RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 13/3042 uitspraak van de meervoudige kamer van 1 mei 2014 in de zaak tussen [eiseres], te [woonplaats], eiseres, en de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 16 januari 2013 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de uitkering van eiseres op grond van de Werkloosheidswet (WW) herzien over de periode van 30 november 2009 tot en met 28 februari
- Bepaald is dat eiseres een bedrag van € 8.891,39 moet terugbetalen. Bij besluit van 21 januari 2013 (het primaire besluit 2) heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat zij ten onrechte een faillissementsuitkering op grond van de WW heeft ontvangen en dat zij over de periode van 1 juni 2009 tot en met 27 november 2009 een bedrag van € 20.395,46 moet terugbetalen. Bij besluit van 25 april 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaarschriften van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april
- Eiseres is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. D. Spiering. Overwegingen
- De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 14 oktober 2009 is [bedrijf] BV te [plaatsnaam] failliet verklaard. Op 6 mei 2010 is door de curator bij de FIOD aangifte gedaan van faillissementsfraude. Naar aanleiding hiervan heeft een onderzoek plaatsgevonden. Op 17 december 2012 is een rapport werknemersfraude opgesteld en op 7 januari 2013 is een aanvullend rapport opgesteld. In dit rapport wordt geconcludeerd dat ten aanzien van eiseres sprake was van een gefingeerd dienstverband. Eiseres stond in het personeelsbestand en Suwinet geregistreerd met een dienstverband bij [bedrijf] BV sedert 1 mei
- Uit het faillissementsdossier blijkt, dat eiseres was geregistreerd als algemeen medewerkster, voor 40 uur per week. Eiseres heeft in de periode van 19 oktober 2009 tot en met 27 november 2009 een faillissementsuitkering op grond van de WW ontvangen, in verband met het faillissement van [bedrijf] BV. In de periode van 30 november 2009 tot en met 28 februari 2010 heeft eiseres een WW uitkering ontvangen.
- Het bestreden besluit is gebaseerd op het standpunt dat eiseres op basis van een gefingeerd dienstverband een faillissementsuitkering en een WW-uitkering heeft ontvangen. Er was geen sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, zodat eiseres gelet hierop niet verzekerd was voor de werknemersverzekeringen en geen recht had op de uitkeringen. Zij dient de ten onrechte ontvangen uitkeringen inclusief loonheffing terug te betalen aan verweerder. Van een dringende reden is volgens verweerder niet gebleken.
- Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat zij wel degelijk werkzaam is geweest voor [bedrijf] BV.
- De rechtbank overweegt als volgt. De beroepsgrond van eiseres betreft een niet nader gemotiveerde herhaling van hetgeen zij in bezwaar heeft aangevoerd. In het bestreden besluit is verweerder voldoende gemotiveerd op die gronden ingegaan onder verwijzing naar thans geldende jurisprudentie. Hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd kan niet leiden tot het oordeel dat de weerlegging van de bezwaargronden door verweerder onjuist of onvolledig zou zijn. Het enkele standpunt dat eiseres wel werkzaam is geweest bij [bedrijf] BV kan niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep nu nadere onderbouwing van deze stelling ontbreekt. Gelet hierop kan hetgeen is aangevoerd niet leiden tot een gegrond beroep.
- Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, voorzitter, mr. L.M. Kos en mr. A.T.B. de Vries, leden, in aanwezigheid van mr. A. Buiskool, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 mei
- griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.