← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2014:825

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf Locatie Schiphol Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/801182-13 (P) Uitspraakdatum: 29 januari 2014 Tegenspraak Vonnis Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15 januari 2014 in de zaak tegen: [verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Breda. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. van Eck en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. W.J.J. Lunsingh Tonckens, advocaat te Maastricht, naar voren hebben gebracht.

  1. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 14 oktober 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 29.819,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
  2. Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
  3. Bewijs 3.
  4. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, in die zin dat sprake is van medeplegen van de verlengde invoer van 29.819,7 gram cocaïne met medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna ook: [medeverdachte 1]), medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna ook: [medeverdachte 2]) en medeverdachte [medeverdachte 3] (hierna ook: [medeverdachte 3]). 3.
  5. Standpunt van de verdediging De raadsman van verdachte heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. 3.
  6. VrijspraakNaar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte ten laste is gelegd en moet hij daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Vast staat dat op 14 oktober 2013 [koerier 1] (hierna: [koerier 1]) en [koerier 2] (hierna [koerier 2]) vanuit de Dominicaanse Republiek zijn aangekomen op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, met twee koffers met daarin een hoeveelheid van in totaal ongeveer 29.819,7 gram van een stof bevattende cocaïne. Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan worden afgeleid dat [verdachte], [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op 13 oktober 2013 op Schiphol waren en daar om 21.45 uur met vlucht EZY8882 naar Londen Gatwick zijn gevlogen. [verdachte] heeft het vliegticket geboekt voor zichzelf en voor [medeverdachte 3]. In Londen zijn zij alle vier in hetzelfde hotel verbleven. Op 14 oktober 2013 om 6.10 uur zijn zij met vlucht EZY8869 vanuit Londen Gatwick weer terug naar Schiphol gevlogen. De vier mannen zijn slechts enkele uren in Londen geweest. Deze vlucht is op 14 oktober 2013 om 8.22 uur op Schiphol geland. Voorts is gebleken dat [verdachte] en [medeverdachte 3] zich op 14 oktober 2013 na 10.15 uur nog op airside van Schiphol bevonden en dat [verdachte] en [medeverdachte 3] aldaar, nabij de Mac Donalds, oogcontact hebben gemaakt met de twee koeriers ([koerier 1] en [koerier 2]), waarop deze laatste twee achter [verdachte] en [medeverdachte 3] zijn aangelopen. Op het moment dat [koerier 2], [koerier 1] en [medeverdachte 3] achter elkaar een toiletblok in liepen, is [verdachte] een rookhok binnengelopen. Toen achtereenvolgens [koerier 2], [koerier 1] en [medeverdachte 3] langs het rookhok liepen, is [verdachte] aangesloten en zijn zij met de trap naar beneden gelopen. Op een gegeven moment is [verdachte] gestopt en heeft hij in de richting van [koerier 1] gekeken. Vervolgens zijn [verdachte], [medeverdachte 3], [koerier 1] en [koerier 2] op de kop van de F-pier bij elkaar gekomen en werd een gesprek gevoerd met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. Vervolgens heeft [verdachte] samen met [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en de twee koeriers de roltrap genomen richting de paspoortcontrole gelegen in aankomst
  7. In de nabijheid van de paspoortcontrole is [verdachte] samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] op een bankje gaan zitten. De koeriers gingen allebei apart op andere bankjes zitten. Daarna zijn zij alle vijf opgestaan. [medeverdachte 3] en [verdachte] wilden de grensdoorlaatpost passeren en zijn aangehouden. De koeriers zijn vervolgens met een onderlinge tussenafstand van meerdere meters achter [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aangelopen van bagagehal 3 naar bagagehal
  8. Vervolgens zijn ook zij aangehouden. [verdachte] heeft ontkend betrokken te zijn bij de (verlengde) invoer van de cocaïne. Naar het oordeel van de rechtbank leveren bovenstaande feiten en omstandigheden slechts het vermoeden op dat [verdachte] naar Londen is gevlogen met het doel om op airside van Schiphol te raken en om daar contact te maken met de koeriers en hen te begeleiden, maar kan dit met onvoldoende zekerheid worden vastgesteld. Zo kan aan de hand van de onder [verdachte] in beslag genomen telefoon enkel aan de hand van de contactenlijst een indirecte link met de koeriers worden gelegd. Voorts kan uit de geobserveerde gedragingen van [verdachte] met onvoldoende zekerheid worden afgeleid dat [verdachte] bij de invoer van de cocaïne betrokken is geweest. De rechtbank concludeert dan ook dat op grond van de inhoud van het dossier, noch op grond van het onderzoek ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat [verdachte] zich samen met een ander of anderen schuldig heeft gemaakt aan de (verlengde) invoer van een hoeveelheid cocaïne. Vermoedens en aanwijzingen zijn immers onvoldoende voor een bewezenverklaring. Verdachte zal derhalve worden vrijgesproken.
  9. Beslissing De rechtbank: Verklaart niet bewezen wat aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. van den Bos, voorzitter, mr. S.C.A. van Kuijeren en mr. M.I. Bloch, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Keulers, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 januari
  10. Mr. Bloch is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.