← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2015:3243

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf Locatie Haarlemmermeer Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/821280-14 Uitspraakdatum: 13 april 2015 Tegenspraak Vonnis (P) Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 30 maart 2015 in de zaak tegen: [verdachte], geboren op [geboortedatum] te Burundi, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zwaag. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. Y.M. Eising en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.C. Pinas, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

  1. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 14 december 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 3107,9 gram, althans een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
  2. Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
  3. Bewijs 3.
  4. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. 3.
  5. Redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten: - de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd; - het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aanhouding d.d. 15 december 2014, dossierparagraaf 1.2; - het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 18 december 2014, dossierparagraaf 3.1; - een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het Douane Laboratorium te Amsterdam d.d. 22 december 2014, kenmerk 15137 X 14, los opgenomen in het strafdossier. 3.
  6. Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat hij op 14 december 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 3.107,9 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
  7. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit Het bewezenverklaarde levert op: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.
  8. Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.
  9. Motivering van de sanctie 6.
  10. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van het voorarrest. 6.
  11. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft gepleit voor een groot voorwaardelijk deel van de straf, zodat verdachte zijn leven kan opbouwen en aan zijn toekomst kan werken. 6.
  12. Oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 3.107,9 gram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de straf zoals door de officier van justitie geëist passend en geboden is. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte geen aanleiding om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.
  13. Toepasselijke wettelijke voorschriften De volgende wetsartikelen zijn van toepassing: artikel 2 en 10 van de Opiumwet.
  14. Beslissing De rechtbank: Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.
  15. weergegeven. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij. Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder
  16. vermelde strafbare feit oplevert. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden. Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. van der Heijden, voorzitter, mr. M.J.M. Verpalen en mr. J. Italianer, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. C.W. van der Hoek, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 april
  17. Mr. J. Italianer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.