RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf Locatie Alkmaar Enkelvoudige raadkamer Registratienummer: 15-001499 Parketnummer: 15-086372-12 Uitspraakdatum: 1 mei 2015 Beschikking (art. 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden) 1Ontstaan en loop van de procedure Op 19 maart 2015 is op de griffie van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, ingekomen een door mr. A.M.J. Comans ingediend bezwaarschrift, gedateerd 16 maart 2015 van [veroordeelde], veroordeelde, geboren op [geboortedatum], wonende te [woonplaats] , domicilie kiezende te (1043 EJ) Amsterdam, ten kantore van mr. A.M.J. Comans, advocaat. Het bezwaarschrift is gericht tegen het nader bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde, ten behoeve waarvan op bevel van de officier van justitie te Haarlem van 13 november 2014 op 2 maart 2015 bij veroordeelde celmateriaal is afgenomen. Op 20 april 2015 is dit bezwaarschrift in raadkamer behandeld. Voor veroordeelde is verschenen mr. A.M.J. Comans, voornoemd. Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. A.F. van Kooij. 2Standpunten Het standpunt van veroordeelde komt er - zakelijk weergegeven - op neer dat sprake is van de uitzonderingsgrond van artikel 2, eerste lid onder b Wet DNA en wel om de volgende redenen. Er is sprake van een veroordeling wegens eenvoudige winkeldiefstal. Veroordeelde heeft zich steeds op standpunt gesteld dat sprake was van een vergissing. De stelling van veroordeelde wordt niet weersproken door bewijsmiddelen. Voorts heeft de raadsman gesteld dat artikel 4 Wet DNA is geschonden. Veroordeelde heeft zich op het politiebureau gemeld voor afname van DNA materiaal en is vervolgens aangehouden. Hij heeft geen bevel tot aanhouding uitgereikt gekregen. In de bezwaarschriftprocedure kan een onrechtmatige of onbehoorlijke toepassing van dwangmiddelen worden meegewogen in de beoordeling. Het standpunt van de officier van justitie luidt, zakelijk weergegeven, dat veroordeelde was opgeroepen om op 24 december 2014 voor afname van DNA materiaal. Veroordeelde is toen niet verschenen. In de oproep staat vermeld dat indien men zich naar aanleiding van de oproep tot afname van DNA materiaal niet meldt er een aanhoudingsbevel wordt uitgevaardigd, waardoor op ieder moment aanhouding en overbrenging naar een politiebureau mogelijk is. In het overig door de raadsman gestelde ziet de officier van justitie geen bijzondere omstandigheid die tot gegrondverklaring van het bezwaar zou kunnen leiden. 3Beoordeling Het bevel van de officier van justitie tot afname van DNA materiaal van 13 maart 2014 is gegrond op artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna: de Wet), waarbij als grondslag heeft gediend de veroordeling van Stegeman voornoemd op 24 augustus 2012 door de politierechter in deze rechtbank. Veroordeelde is tegen dit vonnis in beroep gekomen. Het gerechtshof te Amsterdam heeft veroordeelde bij arrest van 26 augustus 2013 veroordeeld terzake van artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht. Dit arrest is op 23 september 2014 onherroepelijk geworden. Veroordeelde heeft op 2 maart 2015 middels afname van wangslijmvlies celmateriaal afgestaan ten behoeve van DNA-onderzoek. Het bezwaarschrift dat veroordeelde heeft ingediend tegen het bepalen en verwerken van haar DNA-profiel is tijdig ingediend. In op 13 mei 2008 gewezen arresten stelt de Hoge Raad voorop dat tekst, alsmede doel en strekking van de Wet als uitgangspunt hebben dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich één van de in het eerste lid genoemde - en beperkt uit te leggen - uitzonderingen voordoet. De in artikel 2, eerste lid, onder a, van de Wet genoemde uitzondering doet zich niet voor, nu niet gebleken is dat reeds een DNA-profiel van veroordeelde is verwerkt. De rechtbank dient derhalve, op grond van artikel 2, eerste lid onder b, van de Wet, te beoordelen of redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Ten aanzien van deze uitzonderingsgrond geldt, dat in de aard van het ten laste van veroordeelde bewezen verklaarde misdrijf van artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht, noch in de omstandigheden waaronder dat misdrijf is gepleegd, grond kan worden gevonden om te concluderen dat DNA-onderzoek niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Ook wat betreft de aard van het misdrijf is van een uitzonderingsituatie derhalve geen sprake. Dat geldt temeer, nu verdachte reeds eerder voor soortgelijke feiten onherroepelijk is veroordeeld. De raadsman heeft ter zitting terecht opgemerkt dat in de bezwaarschriftprocedure een onrechtmatige of onbehoorlijke toepassing van dwangmiddelen kan worden meegewogen in de beoordeling van het onderhavige bezwaar. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat veroordeelde geen bevel tot aanhouding uitgereikt heeft gekregen alvorens hij op het politiebureau werd aangehouden en dat veroordeelde vervolgens enkele uren heeft vastgezeten, voordat de DNA-afname kon plaatsvinden. Nog daargelaten dat in het kader van de onderhavige procedure niet kan worden beoordeeld of dat feitelijk juist is – dit standpunt werd pas voor het eerst op de zitting ingenomen –, overweegt de rechtbank het volgende. Volgens art. 4 lid 1 van de Wet dient een bevel tot aanhouding “onverwijld” aan de veroordeelde te worden uitgereikt, ná zijn aanhouding. Art. 4 leden 6 en 7 van de Wet bepalen echter ook dat het bevel zo spoedig mogelijk na de aanhouding wordt tenuitvoergelegd en dat dat in ieder geval binnen zes uren na de aanhouding moet zijn gebeurd. Ook in de lezing van de veroordeelde is in ieder geval aan die laatste twee bepalingen voldaan. Een en ander leidt tot het oordeel dat geen sprake is van een zodanige onbehoorlijke toepassing van dwangmiddelen dat dat zou moeten leiden tot het door veroordeelde gewenste gevolg. Gelet op al het voorgaande, wordt als volgt beslist. 4Beslissing De rechtbank: verklaart het bezwaarschrift ongegrond. 5Samenstelling enkelvoudige kamer en uitspraakdatum Deze beschikking is gegeven door: mr. L.J. Saarloos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. van Randeraat, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2015.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.