vonnis RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling privaatrecht Sectie Handel & Insolventie zaaknummer / rolnummer: C/15/188705 / HA ZA 12-30 Vonnis van 16 juli 2014 in de zaak van 1 [eiser1],
(2)kosten toenmalige advocaat:wettelijke rente vanaf de dag van betaling van betreffende factuur, derhalve - over (35% x € 773,60 =) € 270,76 vanaf 24 december 2009 - over (35% x € 235,47 =) € 82,41vanaf 8 februari 2010 - over (35% x € 3.325,25 =) € 1.163,84 vanaf 2 maart 2010 - over (35% x € 4.510,59 =) € 1.578,71 vanaf 8 maart 2010 - over (35% x € 813,66 =) € 284,78 vanaf 19 juli 2010 - over (35% x € 427,89 =) € 149,76 vanaf 27 augustus 2010 - over (35% x € 1.811,72 =) € 634,10 vanaf 9 december 2010 - over (35% x € 1.197,27 =) € 419,04 vanaf 19 januari 2011 - over (35% x € 1.368,08 =) € 478,83 vanaf 23 maart
- Buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten 2.
- De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. [eiser1] c.s. heeft tegenover de betwisting door Köster niet nader onderbouwd dat hij deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. 2.
- Köster zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [eiser1] c.s. op basis van het toegewezen bedrag op: - dagvaarding € 90,81 - griffierecht 267,00 - salaris advocaat 5.684,00 (4,0 punten × tarief € 1.421,00) Totaal € 6.041,81 De door [eiser1] c.s. gevorderde veroordeling in de nakosten is eveneens toewijsbaar. 3De beslissing De rechtbank 3.
- verklaart voor recht dat Köster toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen jegens [eiser1] c.s. en dat de daaruit voortvloeiende schade voor rekening van Köster komt, 3.
- veroordeelt Köster om aan [eiser1] c.s. te betalen een bedrag van € 117.365,36 (honderdzeventienduizend driehonderdvijfenzestig euro en zesendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over € 105.953,70 met ingang van 24 februari 2008 € 6.349,42 met ingang van 29 november 2011 - € 270,76 met ingang van 24 december 2009 - € 82,41 met ingang van 8 februari 2010 - € 1.163,84 met ingang van 2 maart 2010 - € 1.578,71 met ingang van 8 maart 2010 - € 284,78 met ingang van 19 juli 2010 - € 149,76 met ingang van 27 augustus 2010 - € 634,10 met ingang van 9 december 2010 - € 419,04 met ingang van 19 januari 2011 - € 478,83 met ingang van 23 maart 2011, telkens tot de dag van volledige betaling, 3.
- veroordeelt Köster in de proceskosten, aan de zijde van [eiser1] c.s. tot op heden begroot op € 6.041,81, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de 15e dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, 3.
- veroordeelt Köster in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Köster niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van de 15e dag na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening, 3.
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 3.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. E. Jochem, mr. R.H.M. Bruin en mr. I.A.M. Tel en in het openbaar uitgesproken op 16 juli
- conc: 213