth afkomstige afval behoorlijk te verwerken. Die handelswijze van Wyeth is tevens in strijd met het sub 2.7 weergegeven artikel 34 Vo EEG 259/93, dat de producent van de afvalstoffen verplicht de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de afvalstoffen op behoorlijke wijze worden verwerkt. Rined is van opvatting dat eenzelfde verplichting uit hoofde van art. 6:162 BW op de afvalmakelaar rust. Tot slot stelt Rined dat gedaagden aansprakelijk zijn voor het door hen in het verkeer brengen van een gebrekkige zaak, te weten suikerwater dat een bijzonder gevaar voor gebruikers opleverde (artikel 6:173 BW) dan wel dat Wyeth als producent aansprakelijk is voor schade veroorzaakt door het in het verkeer brengen van een onveilig product (artikel 6:185/6:162 BW). 3.3. Wyeth en Cara voeren verweer. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Gelet op het feit dat gedaagden in het buitenland zijn gevestigd, heeft deze zaak een internationaal karakter. Dit betekent dat de rechtbank ambtshalve moet beoordelen of zij als Nederlandse rechter bevoegd is en zo ja, welk recht van toepassing is. 4.2. De bevoegdheid dient beoordeeld te worden aan de hand van Verordening (EG) nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (‘Brussel I’). Nu gedaagden zijn verschenen en zij de bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet hebben betwist, is de Nederlandse rechter bevoegd op grond van artikel 24 van Brussel I. 4.3. Wat betreft de twee hoofdverwijten die Rined gedaagden maakt kan de rechtbank nader onderzoek naar het toepasselijk recht achterwege laten, omdat zij – zoals hierna zal blijken – zowel op basis van het Nederlandse recht als op basis van het Ierse recht tot dezelfde conclusie komt. De rechtbank zal dat voor beide hoofdverwijten afzonderlijk uitwerken. artikel 3 Vo EEG 259/93 4.4. Ingevolge artikel 6:162 BW is degene die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, verplicht de schade te vergoeden die de ander ten gevolge van die onrechtmatige daad lijdt. Die regel brengt mee dat er alleen een verplichting tot vergoeding van (gesteld geleden) schade op grond van onrechtmatige daad kan bestaan als er een causaal verband is tussen de onrechtmatige daad en de schade. Er kan slechts sprake zijn van een causaal verband als sprake is van een zogenaamd conditio sine qua non verband. Dat betekent dat als de gelaedeerde, de (gestelde) onrechtmatige daad weggedacht, de schade (ook) zou hebben geleden, het vereiste causaal verband ontbreekt. 4.5. Ook naar Iers recht is voor een schadevergoedingsverplichting op grond van onrechtmatig handelen (tort) vereist dat sprake is van een zelfde conditio sine qua non verband. 4.6. Rined verwijt Wyeth en Cara dat zij zich niet hebben gehouden aan de in art. 3 e.v. Vo EEG 259/93 opgenomen op wettelijke voorschriften betreffende de export van het suikerwater (met MPA) vanuit Ierland en de overbrenging van dat suikerwater naar het bedrijfsterrein van Bioland in België. Rined heeft gesteld dat als Wyeth en/of Cara aan die wettelijke bepalingen hadden voldaan door aan de Belgische autoriteiten een kennisgeving te zenden met betrekking tot de overbrenging van het suikerwater (met MPA) naar Bioland, de invoer van het farmaceutische afval in België niet zou zijn toegestaan en het suikerwater niet zou zijn opgenomen in de Nederlandse varkensvoederketen. Wyeth en Cara hebben die stellingen gemotiveerd bestreden, onder meer door er op te wijzen dat de Belgische afvalstoffenautoriteiten reeds toezicht hielden op Bioland vanwege eerdere onregelmatigheden met onder andere de verwerking van suikersiropen, maar desondanks geen actie ondernamen. 4.7. Gelet op de gemotiveerde betwisting van Wyeth en Cara lag het op de weg van Rined feiten en omstandigheden te stellen waaruit zou blijken dat de Belgische autoriteiten bij het wel voldoen door Wyeth en/of Cara aan hun wettelijke verplichtingen onder de verordening hadden opgetreden tegen Bioland en wel zodanig dat daarmee de opname van het suikerwater (met MPA) in de Nederlandse varkensvoedselketen was voorkomen. Rined heeft in dat kader het in 2.17 weergegeven e-mailbericht van OVAM, de Belgische afvalstoffenautoriteiten, in het geding gebracht, waarin op een vraag van de advocaat van Rined door OVAM is geantwoord dat de invoer van farmaceutisch afval niet zou zijn toegestaan als zij hadden geweten dat het om farmaceutisch afval ging. Wyeth en Cara hebben er op gewezen dat het - met de wetenschap van nu - voor de hand ligt dat de Belgische afvalstoffenautoriteiten verklaren dat zij destijds de invoer van het suikerwater zouden hebben tegengehouden, maar dat het gelet op de feitelijke omstandigheden niet aannemelijk is zij daadwerkelijk zouden hebben opgetreden. Wyeth en Cara hebben ter onderbouwing daarvan onweersproken gesteld dat de Belgische autoriteiten al langere tijd op de hoogte waren van gesjoemel en illegale lozingen door Bioland, maar daartegen geen actie hebben ondernomen, ook niet nadat Bioland failliet ging. Gelet op deze omstandigheden heeft Rined met enkel de verklaring van een medewerker van de Belgische afvalautoriteiten haar stelling dat als Wyeth en/of Cara de (juiste) kennisgeving hadden gedaan de invoer van het farmaceutische afval in België niet was toegestaan en het suikerwater niet was opgenomen in de Nederlandse varkensvoedselketen onvoldoende onderbouwd. Rined heeft derhalve niet voldaan aan haar stelplicht wat betreft het vereiste conditio sine qua non verband tussen enerzijds de aan Wyeth en/of Cara verweten gedraging dat ten onrechte geen kennisgeving is gedaan en anderzijds de (gestelde) schade. artikel 34 Vo EEG 259/93 en vergelijkbare zorgvuldigheidsverwijten 4.8. Rined heeft zich verder beroepen op art. 34 Vo EEG 259/93. Rined betoogt dat op Wyeth als producent de verplichting rust om de nodige maatregelen te treffen om te bewerkstelligen dat haar afval op een behoorlijke wijze wordt verwerkt. Zij stelt dat Wyeth aan deze verplichting niet heeft voldaan. Wyeth wist, althans moest weten, dat haar afval zou worden verwerkt door een afvalverwerker die niet over de juiste vergunning beschikte en die ook feitelijk niet in staat was om het MPA-houdende afval behoorlijk te verwerken. Bioland had geen ervaring op het gebied van farmaceutisch afval en wilde ook geen inzicht geven in haar verwerkingsprocessen. Dat heeft Wyeth en Cara er echter niet van weerhouden om het farmaceutische afval naar Bioland af te zetten. In dit verband stelt Rined dat ook op Cara als professionele dienstverlener te dien aanzien een bijzondere zorgplicht rust. 4.9. Rined heeft in dit verband nog aangevoerd dat gedaagden wisten dat het afval MPA bevatte. De kans op schade was dus niet gering, terwijl de omvang van de mogelijke schade groot kon zijn. De mate van bezwaarlijkheid van te nemen voorzorgsmaatregelen was daarnaast klein, terwijl gedaagden konden inschatten dat derden (niet zijnde Bioland) niet bedacht zouden zijn op het gevaar van MPA in het door Bioland verwerkte suikerwater. Zij hebben derden aldus blootgesteld aan een onaanvaardbaar risico, dat zich uiteindelijk heeft verwezenlijkt. Dit is aan te merken als handelen in strijd met de zorgvuldigheid die het maatschappelijk verkeer betaamt en daarmee onrechtmatig. 4.10. Gedaagden hebben een en ander bestreden. Zij hebben aangevoerd dat, wat er ook op hun handelen zou kunnen worden aangemerkt, de ernst en afkeurenswaardigheid daarvan in het niet valt bij de verwijten die Rined ter zake kunnen worden gemaakt. De rol van Rined zelf in de verspreiding van MPA onder Nederlandse varkensboeren is onrechtmatig en de schade waarvan zij vergoeding vraagt is het gevolg van haar eigen schuld. Die rol komt volgens gedaagden samengevat op het volgende neer. Rined heeft illegaal tarwezetmeel met afvalsuikerwater vermengd. Rined wist dat het suikerwater van Bioland afkomstig was, althans heeft willens en wetens niet geïnformeerd naar de herkomst van het suikerwater terwijl dit een afwijkende kleur had en een prijs had die ver boven de prijs van regulier suikerwater lag. Rined heeft de betrokken voedseltransporten niet adequaat geadministreerd, heeft bij de verkoop van het met dit suikerwater vervaardigde mengvoeder aan afnemers misleidende informatie verstrekt over de samenstelling en herkomst van het product en heeft ook nadat de besmetting bekend was nog met MPA besmet voer afgeleverd. Rined heeft zich aldus volgens gedaagden onder meer schuldig gemaakt aan overtreding van de GMP-regeling, van de Regeling in- en uitvoercontroles diervoeders en van het inzamelverbod op bedrijfsafvalstoffen 4.11. De rechtbank oordeelt als volgt. Naar Nederlands recht is voor het aannemen van aansprakelijkheid naast conditio sine qua non verband nodig dat de schade in een zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van Wyeth berust dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend (art. 6:98 BW). 4.12. Het Ierse recht kent de notie dat de onrechtmatigheid van een later in de keten plaatsvindend handelen van een ander, dat net als het handelen van de schuldenaar causaal is geweest voor de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd, aan toerekening van die schade als een gevolg van het handelen van de schuldenaar in de weg kan staan. Het komt daarbij aan op een beoordeling van de ernst van de gemaakte fouten. Indien de fout van de ander, mede gelet op het aan de schuldenaar gemaakte verwijt, voldoende ernstig is, staat het handelen van die ander als “novus actus interveniens” aan toerekening van de schade in de weg. 4.13. Indien, zoals hier, die ander degene is die de schade heeft geleden en daarvan vergoeding vordert, voorziet het Nederlandse recht in de mogelijkheid van een vergelijkbare benadering, en wel op de voet van art. 6:101 BW, eigen schuld. Gedaagden hebben hun verweer mede in de sleutel van eigen schuld geplaatst. 4.14. Nu in beide benaderingen de primaire focus ligt op de ernst de over en weer gemakte verwijten en de mate waarin deze tot de schade hebben bijgedragen is de rechtbank van oordeel dat toepassing van Nederlands recht niet tot een relevant verschil in uitkomst leidt, zodat de zaak aan de hand van Nederlands recht zal worden beoordeeld. 4.15. De rechtbank zal veronderstellenderwijze aannemen dat er naar Nederlands recht op producenten van afval als het onderhavige MPA-houdende suikerwater de plicht rust om er voor te zorgen dat dit afval - bezien vanuit het perspectief van milieu en gezondheid - veilig wordt verwerkt of verwijderd. Die norm laat zich in een geval als het onderhavige concretiseren tot de verplichting dat de producent zich ervan moet vergewissen dat de afnemer in staat is het afval deugdelijk en veilig te verwerken en strekt er mede toe om schadelijke gevolgen zoals die hier zijn opgetreden, te voorkomen. 4.16. De rechtbank behoeft niet verder in te gaan op de vraag of deze norm ook het handelen van een afvalmakelaar als Cara regardeert en evenmin op de vraag of er voldoende reden is om aan te nemen dat het selecteren van Bioland als afvalverwerker door Wyeth en/of Cara onzorgvuldig is geweest. Zoals hierna zal worden uitgewerkt slaagt het verweer van gedaagden dat het eigen handelen van Rined aan het aannemen van een op gedaagden rustende vergoedingsplicht in de weg staat. 4.17. Het van Bioland betrokken suikerwater is vrijgekomen in het (farmaceutisch) bedrijfsproces bij Wyeth en is als zodanig te beschouwen als (chemisch) afval. Dit afval is bij Bioland niet verwerkt, het lag er opgeslagen. (Indien afval voor nuttige toepassing wordt verwerkt, zou daarmee niet langer zijn voldaan aan de kwalificatie afval, maar daarvan is in casu geen sprake.) Volgens de Regeling In-en uitvoercontroles diervoeders 1998 (CvD Wyeth prod. 42) is het in Nederland brengen van producten, waaronder stoffen bestemd om te worden verwerkt in diervoeders of voedermiddelen, verboden, tenzij de producten voldoen aan de regels gesteld bij Verordening PDV Diervoeders 1998 van het productschap Veevoeder (CvA Cara prod. 26). Een van de bepalingen in deze verordening is dat het een ondernemer verboden is om voedermiddelen in het verkeer te brengen die een gevaar opleveren voor de gezondheid van de mens en op een wijze die misleidend kan zijn. 4.18. Wat betreft de door gedaagden aan Rined gemaakte verwijten kan op grond van het dossier het volgende worden vastgesteld. Vast staat dat van Bioland afkomstig suikerwater in de silo van Rined in de Rips is gemengd met tarwezetmeel en vervolgens door Rined als mengvoeder is afgezet bij verschillende afnemers. Niet betwist is dat via Rined het product zonder dat dit vergezeld was van de op grond van de Regeling In-en uitvoercontroles diervoeders 1998 vereiste documenten, is doorgeleverd. De rechtbank ontleent aan de verklaring van [A] (toenmalig bestuurder van Rined) 26/6/2002 AID (CvA Wyeth prod. 17) het volgende omtrent de achtergrond van deze leveranties. Wij werden telefonisch benaderd door [B] van ZV (Zeeland Voeders,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.