RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 14/4951 uitspraak van de meervoudige kamer van 21 september 2015 in de zaak tussen [eiseres] B.V., te [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr. M. Kluft), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (gemachtigde: J.H. van der Zijden). Procesverloop Verweerder heeft bij verscheidene besluiten in de periode van september 2013 tot en met mei 2014 aan eiseres medegedeeld welk bedrag aan door verweerder aan [naam 1] (hierna: de ex-werkneemster) over die maanden betaalde uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) op eiseres worden verhaald. Bij besluit van 17 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2015. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Overwegingen 1.1. Eiseres is sinds 1 juli 2008 eigenrisicodrager voor uitkeringen op grond van de regeling Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA). De ex-werkneemster was oorspronkelijk als schoonmaakster in dienst bij eiseres. Aan de ex-werkneemster is vanaf 17 september 2008 een WIA-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55,6%. De ex-werkneemster was op dat moment als schoonmaakster (gedeeltelijk) aan het werk bij [naam 2] ! Uitzendbureau. Het inkomen wat zij verdient wordt in mindering gebracht op haar uitkering. Per 1 maart 2009 is de uitkering van de ex-werkneemster op verzoek van eiseres rechtstreeks aan de ex-werkneemster betaald. Bij besluit van 4 september 2009 is aan de ex-werkneemster per 17 februari 2010 een loonaanvullingsuitkering toegekend. Verweerder heeft vervolgens aan de ex-werkneemster laten weten dat vanaf 1 september 2012 één keer per zes maanden de hoogte van haar uitkering aan de hand van gegevens van de belastingdienst zal worden berekend. De uitkering van de ex-werkneemster wordt naar een vast bedrag als voorschot aan haar betaald. 1.2. Het besluit van verweerder dat de WGA-uitkering van de ex-werkneemster vanaf 1 januari 2009 onder het risico van eiseres valt heeft in bezwaar en beroep stand gehouden. Het daaropvolgende verhaalsbesluit met betrekking tot de periode van 1 januari 2009 tot 1 maart 2013 heeft eveneens in bezwaar en beroep stand gehouden (zie de uitspraak van 26 mei 2014 van de meervoudige kamer van deze rechtbank met zaaknummers HAA 13/2017 en 13/4747). 1.3. Verweerder heeft vervolgens in de periode van september 2013 tot en met mei 2014 maandelijks besluiten genomen waarbij is vermeld tot welk bedrag de door verweerder aan de ex-werkneemster betaalde WIA-uitkering op eiseres zal worden verhaald. 1.4. In 2014 heeft verweerder het recht op een WIA-uitkering van de ex-werkneemster opnieuw beoordeeld. Als gevolg van deze beoordeling heeft verweerder de WIA-uitkering van de ex-werkneemster bij besluit van 14 maart 2014, per 15 mei 2014 beëindigd omdat gebleken is dat zij reeds sinds 1 september 2012 meer dan 65% van haar maatmanloon verdient en zij derhalve minder dan 35% arbeidsongeschikt is. 1.5. Hiertegen heeft eiseres op 31 maart 2014 bezwaar gemaakt. Aangevoerd is dat de ex-werkneemster al vanaf 1 september 2012 meer dan 65% van het maatmanloon verdiende, zodat de uitkering op grond van artikel 56, derde lid van de Wia maximaal één jaar daarna beëindigd had moeten worden. Het verhaal dient derhalve volgens eiseres beperkt te worden tot 1 september 2013. 1.6. Verweerder heeft dit bezwaar bij besluit van 28 mei 2014 ongegrond verklaard. De WIA-uitkering van de ex-werkneemster is volgens verweerder op grond van artikel 56, derde lid van de WIA en gelet op de uitlooptermijn van twee maanden terecht per 15 mei 2014 beëindigd. Verweerder heeft voorts medegedeeld dat eiseres met betrekking tot het verhaal van de WIA-uitkering apart bezwaar kan maken. Tegen deze beslissing op bezwaar heeft eiseres geen beroep ingesteld. 2. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres tegen de verhaalsbesluiten van september 2013 tot en met mei 2014 ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij verplicht is de uitkering die hij aan de ex-werkneemster betaald heeft te verhalen op eiseres. Er is volgens verweerder geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van deze verplichting dient te worden afgeweken. De omstandigheid dat de uitkering eerder beëindigd had moeten worden is niet zo’n bijzondere omstandigheid. Artikel 115 van de WIA staat er volgens verweerder aan in de weg dat eiseres in onderhavige procedure bezwaren formuleert tegen de uitkering en de tijdigheid van de beoordeling. Eiseres kan alleen bezwaar maken tegen het bedrag dat verweerder aan uitkeringslasten bij haar in rekening brengt. Daarbij kan niet als grond worden aangevoerd dat er ten onrechte uitkering is verstrekt. Eiseres heeft voorts geen bezwaren aangevoerd tegen de hoogte van de bedragen die zij moet terugbetalen. Deze zijn derhalve niet heroverwogen. De enkele omstandigheid dat verweerder niet tijdig een beoordeling heeft gedaan, leidt er niet toe dat van de dwingendrechtelijke bepaling dient te worden afgeweken. Middels het nalaten van een tijdige beoordeling heeft verweerder de algemene rechtsbeginselen volgens hem niet op zodanige wijze geschonden dat de consequenties hiervan niet voor rekening van eiseres mogen worden gebracht. Verweerder is dan ook van mening dat over de periode van september 2013 tot en met mei 2014 terecht de aan de ex-werkneemster betaalde WGA-uitkering op eiseres is verhaald. 3. Eiseres voert in beroep in de eerste plaats aan dat het verweerder (op grond van de gegevens van de Belastingdienst) ten aanzien van ex-werkneemster duidelijk had moeten zijn dat er vanaf 1 september 2012 sprake was van een situatie zoals vermeld in artikel 56, derde lid van de WIA, zodat verweerder de WGA-uitkering per 1 september 2013 had dienen te beëindigen. Door dat niet te doen heeft verweerder niet conform de wettelijke verplichting gehandeld. Er is in verband met de regel van artikel 56, derde lid van de WIA per 1 september 2013 dwingendrechtelijk een einde gekomen aan de WGA-uitkering van ex-werkneemster.De rechtbank begrijpt dit primaire standpunt van eiseres aldus dat volgens haar sprake is van onjuiste toepassing van artikel 56, derde lid van de WIA, nu van rechtswege het recht op een WIA-uitkering van de ex-werkneemster per 1 september 2013 is beëindigd zodat de uitbetaling ervan ten onrechte op eiseres is verhaald. Subsidiair stelt eiseres dat sprake is van zeer bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder de uitkering niet op eiseres had mogen verhalen. 4. De rechtbank ziet zich allereerst geplaatst voor de vraag of door eiseres tijdig bezwaar is gemaakt tegen de verhaalsbesluiten. De rechtbank dient dit ambtshalve te toetsen omdat deze vraag van openbare orde is. De rechtbank is -met verweerder- van oordeel dat het bezwaar van eiseres ontvankelijk is. Hoewel het bezwaar van eiseres van 31 maart 2014 (nadien aangevuld bij brief van 18 juli 2014) voor zover gericht tegen de verhaalsbesluiten vanaf september 2013 tot en met januari 2014 buiten de daarvoor geldende termijn is ingediend, is de rechtbank van oordeel dat dit verzuim in het onderhavige geval verschoonbaar is. Zij neemt daarbij in aanmerking dat eiseres eerst nadat zij bekend werd met het besluit van 14 maart 2014, waarbij de WIA-uitkering van de ex-werkneemster per 15 mei 2014 is beëindigd wegens een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% op basis van feitelijke verdiensten, pas reden had tot twijfel aan de juistheid van de verhaalsbesluiten. Op 31 maart 2014 heeft eiseres dan ook haar bezwaar (tegen de verhaalsbesluiten) kenbaar gemaakt. Daarbij komt dat verweerder eiseres bij het hier opvolgende besluit op bezwaar van 28 mei 2014 heeft medegedeeld dat er (nog) een bezwaarmogelijkheid bestond tegen de verhaalsbesluiten. Hiervan heeft eiseres vervolgens op 18 juli 2014 gebruik gemaakt. 5. De vraag die voorts dient te worden beantwoord is of verweerder de in de periode van september 2013 tot en met mei 2014 aan de ex-werkneemster uitbetaalde WIA-uitkering terecht op eiseres heeft verhaald. 6. De rechtbank is in de eerste plaats - anders dan verweerder - van oordeel dat het bepaalde in artikel 115 van de WIA eiseres niet kan worden tegengeworpen. Uit dit artikel volgt -voor zover hier van belang- dat een bezwaar of beroep van een werkgever tegen een verhaalsbesluit (zoals in het onderhavige geval) niet kan zijn gegrond op de grief dat een uitkering op grond van de WIA ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Anders dan verweerder kennelijk meent richten de beroepsgronden van eiseres zich naar het oordeel van de rechtbank niet tegen het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekken van de uitkering van de ex-werkneemster, maar tegen het -als gevolg van een (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.