RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Privaatrecht Sectie Kanton - locatie Zaanstad Zaaknr./rolnr.: 4293602 \ AO VERZ 15-58 Uitspraakdatum: 3 september 2015 Beschikking in de zaak van: de besloten vennootschap Traduco BV, gevestigd te Heerhugowaard verzoekende partij verder te noemen: de werkgever gemachtigde: mr. D.C. Coppens tegen [werknemer] , wonende te [plaats] verwerende partij verder te noemen: de werknemer gemachtigde: mr. P.R. Rojer 1Het procesverloop 1.
- De werkgever heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. De werknemer heeft een verweerschrift ingediend. 1.
- Op 27 augustus 2015 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. 2De beoordeling 2.
- De werkgever verzoekt de arbeidsovereenkomst met de werknemer te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Aan dit verzoek legt de werkgever ten grondslag dat sprake is van – kort gezegd – een verstoorde arbeidsverhouding en dat herplaatsing van de werknemer niet meer mogelijk is. 2.
- De werknemer heeft erkend dat inmiddels sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van de werkgever in redelijkheid niet meer kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ook de werknemer ziet geen mogelijkheden meer voor herplaatsing. 2.
- Nu de werknemer heeft erkend dat de arbeidsverhouding verstoord is, en partijen het erover eens zijn dat die verstoring onherstelbaar is en herplaatsing van de werknemer niet meer mogelijk moet worden geacht, zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden. Gelet op de standpunten van partijen is immers sprake van een redelijke grond voor ontbinding als bedoeld in artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, BW, in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel g, BW, en is er geen mogelijkheid tot herplaatsing van de werknemer. De kantonrechter benadrukt dat van de grond voor ontbinding werknemer geen verwijt valt te maken. 2.
- Partijen zijn het erover eens dat sprake is van een opzegtermijn van een maand. Daarvan uitgaande zal de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW worden ontbonden met ingang van 1 november
- 2.
- Partijen zijn het er ook over eens dat de werknemer aanspraak heeft op een transitievergoeding van € 12.913,00 bruto. De werkgever zal daarom worden veroordeeld tot betaling van die vergoeding. 2.
- De werkgever heeft ter zitting te kennen gegeven dat geen gebruik zal worden gemaakt van de bevoegdheid om het verzoek in te trekken. De werkgever hoeft daarom ook geen gelegenheid te krijgen voor intrekking. 2.
- Gezien de uitkomst van de zaak is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen. 3De beslissing De kantonrechter: 3.
- ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 november 2015; 3.
- veroordeelt de werkgever om aan de werknemer een transitievergoeding te betalen van € 12.913,00 bruto; 3.
- bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt; 3.
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gewezen door mr. P.J. Jansen, kantonrechter en op 3 september 2015 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter