RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf Locatie Haarlemmermeer Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/840187-13 (P) (onderzoek Gunn) Uitspraakdatum: 28 september 2015 Tegenspraak Vonnis Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 31 augustus 2015, 1 september 2015, 2 september 2015, 3 september 2015, 9 september 2015, 10 september 2015 en 14 september 2015 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Almere te Almere. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L.B. Haneveld en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A.H.J. Raaijmakers, advocaat te Culemborg, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat: feit 1: (zaakdossier B01) hij op of omstreeks 14 oktober 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 30 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; feit 2 primair: (zaakdossier B03) hij op of omstreeks 2 januari 2014 te Schiphol en/of Heeswijk-Dinther en/of Schijndel en/of Maastricht en/of Culemborg en/of Weert en/of Ede, in elk geval een of meer plaats(
- en)in Nederland en/of Brussel, in elk geval een of meer plaats(
- en)in België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland en/of België heeft/hebben gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; feit 2 subsidiair: hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 december 2013 tot en met 4 januari 2014, te Schiphol en/of Heeswijk-Dinther en/of Schijndel en/of Maastricht en/of Culemborg en/of Weert en/of Ede, in elk geval een of meer plaats(
- en)in Nederland en/of Brussel, in elk geval een of meer plaats(
- en)in België en/of Dominicaanse Republiek, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, buiten en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, - ( telkens) zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(
- en)heeft getracht te verschaffen en/of - ( telkens) een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(
- en)te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of - ( telkens) voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of anderen betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(
- s)(telkens) wist(
- en)of ernstig redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(
- en)immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(
- s)tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens): - ( meermalen) met elkaar en/of met (een) (contactpersoon van) opdrachtgever(
- s)(telefonisch) contact laten leggen/gelegd en/of (laten) onderhouden en/of - ( meermalen) afspraken laten maken en/of gemaakt om elkaar te ontmoeten en/of - ( meermalen) ontmoetingen gehad en/of laten arrangeren en/of gearrangeerd om afspraken te maken en/of informatie door te (laten) geven en/of - ( meermalen)(telefonisch) informatie laten vertrekken en/of verstrekt en/of instructie(
- s)laten geven en/of gegeven en/of informatie en/of instructie(
- s)(laten) ontvangen ten behoeve van (invoer van) een (of meer) zending(
- en)of transport(
- en)verdovende middelen en/of - ( meermalen) vlucht- en/of reizigersgegevens laten doorgeven en/of doorgegeven en/of (laten) ontvangen en/of - ( meermalen) (een) koerier(
- s)en/of afhaler(
- s)(van de koerier(s)) laten ronselen en/of geronseld en/of laten zoeken/gezocht en/of - ( meermalen) (telefonisch) contact laten leggen/gelegd en/of (laten) onderhouden met koerier(
- s)en/of afhaler(
- s)(van de koerier(s)) en/of - ( meermalen) voor koeriers en/of afhalers (van de koeriers) tickets laten boeken en/of geboekt en/of laten betalen en/of betaald en/of - ( meermalen) informatie (betreffende vluchten van koeriers en/of afhalers (van de koerier(s)) laten opzoeken en/of opgezocht en/of laten uitzoeken en/of uitgezocht en/of - geld laten geven en/of gegeven en/of laten ontvangen en/of ontvangen om tickets te (laten) kopen en/of te (laten) regelen en/of te (laten) boeken met bestemmingen binnen Europa en/of Zuid-Amerika en/of - contact(
- en)laten leggen en/of gelegd met een (contactpersoon van) leverancier(
- s)van verdovende middelen (in (een) bronland(en)) en/of - informatie laten geven en/of gegeven en/of (laten) ontvangen over de dag en/of aankomsttijd(
- en)en/of vluchtnummer(
- s)van de vlucht(
- en)waarop de cocaïne aanwezig zou zijn en/of - ( vervolgens) (met deze vliegtickets) laten afreizen en/of afgereisd naar de/een luchthaven (binnen Europa) en/of - ( vervolgens) (met deze vliegtickets) zich toegang laten verschaffen en/of verschaft tot het beveiligde gedeelte (airside) van de/een luchthaven (binnen Europa) en/of - ( vervolgens) instructies (laten) ontvangen en/of laten geven en/of gegeven over hoe en/of van wie de cocaïne diende te worden overgenomen en/of overgedragen; - ( meermalen) geld laten ontvangen en/of ontvangen en/of laten geven en/of gegeven aan een (contactpersoon van) leveranciers van verdovende middelen en/of koeriers en/of afhalers (van koeriers); feit 3: (zaakdossier B05) hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 december 2013 tot en met 3 februari 2014, te Schiphol en/of Heeswijk-Dinther en/of Schijndel en/of Maastricht en/of Culemborg en/of Weert en/of Ede, in elk geval een of meer plaats(
- en)in Nederland en/of Brussel, in elk geval een of meer plaats(
- en)in België en/of Dominicaanse Republiek, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, buiten en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, - ( telkens) zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(
- en)heeft getracht te verschaffen en/of - ( telkens) een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(
- en)te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of - ( telkens) voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of anderen betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(
- s)(telkens) wist(
- en)of ernstig redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(
- en)immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(
- s)tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens): - ( meermalen) met elkaar en/of met (een) (contactpersoon van) opdrachtgever(
- s)(telefonisch) contact laten leggen/gelegd en/of (laten) onderhouden en/of - ( meermalen) afspraken laten maken en/of gemaakt om elkaar te ontmoeten en/of - ( meermalen) ontmoetingen gehad en/of laten arrangeren en/of gearrangeerd om afspraken te maken en/of informatie door te (laten) geven en/of - ( meermalen)(telefonisch) informatie laten vertrekken en/of verstrekt en/of instructie(
- s)laten geven en/of gegeven en/of informatie en/of instructie(
- s)(laten) ontvangen ten behoeve van (invoer van) een (of meer) zending(
- en)of transport(
- en)verdovende middelen en/of - ( meermalen) vlucht- en/of reizigersgegevens laten doorgeven en/of doorgegeven en/of (laten) ontvangen en/of - ( meermalen) (een) koerier(
- s)en/of afhaler(
- s)(van de koerier(s)) laten ronselen en/of geronseld en/of laten zoeken/gezocht en/of - ( meermalen) (telefonisch) contact laten leggen/gelegd en/of (laten) onderhouden met koerier(
- s)en/of afhaler(
- s)(van de koerier(s)) en/of - ( meermalen) voor koeriers en/of afhalers (van de koeriers) tickets laten boeken en/of geboekt en/of laten betalen en/of betaald en/of - ( meermalen) informatie (betreffende vluchten van koeriers en/of afhalers (van de koerier(s)) laten opzoeken en/of opgezocht en/of laten uitzoeken en/of uitgezocht en/of - geld laten geven en/of gegeven en/of laten ontvangen en/of ontvangen om tickets te (laten) kopen en/of te (laten) regelen en/of te (laten) boeken met bestemmingen binnen Europa en/of Zuid-Amerika en/of - contact(
- en)laten leggen en/of gelegd met een (contactpersoon van) leverancier(
- s)van verdovende middelen (in (een) bronland(en)) en/of - informatie laten geven en/of gegeven en/of (laten) ontvangen over de dag en/of aankomsttijd(
- en)en/of vluchtnummer(
- s)van de vlucht(
- en)waarop de cocaïne aanwezig zou zijn en/of - ( vervolgens) (met deze vliegtickets) laten afreizen en/of afgereisd naar de/een luchthaven (binnen Europa) en/of - ( vervolgens) (met deze vliegtickets) zich toegang laten verschaffen en/of verschaft tot het beveiligde gedeelte (airside) van de/een luchthaven (binnen Europa) en/of - ( vervolgens) instructies (laten) ontvangen en/of laten geven en/of gegeven over hoe en/of van wie de cocaïne diende te worden overgenomen en/of overgedragen; - ( meermalen) geld laten ontvangen en/of ontvangen en/of laten geven en/of gegeven aan een (contactpersoon van) leveranciers van verdovende middelen en/of koeriers en/of afhalers (van koeriers); feit 4: (zaakdossier B02) hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 7 februari 2014 tot en met 13 maart 2014, te Schiphol en/of Heeswijk-Dinther en/of Schijndel en/of Maastricht en/of Culemborg en/of Weert en/of Ede, in elk geval een of meer plaats(
- en)in Nederland en/of Brussel, in elk geval een of meer plaats(
- en)in België en/of Dominicaanse Republiek, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, buiten en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, - ( telkens) zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(
- en)heeft getracht te verschaffen en/of - ( telkens) een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(
- en)te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of - ( telkens) voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of anderen betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(
- s)(telkens) wist(
- en)of ernstig redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(
- en)immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(
- s)tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens): - ( meermalen) met elkaar en/of met (een) (contactpersoon van) opdrachtgever(
- s)(telefonisch) contact laten leggen/gelegd en/of (laten) onderhouden en/of - ( meermalen) afspraken laten maken en/of gemaakt om elkaar te ontmoeten en/of - ( meermalen) ontmoetingen gehad en/of laten arrangeren en/of gearrangeerd om afspraken te maken en/of informatie door te (laten) geven en/of - ( meermalen)(telefonisch) informatie laten vertrekken en/of verstrekt en/of instructie(
- s)laten geven en/of gegeven en/of informatie en/of instructie(
- s)(laten) ontvangen ten behoeve van (invoer van) een (of meer) zending(
- en)of transport(
- en)verdovende middelen en/of - ( meermalen) vlucht- en/of reizigersgegevens laten doorgeven en/of doorgegeven en/of (laten) ontvangen en/of - ( meermalen) (een) koerier(
- s)en/of afhaler(
- s)(van de koerier(s)) laten ronselen en/of geronseld en/of laten zoeken/gezocht en/of - ( meermalen) (telefonisch) contact laten leggen/gelegd en/of (laten) onderhouden met koerier(
- s)en/of afhaler(
- s)(van de koerier(s)) en/of - ( meermalen) voor koeriers en/of afhalers (van de koeriers) tickets laten boeken en/of geboekt en/of laten betalen en/of betaald en/of - ( meermalen) informatie (betreffende vluchten van koeriers en/of afhalers (van de koerier(s)) laten opzoeken en/of opgezocht en/of laten uitzoeken en/of uitgezocht en/of - geld laten geven en/of gegeven en/of laten ontvangen en/of ontvangen om tickets te (laten) kopen en/of te (laten) regelen en/of te (laten) boeken met bestemmingen binnen Europa en/of Zuid-Amerika en/of - contact(
- en)laten leggen en/of gelegd met een (contactpersoon van) leverancier(
- s)van verdovende middelen (in (een) bronland(en)) en/of - informatie laten geven en/of gegeven en/of (laten) ontvangen over de dag en/of aankomsttijd(
- en)en/of vluchtnummer(
- s)van de vlucht(
- en)waarop de cocaïne aanwezig zou zijn en/of - ( vervolgens) (met deze vliegtickets) laten afreizen en/of afgereisd naar de/een luchthaven (binnen Europa) en/of - ( vervolgens) (met deze vliegtickets) zich toegang laten verschaffen en/of verschaft tot het beveiligde gedeelte (airside) van de/een luchthaven (binnen Europa) en/of - ( vervolgens) instructies (laten) ontvangen en/of laten geven en/of gegeven over hoe en/of van wie de cocaïne diende te worden overgenomen en/of overgedragen; - ( meermalen) geld laten ontvangen en/of ontvangen en/of laten geven en/of gegeven aan een (contactpersoon van) leveranciers van verdovende middelen en/of koeriers en/of afhalers (van koeriers); feit 5: (zaakdossier B04) hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2013 tot en met 6 mei 2014 te Schiphol en/of Culemborg en/of Schijndel en/of Heeswijk-Dinther, in elk geval op een of meer plaats(
- en)in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) een geheim en/of geheimen waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader wist(
- en)of redelijkerwijs moest(
- en)vermoeden dat hij, verdachte, en/of zijn mededader (telkens) uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep, te weten als (opsporings)ambtenaar van de Koninklijke Marechaussee werkzaam op Schiphol, (telkens) verplicht was/waren te bewaren, (telkens) opzettelijk heeft/hebben geschonden, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader, -(telkens) in de/het (computer)syste(e)m(
- en)van de Koninklijke Marechaussee, te weten Bps (bedrijfsprocessensysteem) en/of Bls (Bevragen landelijk systeem) en/of (Bps) Grensapplicatie en/of NSIS/List (Nationaal Schengen Informatie Systeem) vertrouwelijke informatie geraadpleegd en/of bevraagd en/of gezocht over/van de navolgende perso(o)n(
- en)en/of persoonssleutel(s); * [verdachte] en/of * [bevraagde persoon(ssleutel) 2] en/of * [bevraagde persoon(ssleutel) 3/afhaler 1] en/of * [bevraagde persoon(ssleutel) 4] en/of * [bevraagde persoon(ssleutel) 5] en/of * [bevraagde persoon(ssleutel) 6] en/of * [bevraagde persoon(ssleutel) 7] en/of * [bevraagde persoon(ssleutel)8/afhaler 2] en/of * [bevraagde persoon(ssleutel) 9] * [medeverdachte 2] en/of * [bevraagde persoon(ssleutel) 11] , met betrekkingen tot (openstaande) signalering(
- en)en/of (lopend(e)) strafrechtelijk(
- e)onderzoek(
- en)en/of opgemaakt(
- e)proces-verba(a)l(
- en)en/of mutatie(
- s)en/of andere vertrouwelijke informatie, in elk geval vertrouwelijke informatie, -(vervolgens) (telkens) deze geraadpleegde en/of bevraagde en/of gezochte informatie anders dan beroepsmatig verstrekt aan een ander en/of anderen, te weten [verdachte] en/of [medeverdachte 1] en/of een of meer derde(n), terwijl die ander(
- en)niet tot kennisneming van die informatie gerechtigd/bevoegd was/waren; feit 6: (zaakdossier B06) hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2013 tot en met 6 mei 2014 te Schiphol en/of Heeswijk-Dinther en/of Schijndel en/of Maastricht en/of Culemborg, in elk geval een of meer plaats(
- en)in Nederland en/of Brussel, in elk geval een of meer plaats(
- en)in België en/of Dominicaanse Republiek, (telkens) heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, waartoe hij, verdachte, en/of zijn mededader(
- s)en/of andere personen behoorden, welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en/of 10a eerste lid, te weten: - het (telkens) tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van (telkens) een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I (artikel 2A OW jo 10 lid 5 OW) en/of - het (telkens) tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne van (telkens) een hoeveelheid cocaïne, (telkens) zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, * (telkens) zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(
- en)heeft getracht te verschaffen en/of * (telkens) een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit feit(
- en)te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of * (telkens) voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of anderen betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(
- s)wist(
- en)of ernstig redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(
- en)(artikel 10a OW). 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3InleidingOp grond van diverse CIE meldingen over de illegale handel in drank en sigaretten werd er door de FIOD een strafrechtelijk onderzoek ingesteld naar medeverdachte [medeverdachte 1] binnen welk onderzoek diverse telecommunicatiemiddelen zijn afgetapt en vele tapgesprekken zijn opgenomen. De informatie uit dit onderzoek van de FIOD, de diverse tapgesprekken en feit dat [medeverdachte 1] eerder ter zake van Opiumwet delicten is veroordeeld hebben uiteindelijk geleid tot een verdenking van drugssmokkel via de luchthaven Schiphol. Naar aanleiding van het bovenstaande is onder leiding van officier van justitie mr. Haneveld door de Koninklijke Marechaussee, Team Zware Criminaliteit (ZwaCri) op 11 oktober 2013 een rechercheonderzoek gestart onder de naam “Gunn”. Dit onderzoek is onderverdeeld in zogenaamde zaaksdossiers, die hierna bij het desbetreffende ten laste gelegde feit afzonderlijk zullen worden behandeld. Verdachte [verdachte] (hierna ook: [verdachte] ) wordt verweten dat hij zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de invoer van een hoeveelheid cocaïne in Nederland op 14 oktober 2013 (feit 1 – zaaksdossier B01) en op 2 januari 2014 (feit 2 primair – zaaksdossier B03). Hierbij zou gebruik zijn gemaakt van zogenaamde afhalers die de koerier(
- s)op het beveiligde gebied van de luchthaven (airside) dienden op te wachten en vervolgens naar het onbeveiligde gebied van de luchthaven (landside) dienden te begeleiden. Voorts wordt verdachte verweten dat hij zich tweemaal schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen met betrekking tot de invoer van cocaïne (feit 3 – zaaksdossier B05 en feit 4 – zaaksdossier B02). Tijdens het onderzoek ten aanzien van verdachte blijkt er ook sprake te zijn van nauwe contacten met een medewerker van de Koninklijke Marechaussee (hierna ook: KMar), te weten medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna ook: (medeverdachte) [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 2] ). Verdachte wordt verweten dat hij zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van schending van een ambtsgeheim, door [medeverdachte 2] te vragen om diverse personen te bevragen in de systemen van de KMar en deze verkregen informatie aan hem, verdachte, terug te koppelen (feit 5 – zaaksdossier B04). Als laatste wordt verdachte verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan deelname van een criminele organisatie, die tot oogmerk had het plegen van Opiumwet gerelateerde delicten (feit 6 – zaaksdossier B06). Onder de hierna op te nemen redengevende feiten en omstandigheden bevinden zich opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken die op grond van gebleken omstandigheden, aan ofwel verdachte ofwel zijn medeverdachten en/of aan andere personen kunnen worden toegeschreven. Per persoon is de koppeling van deze persoon aan een gebruikt telefoon- en/of IMEI-nummer (of –nummers) in een daartoe door de Koninklijke Marechaussee opgemaakt proces-verbaal verantwoord. Nu door en namens verdachte tegen deze koppeling van personen aan voor het bewijs gebruikte telecomgegevens en/of tapgesprekken geen verweer is gevoerd zal de rechtbank volstaan met de verwijzing naar bedoelde processen-verbaal. 4Beoordeling van de ten laste gelegde feiten 4.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 primair, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten, met uitzondering van hetgeen verdachte onder feit 5 is tenlastegelegd omtrent [bevraagde persoon 3] , [medeverdachte 1] , [bevraagde persoon 5] , [bevraagde persoon 7] , [bevraagde persoon 9] en [medeverdachte 2] . 4.2. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw van verdachte heeft partiële vrijspraak van het onder 1 aan verdachte ten laste gelegde feit bepleit. Ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4 heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken, nu het oogmerk van de organisatie niet gericht was op de invoer van cocaïne, maar op de invoer van smaragden. De raadsvrouw van verdachte heeft gepleit voor vrijspraak van het onder 5 ten laste gelegde feit. Het is juist dat verdachte bij medeverdachte [medeverdachte 2] informatie heeft opgevraagd betreffende een aantal personen. Verdachte wist echter niet dat het informatie betrof die niet doorgegeven mocht worden en dat [medeverdachte 2] hierdoor zijn ambtsgeheim zou schenden en het aldus een strafbaar feit betreft, temeer nu de opgevraagde informatie simpele informatie bevat die men ook gewoon bij het CJIB kan opvragen. Gelet hierop kan niet bewezen worden dat verdachte opzet heeft gehad op het schenden van het ambtsgeheim, aldus nog steeds de raadsvrouw. Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde feit, heeft de raadsvrouw van verdachte zich op het standpunt gesteld dat – ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit – niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat er sprake is van een criminele organisatie. Ten aanzien van de overige ten laste gelegde feiten heeft zij zich immers op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken, nu het oogmerk van de organisatie niet gericht was op de invoer van cocaïne, maar op de invoer van smaragden. 4.3.1. Redengevende feiten en omstandigheden feit 1 1. Invoer van cocaïne op 14 oktober 2013 [koerier 1] (hierna: [koerier 1] ) ontmoet [begeleider koeriers] (hierna: [begeleider koeriers] ) en [koerier 2] (hierna: [koerier 2] ) in de Dominicaanse Republiek. Op 13 oktober 2013 vliegen [koerier 1] , [begeleider koeriers] en [koerier 2] vanaf Punta Cana terug naar Amsterdam. Zij zitten naast elkaar in het vliegtuig. Op 14 oktober 2013 om 00:30 uur heeft [koerier 1] het volgende bericht verzonden naar een nummer in gebruik bij verdachte: “we landen om half 10 al”. Verdachte heeft hierna telefonisch contact met zowel [koerier 1] , als [afhaler 1] en [medeverdachte 1] . Op maandag 14 oktober 2013 omstreeks 09:40 uur arriveert de vlucht OR342 vanuit Punta Cana aan de gate D53 en komen de passagiers van boord. Zowel [koerier 2] als [koerier 1] zijn in het bezit van een rolkoffer. Nadat [begeleider koeriers] de controleplaats D53 heeft verlaten, loopt hij via de loopband richting D49. Hierbij maakt hij kort contact met [koerier 1] en vindt er een kort gesprek plaats tussen [begeleider koeriers] en [koerier 1] . Na dit gesprek loopt [begeleider koeriers] door en blijft [koerier 1] op de rolband staan. Vervolgens voeren [koerier 2] en [koerier 1] een gesprek en lopen door richting D2. De onderlinge afstand tussen hen is 3 à 4 meter. [koerier 2] en [koerier 1] blijven staan ter hoogte van de koffiebar gelegen ter hoogte van de D-pier gate 2. [koerier 1] is bezig met zijn mobiele telefoon. [begeleider koeriers] loopt ook richting de D pier en maakt ondertussen veelvuldig gebruik van zijn telefoon. Hij verzond of ontving chat of sms berichten. Ook is hij aan het bellen. Verdachte wordt op Schiphol om 09:49 uur gebeld door [begeleider koeriers] . Er vindt een gesprek plaats van 37 seconden. [begeleider koeriers] loopt de trap af en wordt uiteindelijk bij de paspoortcontrole aangehouden. [koerier 2] , die zich inmiddels aan de kop van de D-pier bevindt, vraagt aan een medewerker waar de McDonald’s zit. Hierop lopen [koerier 1] en [koerier 2] met een tussenafstand van enkele meters naar de McDonald’s. Er wordt een kort gesprek gevoerd tussen [koerier 2] en [koerier 1] . Vervolgens nemen zij plaats op houten bankjes nabij het terras van McDonald’s. [afhaler 2] (hierna: [afhaler 2] ) en [afhaler 3] (hierna: [afhaler 3] ) maken vervolgens op enig moment oogcontact met [koerier 1] en [koerier 2] , waarop deze laatste twee opstaan. [koerier 1] loopt achter [afhaler 2] en [afhaler 3] aan. [koerier 2] loopt parallel in dezelfde richting als [koerier 1] , [afhaler 2] en [afhaler 3] . [koerier 2] loopt een toiletgroep in, gevolgd door [koerier 1] en vervolgens [afhaler 2] . In de toiletgroep maken [afhaler 2] en [koerier 2] gebruik van naastgelegen urinoirs en voeren daar een gesprek met elkaar. [koerier 1] maakt geen gebruik van een urinoir. Vervolgens voeren [koerier 2] en [koerier 1] een gesprek in de toiletruimte. Na dit gesprek verlaten de drie mannen de toiletgroep. De vier mannen lopen uiteindelijk met elkaar met de trap naar beneden, richting de Holland Boulevard. Op de kop van de F-pier ter hoogte van het aldaar gelegen GWK kantoor maakten twee onbekende mannen contact met [koerier 2] , [koerier 1] , [afhaler 2] en [afhaler 3] . Er wordt een gesprek gevoerd. Later blijken deze mannen te zijn genaamd: [afhaler 1] (hierna: [afhaler 1] ) en [afhaler 4] (hierna: [afhaler 4] ). Voornoemde [afhaler 3] , [afhaler 2] , [afhaler 1] en [afhaler 4] zijn op 13 oktober 2013 om 21:45 uur naar Londen Gatwick gevlogen. [afhaler 3] heeft de vlucht geboekt voor zichzelf en [afhaler 2] en [afhaler 4] heeft de vlucht geboekt voor zichzelf en [afhaler 1] . Op 14 oktober 2013 zijn zij om 06:20 uur uit Londen teruggevlogen naar Amsterdam. Op het moment dat [koerier 2] , [koerier 1] en [begeleider koeriers] op Schiphol aankomen zijn [afhaler 3] , [afhaler 2] , [afhaler 1] en [afhaler 4] al een uur en twintig minuten op het internationale gebied van de luchthaven Schiphol. [koerier 2] , [koerier 1] , [afhaler 2] , [afhaler 3] en [afhaler 4] gaan vervolgens in de nabijheid van de paspoort controle van de Koninklijke Marechaussee Aankomst drie verspreid op de bankjes zitten. [afhaler 1] blijft boven aan de roltrap. [koerier 2] , [koerier 1] , [afhaler 2] , [afhaler 3] en [afhaler 4] staan op en lopen in de richting van de grensdoorlaatpost van de Koninklijke Marechaussee Aankomst 3 en passeren deze. Ook [afhaler 1] passeert de grensdoorlaatpost van de Koninklijke Marechaussee Aankomst 3. Uiteindelijk worden allen aangehouden. [afhaler 1] en [afhaler 4] passeren de grenspost van Aankomst 3 op de luchthaven Schiphol omstreeks 10:35 uur. Direct nadat [afhaler 1] de grenspost is gepasseerd wordt hij gebeld door verdachte. [afhaler 1] en verdachte hebben op 14 oktober 2013 veertien keer telefonisch contact. 2. Aantreffen cocaïne in koffers [koerier 2] en [koerier 1] In de handbagage van [koerier 2] werden na zijn aanhouding 15 pakketten aangetroffen. De aangetroffen pakketten, kwamen qua uiterlijk, de manier van verpakken en gewicht overeen met pakketten waarvan de inhoud vermoedelijk verdovende middelen bevatten. Verbalisanten hebben de 15 pakketten aangeduid als categorie A tot en met O en hebben deze nader onderzocht. Het nettogewicht van de in de pakketten aangetroffen stof uit categorie A tot en met O bedroeg in totaal ongeveer 14.946,2 gram. De aangetroffen stof uit alle 15 pakketten werd getest met de van rijkswege verstrekte en daartoe bestemde MMC cocaïne testsets. Er trad een positieve kleurreactie op, zodat aangenomen mocht worden dat de geteste stof vermoedelijk cocaïne betrof. Vervolgens namen verbalisanten 15 representatieve monsters van de aangetroffen stof bestemd om ter analyse te worden overgebracht naar het Douanelaboratorium te Amsterdam, waar is geconcludeerd dat het ingezonden onderzoeksmateriaal cocaïne bevatte. In de handbagage van [koerier 1] werden 15 pakketten met vermoedelijk cocaïne aangetroffen. Verbalisanten hebben de 15 pakketten aangeduid als categorie A tot en met O en hebben deze nader onderzocht met de van rijkswege verstrekte en daartoe bestemde MMC testsets. Ze hebben de aangetroffen stof, uit alle aangetroffen pakketten, getest. Er trad een positieve kleurreactie op, zodat aangenomen mocht worden dat de geteste stof vermoedelijk cocaïne betrof. Het nettogewicht van de aangetroffen stof bedroeg in totaal ongeveer 14.973,5 gram. Vervolgens namen verbalisanten 15 representatieve monsters van de aangetroffen stof bestemd om ter analyse te worden overgebracht naar het Douanelaboratorium te Amsterdam, waar is geconcludeerd dat het ingezonden onderzoeksmateriaal cocaïne bevatte. De onder [koerier 1] en onder [koerier 2] in beslag genomen verdovende middelen zijn vergeleken en hierbij is vastgesteld dat de wijze van verpakken van de pakketten met verdovende middelen nagenoeg hetzelfde is. Het pakket genaamd monster 13-074372A aangetroffen en in beslaggenomen in de handbagage van [koerier 2] , heeft nagenoeg dezelfde indruk als het pakket genaamd 13-074368B aangetroffen en inbeslaggenomen in de handbagage van [koerier 1] . In de telefoon die onder [begeleider koeriers] in beslag is genomen, is een foto aangetroffen van [begeleider koeriers] samen met [koerier 2] en een foto met daarop [koerier 1] met twee rolkoffers die door leden van het onderzoeksteam worden herkend als de rolkoffers waarin de verdovende middelen zijn aangetroffen. [koerier 1] heeft als getuige verklaard dat verdachte zijn opdrachtgever was en hem € 15.000 zou geven. Verdachte heeft ook het ticket van [koerier 1] geboekt. Nadat zijn terugvlucht was uitgesteld, heeft [koerier 1] hierover, terwijl hij op de Dominicaanse Republiek was, telefonisch contact gehad met verdachte. [koerier 1] zei tegen verdachte dat hij meer geld wilde omdat hij langer moest blijven. Verdachte heeft hem toen in verbinding gesteld met een andere Nederlands sprekende man, die later heeft gebeld. Voorts zou verdachte het gezin van [koerier 1] onderhouden als hij gepakt zou worden. Verdachte zou iedere maand het loon van [koerier 1] betalen als hij zou worden aangehouden. De vrouw van [koerier 1] verklaart uiteindelijk € 800,00 van verdachte te hebben ontvangen. Op 21 november 2014 heeft verdachte een telefoongesprek gevoerd met ene [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ). Op enig moment hebben zij de volgende conversatie: (…) [verdachte] : Euh vooral euh vooral euh nu weer goed maar toen kut [betrokkene 1] : Maar was even kut, oke [verdachte] : Als ik op één dag meer als een miljoen verlies, dan weet jij het wel, niet [betrokkene 1] : Phooo was dat die maandag waar je het over had? [verdachte] : Eu ja. [betrokkene 1] : Ja ohohoh en die viel weg [verdachte] : Nou dat kostte het me en voorlopig zitten er ook zeven man vast zeg maar. (…) [verdachte] : Nee luister die maandag is verkeerd gegaan daar op die luchthaven bij jou zeg maar, (…) [verdachte] : maar euhm ik ben daar zeven man kwijt geraakt en euh ruim een miljoen euro. (opmerking rechtbank: 14 oktober 2013 was een maandag). Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 14 oktober 2013 op Schiphol was. Ook heeft hij ter zitting erkend dat hij [afhaler 2] en [koerier 1] had geregeld voor een transport van verdovende middelen en dat hij contact met [koerier 1] heeft onderhouden. [koerier 1] zou heen en weer vliegen naar de Dominicaanse Republiek en [afhaler 2] zou de cocaïne afhalen. 4.3.2. Bewijsoverwegingen feit 1 Medeplegen [verdachte] De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte weliswaar [koerier 1] als koerier heeft geregeld en [afhaler 2] als afhaler, maar dat de rol van verdachte bij de invoer van de cocaïne in Nederland onvoldoende groot is geweest om van medeplegen te kunnen spreken, hoogstens zou verdachte medeplichtig zijn geweest. Bovendien zag zijn rol slechts op de invoer van 15 kilogram cocaïne door koerier [koerier 1] ; van de andere 15 kilogram die koerier [koerier 2] vervoerde, zou verdachte geen wetenschap hebben gehad, zodat slechts bewezen zou kunnen worden verklaard de medeplichtigheid aan de invoer van 15 kilogram cocaïne. De rechtbank verwerpt dit verweer overweegt hiertoe het volgende. De rechtbank neemt allereerst in aanmerking dat, gelet op de identieke wijze van verpakking van de verdovende middelen van beide koeriers, het feit dat zij samen reisden en contact met elkaar hadden, sprake is geweest van één gezamenlijk transport van twee koffers door koeriers [koerier 2] en [koerier 1] , onder begeleiding van [begeleider koeriers] . Zoals hiervoor is weergegeven, heeft verdachte, anders dan dat hij heeft verklaard, op 14 oktober 2013 ook met [afhaler 1] en [begeleider koeriers] telefonisch contact onderhouden. Met [begeleider koeriers] vindt telefonisch contact plaats negen minuten nadat het vliegtuig waarin [begeleider koeriers] zich met de twee koeriers bevond, is geland. Met [afhaler 1] vindt telefonisch contact plaats net nadat deze de grenspost is gepasseerd. Met [afhaler 1] heeft verdachte op 14 oktober 2013 zelfs veertien telefonische contactmomenten. Verdachte heeft geen verklaring gegeven voor het telefonisch contact dat hij op 14 oktober 2013 heeft onderhouden met [begeleider koeriers] en [afhaler 1] . Verdachte heeft zelf verklaard dat hij [afhaler 2] heeft geregeld als afhaler. Gelet op de telefonische contacten die verdachte op 14 oktober 2013 met afhaler [afhaler 1] en begeleider [begeleider koeriers] heeft gehad, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte wetenschap heeft gehad van het gehele transport en dat hij betrokken is geweest bij het regelen van in ieder geval [afhaler 2] én [afhaler 1] als afhalers. De rechtbank neemt daarbij tevens in aanmerking het weergegeven telefoongesprek van verdachte met [betrokkene 1] , waarin verdachte mededeelt dat ‘hij op één dag meer dan een miljoen verlies heeft gehad’ en dat ‘er zeven man vastzitten’. Gelet op de rol van verdachte, namelijk het onderhouden van contacten met koerier [koerier 1] en begeleider [begeleider koeriers] alsmede het regelen van afhalers van de cocaïne, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking door verdachte bij de invoer van in totaal bijna 30 kilogram cocaïne die in de bagage van koeriers [koerier 1] en [koerier 2] is aangetroffen. Gelet op al het voorgaande heeft verdachte zowel bij de voorbereiding van de invoer, als bij de uitvoering ervan een dusdanige rol gespeeld dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Zijn bijdrage aan het delict is ook van voldoende gewicht om te komen tot het oordeel dat sprake is van medeplegen. 4.3.3. Feiten 2 primair, 3 en 4 In zaaksdossier B03 wordt verdachte verweten dat hij zich op 2 januari 2014 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de invoer van een hoeveelheid cocaïne te België vanuit de Dominicaanse Republiek door koerier [koerier 3] welke cocaïne door de verdachten naar Nederland zou zijn doorgevoerd. Daarnaast wordt verdachte in zaaksdossier B05 verweten dat hij zich tezamen met anderen in de periode van 28 december 2013 tot en met 3 februari 2014 schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen gericht op de invoer van cocaïne in België welke cocaïne door koerier [koerier 4] vanuit de Dominicaanse Republiek zou worden gesmokkeld en eveneens door verdachten naar Nederland zou worden gebracht. Ten aanzien van zaaksdossier B02 wordt verdachte het verwijt gemaakt dat hij zich samen met anderen in de periode van 7 februari 2014 tot en met 13 maart 2014 schuldig heeft gemaakt aan het verrichten van voorbereidingshandelingen gericht op de invoer van cocaïne in België welke cocaïne door koerier [koerier 5] vanuit de Dominicaanse Republiek zou worden gesmokkeld en door de verdachten naar Nederland zou worden doorgevoerd. 4.3.4. Redengevende feiten en omstandigheden feiten 2 primair, 3 en 4 Zaaksdossier B03 29 december 2013 In de ochtend van 29 december 2013 om 12:30 uur neemt [medeverdachte 3] contact op met [medeverdachte 1] die aan [medeverdachte 3] vraagt of hij twee Belgische SIM-kaartjes kan kopen in België. [medeverdachte 3] zegt dat hij ze gaat halen. [medeverdachte 1] zegt dat hij ze vandaag nog moet hebben. [medeverdachte 3] zegt: “He luister, moet die ene morgen dáár zijn? Denk het wel he.” [medeverdachte 1] zegt ja. Om 14:05 uur belt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 1] en zegt dat hij al één nieuw kaartje heeft. Hij regelt ook beltegoed. Ze zijn op zoek naar een tweede SIM-kaart. 30 december 2013 Op 30 december 2013 om 18:22 uur hebben [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] weer contact met elkaar. [medeverdachte 3] vraagt of hij nog nieuws heeft. [medeverdachte 1] zegt: “Ik weet nog niks definitief he, ik ben nog bezig.” [medeverdachte 3] antwoordt dat hij het maar moet laten weten. Die avond om 20:43 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 1] . [verdachte] zegt: “ik heb effe nagevraagd. (..) eeuh.. voor wat je vroeg, in de auto weet je wel, of dat eeuh.. of dat eruit moet, maar ze moeten gewoon blijven zitten. (..) wat ze jou vroegen, of dat kon weet je nog over de ping. (..) ze blijven zitten.” [medeverdachte 1] reageert: “jajajaja die Rasta.” 31 december 2013 Op 31 december 2013 om 18:03 uur bellen [medeverdachte 1] en [verdachte] weer met elkaar. [medeverdachte 1] zegt: “Er zijn problemen met die dáár is. Die zit in het verkeerde hotel. (…) dus dat gaat nog wel een tijdje aanhouden.” [verdachte] reageert: “Voordat hij bij jou is?” [medeverdachte 1] zegt ja en vraagt: “Heb je nog gezocht?” [verdachte] reageert: “Ja, ik heb al gezocht. Ik heb al gevonden ook.” Om 18:43 uur belt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 1] die zegt dat hij wat heeft gehoord en dat ze er onderweg naar toe zijn. [medeverdachte 3] zegt ik zie je zo en dan horen we wel. 1 januari 2014 In de ochtend van 1 januari 2014 om 11:10 uur belt [verdachte] naar de telefoon van [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ) en vraagt of [medeverdachte 4] er ook is. [betrokkene 2] geeft [medeverdachte 4] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 4] hierna: [medeverdachte 4] ) aan de telefoon. [verdachte] vraagt aan [medeverdachte 4] of hij morgen druk is. [medeverdachte 4] zegt: “Ik ben morgen niet druk nee.” [verdachte] zegt dat hij dan wel even langs komt. Voorts zegt hij: “Moet je morgen even vrij houden als je wil.” [medeverdachte 4] zegt dat dit goed is. [verdachte] zegt: “Als je wat wil verdienen.” [verdachte] zegt dat hij nog niet weet wanneer hij bij [medeverdachte 4] is, maar: “als ik in ieder geval weet dat jij morgen vrij bent. En dat je wat wilt ondernemen. (..) Dan zie je mij zo meteen even.” [medeverdachte 4] zegt dat het goed is. Voorts zegt [verdachte] : “En als je nog iemand anders weet, want ik heb twee mensen nodig.” [medeverdachte 4] vraagt: “je hebt twee mensen nodig?” [medeverdachte 4] zegt: “Eh, ja dan moet ik even denken. Eh, ja ik verzin wel wat.” Vervolgens neemt [verdachte] om 11:55 uur weer contact op met [medeverdachte 4] . [verdachte] deelt [medeverdachte 4] mede: “Binnen drie kwartier zijn wij bij jou. (…) Heb je al een tweede?” [medeverdachte 4] antwoordt: “Ja, volgens mij wel, maar dat moet ik even met je overleggen.” [verdachte] zegt dat het helemaal goed komt. Uit de GBA blijkt dat [medeverdachte 4] is getrouwd met [betrokkene 2] en zij samen een dochter hebben genaamd [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ). [betrokkene 3] woont samen met [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ). Tevens is gebleken dat [betrokkene 2] de tante van [verdachte] is. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij door [verdachte] is benaderd met de vraag of hij wat wilde verdienen en of hij een tweede persoon wist. [medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij op 1 januari 2014 door [medeverdachte 4] werd gebeld met de vraag of hij bij [medeverdachte 4] langs wilde komen. In de middag van 1 januari 2014 om 13:04 uur belt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 1] waarbij [medeverdachte 1] vraagt: “Heeft opa nog iets laten horen?” [medeverdachte 3] zegt van niet en vraagt aan [medeverdachte 1] : “Maar had jij nog, hebben ze nog contact gehad?” [medeverdachte 1] antwoordt: “Nee, dat weet ik niet. Dat zal best.” [medeverdachte 1] geeft door: “Oke, ge moet tegen opa zeggen, half twaalf morgen.” [medeverdachte 3] vraagt aan [medeverdachte 1] of hij die papieren al heeft gezien en hij al een kopie heeft. [medeverdachte 1] zegt dat die nu wordt doorgestuurd. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat ‘Opa’ is genaamd [betrokkene 4] . Vervolgens belt [medeverdachte 1] om 13:36 uur met een Spaans sprekende man met een Dominicaans accent en geeft hij door: “Ik stuur je nieuws, kijk er a.u.b. onmiddellijk naar op de BlackBerry. Ja? (…) Ik schrijf je zo.” [verdachte] heeft verklaard dat er op 1 januari 2014 een ontmoeting is geweest bij [betrokkene 2] en [medeverdachte 4] thuis waarbij ook [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] en diens vriendin [betrokkene 5] aanwezig waren. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij bij deze ontmoeting aanwezig is geweest. Ook [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] hebben verklaard dat zij hierbij aanwezig waren. [medeverdachte 4] verklaarde dat [verdachte] bij deze ontmoeting heeft verteld dat hij van Schiphol naar Brussel moesten vliegen. Daar zou een man staan met een zwart petje en een spiegelende zonnebril. [verdachte] vertelde dat [medeverdachte 4] in Brussel naar de aankomsthal moest lopen waar hij de man vanzelf zou zien. Vervolgens moest [medeverdachte 4] naast de man gaan staan en dit telefonisch doorgeven. [medeverdachte 4] mocht de man niet aanspreken. [medeverdachte 5] heeft verklaard, dat [verdachte] het woord deed en legde uit wat de bedoeling was. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] moesten naar Brussel vliegen om daar iemand te ontmoeten. Iemand heeft toen een foto laten zien op een telefoon van de man die ze moesten ontmoeten. [verdachte] heeft verklaard dat [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] [koerier 3] op de luchthaven te Brussel moesten ontmoeten en ervoor moesten zorgen dat de man niets zou overkomen. Zij moesten hem veilig naar buiten brengen. [betrokkene 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] bij hun thuis de foto van de man aan hen heeft getoond en dat ze die foto goed in hun hoofd moesten prenten. Voorts heeft zij aan [verdachte] gevraagd of er cocaïne in de koffer van de man zou zitten. [verdachte] zei tegen [betrokkene 2] dat ze zich geen zorgen hoefden te maken. Ze zouden niets strafbaars doen want ze namen het koffertje niet over en ze moesten geen contact met de koerier maken. Op 1 januari 2014 om 13:59 uur spreekt [medeverdachte 1] een voicemail bericht in. Op de achtergrond is [verdachte] te horen die zegt: “Jamaica, Montego Bay, daar worden passagiers bij geladen.” Uit onderzoek op de website van de luchthaven Brussel bleek dat op donderdag 2 januari 2014 omstreeks 11:20 uur vlucht TB304 c.q. JAF304 stond gepland om te landen te Brussel. Deze vlucht was afkomstig vanuit Punta Cana op de Dominicaanse Republiek en had een tussenlanding in Montego Bay te Jamaica. Op 1 januari 2014 om 16:18 uur belt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] deelt mede dat één van de kaartjes niet werkt. Die andere doet het wel. Vervolgens belt [medeverdachte 3] hem twee minuten later terug en vraagt of het al voor morgen staat. [medeverdachte 1] zegt: “Ja, maar ik bel je straks nog op. (…) Als ik het zeker weet, bel ik jou op. (…) He, met Belgische dinges. (…) Vanuit dáár. (…) Met een nummer van dáár bel ik je, ja?” Uit de historische printgegevens blijkt dat er op 1 januari 2014 om 23:04 uur een gesprek had plaatsgevonden tussen het Belgische nummer 0032470081094 van [medeverdachte 1] en het Nederlandse telefoonnummer [-3520] van [medeverdachte 3] . Op 1 januari 2014 om 17:59 uur neemt [medeverdachte 1] contact op met [verdachte] en zegt: “Je moet wel even tegen ze zeggen dat ze ID meenemen. (…) Nee maar niet dat ze dat vergeten jongen. (…) Want we hebben het wel meer meegemaakt.” Op de achtergrond is te horen dat [betrokkene 5] zegt: “Dat ie geldig is.” [medeverdachte 1] zegt daarop tegen [verdachte] : “En dat het geldig is, weet ge niet.” [verdachte] zegt dat hij het gaat doorgeven. Vervolgens laat [medeverdachte 1] om 19:13 uur aan [verdachte] weten: “He opschieten jongens, ik zit in België.” Tien minuten later belt [medeverdachte 1] weer naar [verdachte] en zegt: “He, heeft hij zijn ding aan staan?” [verdachte] zegt dat hij hem aan heeft staan. [medeverdachte 1] denkt van niet. [verdachte] vraagt daarop of hij moet vragen of diegene [medeverdachte 1] op dat nummer moet bellen. [medeverdachte 4] belt met zijn Nederlandse nummer om 19:24 uur en 20:38 uur naar het Belgische nummer van [medeverdachte 1] . Met dit nummer belde [medeverdachte 1] ongeveer een minuut eerder naar [verdachte] . [medeverdachte 1] straalt op dat moment telefoonmasten te Zaventem (België) aan. Later op de avond van 1 januari 2014 om 23:14 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 1] . [verdachte] zegt dat [medeverdachte 4] ook zijn Nederlandse nummer meeneemt dus het kan niet mis gaan. Aan de hand van ontvangen gegevens van de KLM bleek dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] een boeking hadden voor vlucht KL1723 van Amsterdam naar Brussel op 2 januari 2014. Voor deze boeking was een totaalbedrag betaald van € 797,97 betaald vanaf de en/of rekening van [medeverdachte 4] en [betrokkene 2] welke boeking was gemaakt op 1 januari 2014. Bij deze boeking waren tevens de adresgegevens, het telefoonnummer en het e-mailadres van [medeverdachte 4] opgegeven. [betrokkene 2] heeft verklaard dat [verdachte] op 1 januari 2014 bij haar en [medeverdachte 4] thuis achter de computer is gaan zitten en de tickets heeft geboekt op naam van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] . Het geld voor de tickets heeft [verdachte] haar contant gegeven. Ter zake van de gezamenlijk bankrekening van [betrokkene 2] en [medeverdachte 4] is gebleken dat er op 3 januari 2014 een bedrag van € 700,- op hun rekening is gestort. 2 januari 2014 Daarna stuurt [verdachte] op 2 januari 2014 om 00:10 uur een sms-bericht naar [betrokkene 2] met de tekst: “Laat hun die foto van die man wissen op hun telefoon.” [betrokkene 2] antwoordt om 00:11 uur: “Komt goed kerel.” [betrokkene 2] heeft verklaard, dat [medeverdachte 1] de foto van de man die [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] goed in hun hoofd dienden te prenten later naar [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] heeft verstuurd waarna [betrokkene 2] ’s nachts een sms-bericht heeft ontvangen met het verzoek dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] de foto van de man op hun telefoon dienden te wissen hetgeen toen al was gebeurd. [betrokkene 2] verklaarde tevens dat zij [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] op 2 januari 2014 vanuit Ede met de auto naar Schiphol heeft gebracht waarna [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] vanaf Schiphol naar Brussel zijn gevlogen. [medeverdachte 4] verklaarde eveneens dat hij en [medeverdachte 5] op 2 januari 2014 door [betrokkene 2] naar Schiphol gebracht. Op 2 januari 2014 om 11:23 uur is [koerier 3] (hierna: [koerier 3] ), geboren op [geboortedatum koerier 3] , met vlucht TB304 gearriveerd op de luchthaven Zaventem te Brussel (België). [koerier 3] was op 1 januari 2014 vertrokken vanuit Punta Cana (Dominicaanse Republiek). Op 2 januari 2014 om 13:38 uur wordt [verdachte] gebeld door [medeverdachte 1] . Aan de zijde van [medeverdachte 1] zijn een onbekende man en [betrokkene 5] te horen. [betrokkene 5] vraagt: “Ze komen er net uit daar?” De onbekende man zegt ja, waarop [betrokkene 5] zegt: “Mooi, dan ga ik nu bellen naar …Ntv.” Om 13:39 uur belt [medeverdachte 1] naar [verdachte] en vraagt hem: “Oke, kom je dadelijk zo vlug mogelijk naar huis? Want wij zijn nu onderweg.” [verdachte] antwoordt: “Oke, wel alles goed?” [medeverdachte 1] antwoordt: “Ja.” waarop [verdachte] zegt: “Oh, fantastisch, hehe, eindelijk.” Op de luchthaven te Brussel zagen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] na enige tijd de persoon die ze moesten hebben. [medeverdachte 4] is naar de man toe gelopen en heeft met een Belgisch SIM-kaartje naar het telefoonnummer dat als “Brussel” of “Zaventem” in de telefoon opgeslagen was, gebeld. Een onbekende man met Belgisch accent nam de telefoon op en vertelde dat [medeverdachte 4] meteen naar buiten moest lopen. Vervolgens zijn [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] naar buiten gelopen. Toen werd er gefloten en zag [medeverdachte 4] dat [medeverdachte 1] en [betrokkene 5] aan de overkant van de weg stonden. De man met het petje liep op dat moment zo'n 20 meter achter [medeverdachte 4] en had een kleine trolley met trekstang bij zich. [medeverdachte 1] liep naar de man met het petje toe en [betrokkene 5] kwam naar [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] toe. [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [betrokkene 5] en [medeverdachte 1] zijn vervolgens naar [naam chaletpark] gereden alwaar [verdachte] na enige tijd verscheen. [medeverdachte 5] heeft voorts verklaard dat hij en [medeverdachte 4] , nadat zij [medeverdachte 1] en [betrokkene 5] hadden ontmoet, richting het hotel tegenover de luchthaven zijn gelopen. Het chalet van [medeverdachte 1] op [naam chaletpark] is gelegen te Heeswijk-Dinther. Ook [medeverdachte 5] heeft verklaard, dat zij de man hebben onderkend. [verdachte] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] op de luchthaven aanwezig was en dat [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] [koerier 3] naar buiten hebben begeleid waar [medeverdachte 1] aanwezig was. Die middag van 2 januari 2014 om 16:03 uur wordt [medeverdachte 1] weer gebeld door de Spaans sprekende man met het Dominicaanse accent. [medeverdachte 1] zegt tegen de man dat hij een papier van het hotel gaat zoeken, zodat de man naar het hotel kan bellen. Vervolgens geeft de Spaans sprekende man een andere Spaans sprekende man aan de telefoon. [medeverdachte 1] geeft door dat de ‘chauffeur’ geen telefoon heeft en zegt: “Ja, ik ben in Nederland en hij is in België. Begrijp je? Ik heb hem in een hotel gezet en ik ben nu op zoek naar het nummer van het hotel. Daar staat het kamernummer en alles. (…) Wees gerust want alles, alles, alles gaat goed.” De man zegt dat ‘daar’ uitleg moet gaan geven. [medeverdachte 1] zegt dat hij het papier van het hotel met het telefoonnummer en ‘zijn’ kamernummer zoekt en daarna: “Ik heb de papieren hier…een moment. Ik doe hem in een hotel en 2000 euro, voor het moment. Vandaag komt iemand anders en betaalt de rest. Maar je vriend betaalt niet. Dus moet ik het betalen of niet? (…) Of ik de chauffeur wel of niet moet betalen.” De man antwoordt: “Natuurlijk die moet betaalt worden.” Om 16:11 uur wordt [medeverdachte 1] weer gebeld door de Spaans sprekende man met het Dominicaanse accent. [medeverdachte 1] vraagt of hij het heeft ontvangen hetgeen de man beaamt. [medeverdachte 1] zegt: “bel naar het hotel en vraag dat ze je doorverbinden met die persoon die in die kamer verblijft.” Direct daarna belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 3] en zegt dat hij eerst naar boven moet, want hun moeten hem hebben. Hij zegt dat hij 100% ook nog naar [medeverdachte 3] komt, want hij moet [medeverdachte 3] ook hebben. [medeverdachte 1] zegt tegen [medeverdachte 3] dat hij alvast aan de gang kan gaan. Om 16:51 uur belt [medeverdachte 1] naar [verdachte] en vraagt waar [verdachte] is. [verdachte] zegt dat hij nog steeds hier is en ze afzet. [medeverdachte 1] zegt dat hij is geroepen en eerst naar hun toe moet want hij is geroepen. Hij moet komen. Op dat moment straalt de telefoon van [verdachte] een zendmast aan in Ede. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat [verdachte] hem en [medeverdachte 5] vanaf het chalet vervolgens naar huis heeft gebracht. Later heeft [medeverdachte 5] via [medeverdachte 4] de € 1.000,- beloning gekregen. [koerier 3] is op 2 januari 2014 om 12:35 uur ingecheckt in het Sheraton hotel Brussel Airport. Hij verbleef in kamer 2022. [koerier 3] heeft verklaard dat hij op 2 januari 2014 vanuit Punta Cana naar Zaventem is gereisd. Hij vloog met TUI Jet Air en hij heeft bagage ingecheckt waarvan hij wist dat er cocaïne in zat. Hij heeft hier € 4.000,- voor gekregen en is twee of drie dagen later teruggevlogen naar Santo Domingo. Hij heeft op de tweede verdieping van het Sheraton hotel verbleven op een kamer in de 200 reeks. De aan [koerier 3] getoonde foto van [medeverdachte 4] herkende hij als de man die hem in de bagagehal had aangesproken met de vraag of hij Duits sprak. Deze man was niet alleen, er was nog een andere persoon bij. Hij hoorde een tweede man aan de telefoon zeggen dat ze hem hadden herkend. Vervolgens is hij met de eerste man mee naar buiten gaan. Bij het Sheraton hotel werd hij in contact gebracht met een man waarvan hij denkt dat het de baas was, omdat die man hem heeft betaald. Deze man is mee het hotel in gegaan en heeft gevraagd hoeveel een hotelkamer kost. Daarna is [koerier 3] naar zijn kamer gegaan. De foto van [betrokkene 5] herkende hij als de vrouw die in de lift van het Sheraton hotel stond. Verbalisanten laten [koerier 3] luisteren naar een opgenomen telefoongesprek van 3 januari 2014 om 23:58 uur. Hierover verklaarde [koerier 3] dat hij de stem van [medeverdachte 1] herkende als zijnde van de man die hem de € 4.000,- heeft betaald. Wanneer hem in relatie tot dit telefoongesprek wordt gevraagd waarom [medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ) zijn ticket wilde betalen antwoordde [koerier 3] : “Waarschijnlijk was hij de baas en omdat alles goed gelopen was zou hij iemand sturen om het ticket te betalen. Hij zei mij dat ik goed werk had gepresteerd.” [koerier 3] verklaarde voorts dat hem was verteld dat er cocaïne in de koffer zat en dat het hem vanaf het begin duidelijk was dat het om drugs ging. In de auto van [verdachte] , voorzien van het kenteken [kenteken] , is aangetroffen en in beslag genomen een notitie met de tekst: “ [koerier 3] , 001809-7150044, Andre – Boca Cica”. 001809 betreft de landcode van de Dominicaanse Republiek. [koerier 3] heeft verklaard dat dit de door hem geschreven notitie betrof. In de avond van 2 januari 2014 om 18:53 uur belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 3] en vraagt hem: “heb je die auto even APK gemaakt?” [medeverdachte 3] zegt: “Ja” waarop [medeverdachte 1] vraagt: “En?” [medeverdachte 3] antwoordt: “Ja, ik heb dat eh, ziet er mooi uit.” [medeverdachte 1] zegt dat hij dat wel moet weten, want: “hun willen ook weten of die auto’s door de APK komen, ja of nee.” [medeverdachte 3] zegt dat hij zo terug belt, maar dat het er heel mooi uit ziet. Voorts vraagt [medeverdachte 3] : “He, luister even, dat moet ik even weten. Moet ik die al in de stalling doen?” [medeverdachte 1] zegt: “Ja, je moet vast aan de gang.” [medeverdachte 3] zegt dat hij dat weet, snapt en al bezig is. Ten tijde van voornoemd gesprek straalt de telefoon van [medeverdachte 3] een zendmast in Maastricht aan waar [medeverdachte 3] woont. 3 januari 2014 Op 3 januari 2014 om 09:45 uur meldt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] dat hij er met een paar minuten is. Op dat moment straalt de telefoon van [medeverdachte 1] een zendmast in Maastricht aan. Die middag om 16:12 uur belt [medeverdachte 1] weer naar [verdachte] . [verdachte] zegt dat hij pas straks naar de jongens in Eindhoven gaat en vraagt of de jongens vanavond al kunnen kijken. [medeverdachte 1] zegt dat ze kunnen kijken, maar dat ze ook meteen mee kunnen nemen. [verdachte] zegt dat hij dat bedoelt. Enkele minuten daarna om 16:40 uur ontvangt [verdachte] een sms-bericht van [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) die hem vraagt of hij vandaag nog komt of dat het te druk is op het werk. Zes minuten later antwoordt [verdachte] : “Gister is goed gegaan dus te druk snapte.” Direct daarop ontvangt [verdachte] een sms-bericht van [medeverdachte 2] inhoudende: “Mooi zo. Ja dan druk zat. Uitzoeken poetsen. Hoor wel wanneer je langskomt. Have Fun.” Op 3 januari 2014 om 18:07 belt [verdachte] naar [medeverdachte 1] . [verdachte] zegt dat hij later een afspraak heeft in Eindhoven. In de avond van 3 januari 2014 om 23:10 uur bellen [medeverdachte 1] en [verdachte] met elkaar. [verdachte] zegt dat hij naar Eindhoven moet. [medeverdachte 1] zegt: “Het is een hele mooie auto” [verdachte] : “ja”, [medeverdachte 1] : “Het is een hele mooie auto en heel goed ook”, [verdachte] : “ja”, [medeverdachte 1] : “dus, jaja”, [verdachte] : “Beter”, [medeverdachte 1] : “he?” [verdachte] : ”Dat is beter, beter dan uhhh ja mooie auto.” Even later om 23:58 uur maakt [medeverdachte 1] gebruik van de telefoon van [verdachte] en belt hij naar het Belgische telefoonnummer 003227108000 van het Sheraton hotel en vraagt hij of hij door kan worden verbonden met kamernummer 2022. De receptioniste verbindt hem door waarna [medeverdachte 1] spreekt met een man die zichzelf [koerier 3] (de rechtbank begrijpt [koerier 3] ) noemt. [medeverdachte 1] vraagt hem of hij al een ticket heeft. [koerier 3] zegt dat hij morgenavond terug gaat en dat hij zelf een ticket heeft gekocht voor € 350,-. [medeverdachte 1] zegt dat hij morgenvroeg iemand stuurt die hem geld geeft voor het ticket. [medeverdachte 1] zegt dat [koerier 3] het geld voor het ticket van hun krijgt. [koerier 3] vindt dit super. Zo heeft [koerier 3] volgens [medeverdachte 1] nog een beetje geld als hij terugkeert en dan kan hij daar nog een beetje vakantie vieren. Voorts zegt [medeverdachte 1] tegen [koerier 3] dat hij misschien nog wel een beetje kan werken. [koerier 3] zegt dat zij zijn nummer hebben, dus dan kunnen zij hem bellen. [medeverdachte 1] vraagt aan [koerier 3] om zijn telefoonnummer op te schrijven voor de man die morgenvroeg bij hem komt. [koerier 3] zegt dat hij morgenavond naar Punta Cana vliegt. Op de achtergrond is te horen dat [medeverdachte 1] vraagt hoe laat, waarop [verdachte] zegt dat het hem niet uitmaakt. Ze spreken af te ontmoeten bij het Sheraton. [medeverdachte 1] zegt tegen [koerier 3] dat er dan geld voor [koerier 3] wordt meegenomen. 4 januari 2014 Op 4 januari 2014 om 17:14 uur wordt [medeverdachte 1] gebeld door [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] vraagt aan [medeverdachte 1] : “was die auto door de keuring gekomen?” [medeverdachte 1] zegt van wel. Voorts zegt [medeverdachte 3] : “Vanavond tref ik iemand. (…) Ik ben even naar wat mensen geweest. Vanavond tref ik ook nog iemand, die wil ook een auto, denk ik.” [medeverdachte 1] vindt dit oke en vraagt aan [medeverdachte 3] : “En die van jou zijn allemaal op? (…) Zijn ze dat allemaal?” [medeverdachte 3] antwoordt: “Ja, je weet wat weg is.” Een half uur later om 17:48 uur belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 3] en zegt: “He luister eens, ik moet eigenlijk een auto hebben.” [medeverdachte 3] zegt hem dan zijn kant op te komen. [medeverdachte 1] zegt dat hij nu gaat rijden. [medeverdachte 3] zegt: “ja ja, dan zorg ik dat ie klaar staat.” 5 januari 2014 [koerier 3] had aanvankelijk een boeking voor de vlucht JAF601 op 4 januari 2014, maar uiteindelijk is [koerier 3] op 5 januari 2014 met vlucht JAF703 vanuit Brussel naar de Dominicaanse Republiek terug gereisd. Zaaksdossier B05 28 december 2013 Blijkens een bestelbon en de daarbij behorende passagiersinformatie van reisbureau White Sun te Lanaken (België) blijkt dat op naam van de heer [betrokkene 4] een boeking is gemaakt voor [koerier 4] (hierna: [koerier 4] ) om op 28 december 2013 met vlucht JAF601 van Brussel naar Punta Cana (Dominicaanse Republiek) te vliegen. [koerier 4] heeft verklaard dat zij op 28 december 2013 naar Punta Cana is gereisd en [betrokkene 4] haar ticket heeft betaald. Zij is in totaal acht keer naar de Dominicaanse Republiek gereisd om als koerier cocaïne in een koffertje of handbagage mee te nemen. Op 28 december 2013 om 20:02 uur belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 3] welke hem vraagt of hij vandaag al iets heeft gehoord. [medeverdachte 1] zegt: “Nee, jawel, ze hebben me gevraagd of dat al weg was. Toen heb ik terug gezegd ja. Ik ben nu aan het afwachten.” Daarop vraagt [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] : “Ja, ik neem aan dat ze die hebben opgehaald, of niet?” 30 december 2013 In de avond van 30 december 2013 om 19:26 uur wordt [medeverdachte 1] gebeld door [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] zegt tegen [medeverdachte 1] dat hij zojuist die man heeft gezien en deelt hem mede: “Die vrouw had gebeld. (…) Die telefoonnummer wat zij heeft, die gaat daar niet meer. Nu heeft ze er eentje daar gekocht. (…) En die nummer moet ik jou direct doorgeven, die moet jij meteen doorgeven, want zij moet daar morgen weg of zo en anders kunnen ze haar niet bereiken.” Enkele minuten later om 20:19 uur belt [medeverdachte 3] weer met [medeverdachte 1] die aan [medeverdachte 3] vraagt hoezo ‘zij’ daar morgen weg moet. [medeverdachte 3] weet het niet weet, maar zo is zij voor hun onbereikbaar nu zij ‘een kaart van dáár heeft’. [medeverdachte 3] geeft het nummer 0018 ‘van daar’ door. [medeverdachte 1] vraagt: “46, ok. 8096678846 (…) Goed, dan ga ik dat meteen doorgeven.” 1 januari 2014 Op 1 januari 2014 om 13:04 uur belt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] vraagt: “Heeft opa nog iets laten horen?” [medeverdachte 3] zegt van niet en vraagt: “Maar had jij nog, hebben ze nog contact gehad?” [medeverdachte 1] antwoordt: “Nee, dat weet ik niet. Dat zal best.” 2 januari 2014 Op 2 januari 2014 ‘s avonds om 19:19 uur belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 3] en zegt: “Die heeft helemaal geen probleem daar. Die heb daar een vent. (…) Maar ze zijn aan het twijfelen of het wel moet of niet moet. (…) Die vrouw van opa. (…) Die had toch gebeld dat ze een probleem had? (…) Maar dat is helemaal niet waar. (…) Ze heb een vriend daar. Zij is al een keer of tien geweest daar.” [medeverdachte 3] zegt dat hij weet dat ze eerder is geweest en vraagt of er iets aan de hand is. [medeverdachte 1] zegt: “Ja, die zijn bang hè. Want dat is een man van dáár, weet je. Die zijn bang dat er gepraat wordt, snap je?” Ze praten morgen. 3 januari 2014 In de middag van 3 januari 2014 om 12:21 uur wordt [verdachte] gebeld door [medeverdachte 5] die doorgeeft dat hij voor dinsdag vrij is. Vervolgens wordt [verdachte] om 13:39 uur door [betrokkene 2] gebeld die zegt: “Ik heb paspoort aangevraagd, die kan ie maandagochtend ophalen. (…) [medeverdachte 5] die heeft hem net ook eeuh, die kan hem maandag om 2 uur ophalen, dus hopen dat het dan allemaal nog lukt voor je.” Blijkens de Gemeentelijke Bevolkingsadministratie zijn er op 3 januari 2014 paspoorten aangevraagd door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . 5 januari 2014 Op 5 januari 2014 hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] om 00:40 uur contact met elkaar. [medeverdachte 1] zegt: “Eh, die vrouw, die is heel lastig. Ze wil naar de ambassade gaan.” (…) “Ze moet terug naar d’r werk gaan.” (…) En ze doet moeilijk. Ze dreigt. Ze wil daar naar toe stappen, ze moet meer geld hebben.” [medeverdachte 3] zegt dat hij pas morgen naar die man toe kan gaan. [medeverdachte 1] zegt: “Zeg tegen hem dat ie haar belt en dat ze rustig doet. (…) En dat ze terug naar haar werk gaat.” [medeverdachte 3] gaat er morgen naar toe. Om 11:06 uur belt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 1] en zegt dat hij zojuist heeft gebeld: “Hij (derde) zegt ook: zij zegt “ik zit hier maar op een kamertje” en dat moet ze wel allemaal zelf betalen, zegt ze.” (…) Ze had gewoon in dat ding moeten gaan. (…) Maar ze waren bij haar. Ze waren overleggen gisteren. (…) Over het geld van de kamer. (…) Dat kamertje, dat was het, maar verder niks. (…) Willen ze haar gewoon afsturen?” [medeverdachte 1] antwoordt: “Ja, ik denk het wel he. Normaal wel.” [medeverdachte 3] zegt dat hij hoopt van wel. Een kleine twee uur later om 12:52 uur bellen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] weer met elkaar. [medeverdachte 3] is zojuist bij opa is geweest en zegt: “Het is zo hè, die vrouw heeft helemaal geen geld. Ze moet haar kamertje betalen en zo, haar paspoort hebben zij en zo, begrijp je? Er is niks aan de hand, maar ze heeft helemaal geen geld. Ze kan niet meer eten. (…) Als ze haar gewoon een paar honderd dollar geven voor die drie dagen, dan is alles goed.” [medeverdachte 1] gaat er achteraan. [medeverdachte 3] zegt: “Ja, doe dat. Of ze even een paar honderd dollar voor die drie dagen, dat is eh.., hee en ik heb twee mensen. (…) En de dinges heb ik al. (…) Ook van hier.” Daarop antwoordt [medeverdachte 1] : “Ja, dat is prima. Dat is perfect.” 6 januari 2014 Op 6 januari 2014 om 09:41 uur neemt [verdachte] contact op met reisbureau White Sun te Lanaken (België) en zegt: “Goedemorgen, met [verdachte] , ik had een vraagje mijn tante die heeft bij jullie een reis geboekt en ik kan niet zo goed vinden hoe laat ze nou terug landt hiero.” Hij geeft aan dat de vertrekdatum 28 december was. Het reisbureau vraagt op welke naam er is geboekt waarop hij zegt: “Euhm die naam van me tante is [koerier 4] . Het is een vlucht op euh Za.. euh Punta Cana.” Het reisbureau geeft door dat ze morgenmiddag om 15:25 uur vertrekken vanuit Punta Cana en woensdagmorgen om 6 uur in Brussel zijn. Uit de eerder genoemde bestelbon en daarbij behorende passagiersinformatie van reisbureau White Sun blijkt dat er een vlucht was geboekt waarbij [koerier 4] op 7 januari 2014 met vlucht JAF204 vanuit Punta Cana (Dominicaanse Republiek) zou vertrekken en op 8 januari 2014 in Brussel zou aankomen. Vervolgens belt [verdachte] op 6 januari 2014 om 10:15 uur naar [medeverdachte 4] en vraagt aan hem of hij [medeverdachte 5] kan bereiken. [medeverdachte 4] geeft aan dat hij dat kan. Daarop zegt [verdachte] tegen [medeverdachte 4] : “Ok, want het is niet morgen, maar overmorgen.” [medeverdachte 4] zegt dat hij hem gaat proberen te bellen. Om 12:34 uur ontvangt [verdachte] een sms-bericht van [betrokkene 2] : “ [medeverdachte 5] kan mee.” Om 12:54 uur neemt [medeverdachte 4] contact op met [verdachte] en zegt “dat hij (derde) gewoon mee kan.” Enkele minuten later om 13:05 uur belt [medeverdachte 1] naar [verdachte] die doorgeeft dat hij naar zijn oom (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 4] ) is om dingen te regelen. Hij wikkelt het daar zo snel mogelijk af en moet kijken naar ‘het parcours’. [medeverdachte 1] vraagt een half uurtje te wachten. Hierop stuurt [verdachte] om 13:14 uur een sms-bericht naar [betrokkene 2] : “Het word later vandaag moet nu eerst iets anders doen zie je straks.” Vervolgens zegt [medeverdachte 1] tegen [verdachte] dat hij langs moet komen en zijn laptop mee moet nemen dan kijken ze gauw iets door. Later die middag ontvangt [verdachte] om 17:01 uur een sms-bericht van [medeverdachte 5] waarin [verdachte] wordt gevraagd hoe laat hij langskomt, want zij wachten. [verdachte] antwoordt dat hij er zo aankomt. Kort daarop ontvangt [verdachte] een sms-bericht van [betrokkene 2] waarin zij vraagt hoe laat hij er is. [verdachte] antwoordt haar dat het morgen wordt. 7 januari 2014 In de ochtend van 7 januari 2014 om 10:50 uur belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 3] en zegt: “Luister, die vrouw is niet meer te pakken te krijgen aan de telefoon (…) die heeft de telefoon uit.” [medeverdachte 3] antwoordt: “Ja, ik weet het ik had hem gevraagd ‘bel haar’ en hij – waar ik bij was – bellen, krijgt haar niet te pakken.” [medeverdachte 1] antwoordt: “Nee, hun ook niet meer.” Enkele minuten daarna belt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 1] en zegt: “Die willen dat papier hebben voor die euh voor die vr.. (…) want is het die vrouw niet, dan is het een ander snapte?” Om 11:08 uur belt [medeverdachte 1] zijn vriendin. Hij is volop aan het werk en zit in de stress en zegt tegen haar: “Dat wijf is niet meer te pakken te krijgen, niet voor ons en niet voor daar.” Om 12:42 uur belt [medeverdachte 3] terug naar [medeverdachte 1] en zegt: “Hee luister, die ene heb ik gesproken, die opa. Ja, die krijgt ‘r ook helemaal niet te pakken (…) dat wordt toch niks meer he?” [medeverdachte 1] antwoordt: “Nee. Dat gaat niet.” [medeverdachte 3] vraagt of [medeverdachte 1] daar nog iemand heeft. [medeverdachte 1] zegt: “Ik ben volop bezig. Nu zeggen hun, dat hun nog iemand hebben.” Vervolgens wordt [medeverdachte 1] om 14:21 uur door een Spaans sprekende man met een Dominicaans accent gebeld die zegt: “Er zijn problemen daar naartoe.” [medeverdachte 1] antwoordt: “Ja , ik weet het, hier is hetzelfde.” [medeverdachte 1] zegt dat hij eraan komt. Die avond om 18:56 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 1] . [verdachte] zegt tegen hem dat ze hem hier (waar hij
- is)niet laten gaan. [medeverdachte 1] zegt dat hij ze gaat bellen. Op dat moment straalt de telefoon van [verdachte] nog steeds een zendmast aan in Rotterdam. Direct daarop om 18:59 uur belt [medeverdachte 1] met dezelfde Spaans sprekende man met het Dominicaanse accent. De man vraagt aan [medeverdachte 1] wat er aan de hand is: “Want zij bellen mij al. Die mensen bellen mij.” [medeverdachte 1] vraagt: “Het is geen onzin toch?” De man zegt: “Nee, het is geen onzin, geen spel, het is serieus.” Terwijl [verdachte] nog in Rotterdam is, ontvangt hij om 18:59 uur een sms-bericht van [betrokkene 2] die hem vraagt hoe het zit met morgen. [verdachte] antwoordt dat ze hun best doen, maar dat er een klein probleempje is met die vrouw. Om 19:20 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 1] en zegt dat hij ‘met allebei onderweg’ is. [medeverdachte 1] zegt dat hij nog 17 kilometer van Maastricht verwijderd is en dat ze elkaar ergens onderweg wel zien. Kort daarna om 20:11 uur vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 1] of ze bij ‘de appel’ afspreken. Daarop wordt om 19:37 uur door het observatieteam waargenomen dat [medeverdachte 1] en zijn vriendin met zijn Mercedes, voorzien van het kenteken [kenteken 2] , een bezoek brengen aan [medeverdachte 3] te Maastricht. Vervolgens rijdt [medeverdachte 1] om 20:28 uur weg en komt hij om 21:08 aan bij wegrestaurant ‘De Wildenberg Goudreinet’ te Weert. Tussen 21:09 uur en 21:32 uur waren [medeverdachte 1] en [verdachte] samen in het wegrestaurant. Om 21:34 uur namen zij afscheid van elkaar en droeg [verdachte] een roodkleurig doorzichtig tasje waarna zij om 21:35 uur in hun auto’s stapten. [verdachte] stapt tezamen met twee onbekende mannen in donkere kleding in zijn Mercedes, voorzien van het kenteken [kenteken] , waarna beide auto’s wegreden. Na deze ontmoeting met [verdachte] belt [medeverdachte 1] om 22:16 uur naar [medeverdachte 3] . [medeverdachte 1] geeft hem door dat de vrouw een ‘artiest artiest’ is. Diezelfde avond van 7 januari 2014 om 23:07 uur stuurt [verdachte] een sms-bericht naar [betrokkene 2] : “Morgen word weekend je ziet me morgen dan leg ik het uit.” [betrokkene 2] antwoordt direct dat zij dat ok vindt. 8 januari 2014 Op 8 januari 2014 om 13:54 uur belt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 1] en zegt: “Ik heb voor jou hier twee papie….” [medeverdachte 1] onderbreekt hem en zegt: “Ik weet het nog niet. (…) Maar het gaat wel door. Het gaat wel door, maar of dat we.. uh.. het gaat door 100%, dat wel.” [medeverdachte 3] zegt dat hij nog wat papiertjes voor [medeverdachte 1] heeft en dat hij wel even hem langs kan gaan. Ze spreken af elkaar straks te zien. Om 14:24 uur belt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 1] : “Het was toch Punta?” [medeverdachte 1] antwoordt: “Ja, ja, ja.” [koerier 4] is op 7 januari 2014 niet met de op haar naam geboekte terugvlucht JAF204 Punta Cana uitgereisd en aldus niet op 8 januari 2014 te Brussel gearriveerd. Dit betreft een zogenaamde ‘no show’. [koerier 4] verklaarde hierover dat zij op de Dominicaanse Republiek in het ziekenhuis heeft gelegen, nadat zij op straat door twee Dominicanen was overvallen. 9 januari 2014 Op 9 januari 2014 om 12:38 uur belt [medeverdachte 3] met [medeverdachte 1] en vraagt of hij hem straks kan zien en hij al iets weet. [medeverdachte 1] zegt dat hij dan zeker iets weet. [medeverdachte 3] zegt: “Want ik heb ook nog even gekeken hè, ik heb ook gekeken. (…) Maar op die tijd, dat is ’s-ochtends. (…) Dus anders moet het op een andere tijd zijn.” Om 16:25 uur vraagt [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] of de slagboom open is, want hij is er. De telefoon van [medeverdachte 1] straalt een zendmast in Heeswijk-Dinther aan. 10 januari 2014 Op 10 januari 2014 om 10:40 uur neemt [verdachte] contact op met [medeverdachte 1] en vraagt: “Moeten we niet naar Rotterdam? (…) Belangrijk.” waarop [medeverdachte 1] antwoordt: “Ja, heel belangrijk heel belangrijk. Ik heb gisteravond FLACO nog gebeld gisterenavond. (…) Die wil wit.” Daarna bellen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] om 10:48 uur en geeft [medeverdachte 1] door: “Ik heb nog niets terug gehoord. (…) In ieder geval (…) het gaat door in ieder geval. Dat weet ik.” Daarna vraagt [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] : “Komt ‘hij’ nog naar jou toe?” [medeverdachte 1] antwoordt: “Ja, ja die gaan ze ophalen voor mij. Die moet ik op laten halen. Die hebben geen auto, niks. (…) En ‘die’ heeft net gebeld, nog geen vijf minuten geleden. Dus die haalt ‘m dadelijk op.” Om 13:25 uur belt [verdachte] naar [betrokkene 3] en geeft haar door dat hij niet weet of hij vandaag of morgen langskomt, maar dat het maandag of dinsdag wordt “of dit weekend moet er nog iets terugkomen.” Voorts zegt hij: “Ik ga nu zo die mensen spreken of die tickets van het weekend nog gelukt zijn. Als dat gelukt is, dan kom ik sowieso dit weekend nog. (…) Maar als dat niet lukt, dan moet ik snel aan de slag en dan moet het begin volgende week worden.” Nog geen uur daarna om 14:17 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 1] en zegt: “kun je hun laten weten dat ik er ben (…) ik sta voor de deur dus.” Op dat moment straalt zijn mobiele telefoon een zendmast in Rotterdam aan. Daarna belt [verdachte] om 16:31 uur naar [medeverdachte 1] en zegt tegen hem dat hij het park op rijdt. [medeverdachte 1] zegt dat hij er niet is, waarna [verdachte] zegt “dan neem ik ze mee naar mij toe”. Volgens [verdachte] zijn ze met zijn tweeën. [medeverdachte 1] zegt daarop tot zo. Die avond om 18:28 uur belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 3] en zegt: “Die vrouw. Is ze terug?” [medeverdachte 3] antwoordt: “Dat weet ik niet. Ik heb nog niet gebeld. Hij heeft nog niet gebeld. Helemaal niks gehoord.” [medeverdachte 1] vraagt daarop: “Dus je weet ook niet in welk ziekenhuis dat die ligt?” [medeverdachte 3] antwoordt: “Nee, dat weet ie helemaal niet. Hij weet helemaal niks. En die vriendin hoort ook niks. (…) Nee, nee, ja, dat zal wel daar ergens zijn natuurlijk.” [medeverdachte 3] stelt voor om het te laten schieten: “Maar als ze zich niet meldt, kunnen we niet helpen of wel?” [medeverdachte 1] beaamt dit. Om 19:02 uur belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 3] en zegt: “Het gaat misschien een paar weken niet. (…) Diezelfde als die vrouw eigenlijk mee zou komen. Daar zat niet alleen in de hand, maar ook onder. Het schijnt, maar dat is van iemand anders, maar dat schijnt genomen te zijn vorige week (…) diezelfde als die vrouw, waarmee die terug zou komen. Precies dezelfde. Waarmee die vrouw zou terugkomen, eigenlijk. Die vrouw had pijn in haar hand. Ja, maar onderin. Maar dat is niet van hun, maar van een ander. En nu zeggen hun: ja informeer hoe en of eh een 100% daar.” [medeverdachte 1] zegt dat hij op internet gaat zoeken. [medeverdachte 1] zegt: “Vijfenveertig
(45). Dat zou er toch wel op komen he?” [medeverdachte 3] denkt van wel. Daarop zegt [medeverdachte 1] : “Ja, dan moet je of een week of twee wachten. (…) En als er nou een 100%-dinges op staat? (…) maar hun zeggen: nou is het heet daarbinnen.” Later is gebleken dat op 8 januari 2014 door de Belgische autoriteiten op de luchthaven Zaventem te Brussel een hoeveelheid van 43,8 kilogram cocaïne in een koffer (ruimbagage) van een reiziger is aangetroffen, afkomstig van vlucht JAF402 vanuit Punta Cana (Dominicaanse Republiek), met welke vlucht [koerier 4] volgens haar boeking op Brussel gepland stond te arriveren. 13 januari 2014 Op 13 januari 2014 om 14:15 uur wordt [medeverdachte 1] weer gebeld door de onbekende Spaans sprekende man. [medeverdachte 1] zegt: “Ik moet het weten of ik de chauffeur moet sturen ja of nee? Voor aanstaande woensdag.. ja of nee?” De Spaans sprekende man antwoordt: “Morgen bespreken we alles.” [medeverdachte 1] antwoordt: “Oke.., maar ik kan morgen geen ticket kopen voor woensdag.” Daarop belt [medeverdachte 1] om 14:19 uur naar [medeverdachte 3] en zegt tegen hem dat hij ‘hun’ net heeft gesproken en dat hij morgen pas zeker weet wanneer ze die kunnen sturen, woensdag ja of nee, deze woensdag. [medeverdachte 3] zegt: “Dan halen we woensdag niet meer hè, als je dat morgen… dat euh..” [medeverdachte 1] zegt dat het ook vrijdag of zaterdag kan. [medeverdachte 3] zegt vrijdag niet, maar zaterdag of zondag wordt het dan. [medeverdachte 1] antwoordt: “Oke, dan zondag.” [medeverdachte 3] zegt dat hij ‘daar’ naar toe gaat en hij het dan gaat uitleggen. 19 januari 2014 Op 19 januari 2014 om 18:21 uur belt [medeverdachte 1] met [medeverdachte 3] en vraagt hem of hij nog weet van die ene vrouw die dag ongeluk heeft gehad. [medeverdachte 1] zegt: “Ja, moeten er eigenlijk achter zien te komen waar dat ze is, want dan euh stuur even iemand daar naar toe met een bloemetje (…) eventjes kijken of alles goed is met haar, want dan (…) Ze vroegen mij in hoeveel tijd ik dat kan weten, dan kan ze daar nog eventjes uitrusten. (…) Dat ze even contact leggen met euh waar en euh.. Efkes naar het ziekenhuis toe kunnen gaan. (…) dat ze een beetje rustig is en dat ze haar eigen niet alleen voelt, dat ze daar nog eventjes wil wachten daar.” [medeverdachte 3] denkt dat de vrouw alweer beter is. [medeverdachte 1] zegt dat het goed is, maar dat ze elkaar eerst persoonlijk moeten spreken. [medeverdachte 3] vraagt: “Wel hetzelfde land he?” [medeverdachte 1] antwoordt: “Nee nee nee, dat gaat niet momenteel (…) maar ze hebben daar even, niet hier maar daar, even naar euh stop euh gezet daar. (…) Want daar is gekeken, weet je niet? (…) Dat 45 kilometerwagentje euh.. (…) Total loss gereden ja, daarvoor zijn ze daar aan het op… euh kijken.” Vervolgens zegt [medeverdachte 1] dat als ze acuut willen dat het wel naar een ander kan. Op de achtergrond spreekt [medeverdachte 1] Spaans en vraagt of van Peru 100% goed is hetgeen door de man op de achtergrond wordt bevestigd. 22 januari 2014 Op 22 januari 2014 om 11:24 uur belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 3] en vraagt hem hoe het met ‘die vrouw’ zit. [medeverdachte 3] zegt dat hij gisteren nog met hem erover heeft gebeld en diegene zou vandaag iemand langs sturen. Om 16:09 uur belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 3] en vraagt of hij al iets van die vrouw heeft gehoord. [medeverdachte 3] heeft nog niets gehoord. [medeverdachte 3] denkt dat de vrouw al wel al hier is. [medeverdachte 1] zegt dat hij vindt dat zij zich moet melden. Daarop zegt [medeverdachte 3] dat hij denkt dat ze een beetje bang is en zich schaamt. Volgens [medeverdachte 3] moet er iets zijn. Op de achtergrond praat [medeverdachte 1] met iemand in het Spaans en is Santo Domingo te horen. [medeverdachte 3] vraagt aan [medeverdachte 1] of ‘dat van Ecu wat jij zei’ niets is. [medeverdachte 1] is daarmee bezig. 3 februari 2014 Op 3 februari 2014 om 19:03 uur contact neemt [medeverdachte 1] contact op met de Spaans sprekende man met het Dominicaanse accent en legt hem uit dat de Belgische ambassade gisteren heeft gebeld met ‘haar’ broer om te zeggen dat zij op dit moment in het ziekenhuis ligt, omdat zij een ernstig motorongeluk heeft gehad. De man vraagt aan [medeverdachte 1] : “Wat wil je? Dat ik haar ga bezoeken?” [medeverdachte 1] zegt dat hij dat wil, maar dat hij niet weet in welk ziekenhuis zij ligt. De man zegt dat hij het gaat uitzoeken. Zaaksdossier B02 7 en 8 februari 2014 Tussen 7 februari 2014 en 8 februari 2014 heeft [medeverdachte 1] middels ping contact met een Spaans schrijvende persoon die gebruik maakt van een BlackBerry met het pinnummer [pinnummer] en de accountnaam [betrokkene 6] (hierna: [betrokkene 6] ). Op 7 februari 2014 om 16:31 uur stuurt [medeverdachte 1] naar [betrokkene 6] : “Kan je een chauffeur sturen naar je land.” [betrokkene 6] antwoordt direct: “Maar alleen zij kunnen één en niet twee inzetten/opzetten. Voor jou.” [medeverdachte 1] zegt daarop dat het beter is dat [betrokkene 6] komt om te praten. Op 8 februari 2014 om 12:01 uur vraagt [betrokkene 6] wat zij gaan doen. [medeverdachte 1] zegt dat hij die middag beslist komt en vraagt of [betrokkene 6] heel veel nieuws voor hen heeft. Om 18:13 uur schrijft [medeverdachte 1] naar [betrokkene 6] : “Vriend ik ben hier in het centrum, kom hier a.u.b. maar rustig aan jij heb tijd. (…) ok tot zo, bedankt vriend.” Om 18:48 uur vraagt [betrokkene 6] waar [medeverdachte 1] is. [medeverdachte 1] antwoordt om 18:49 uur: “In het restaurant anigos.” 10 februari 2014 Op 10 februari 2014 hebben [medeverdachte 1] en [betrokkene 6] wederom contact via ping. Om 13:55 uur vraagt [betrokkene 6] aan [medeverdachte 1] : “Vriend wat is er met de chauffeur gebeurd?” [medeverdachte 1] antwoordt later die middag om 17:42 uur: “Vriend. De chauffeur gaat woensdag naar jouw land.” [betrokkene 6] antwoordt om 17:47 uur: “Zoek/haal poen om te sturen om te kopen. Vriend, stuur een foto van het ticket van de chauffeur.” Om 22:41 uur stuurt [betrokkene 6] : “Vriend, mijn vriend zegt dat als je het ticket al van de chauffeur gekocht hebt of je dan alsjeblieft de foto van het ticket wil sturen.” 11 februari 2014 Op 11 februari 2014 om 17:21 uur belt [medeverdachte 1] naar een onbekende Spaans sprekende man met een Dominicaans accent. [medeverdachte 1] vraagt wat er aan de hand is met het reisbureau: “Die belt hem en zegt dat het hotel vol is. (…) Dus of jouw vriend daar zoekt iets voor ons of we moeten wachten en dit ticket annuleren voor de volgende week of over twee weken. Maar als jouw vriend zegt ‘Ok, ik kan een hotel regelen’, dan kan je [ntv] gaan, dan heb je je ticket al. Begrijp je? (…) Maar het hoeft geen luxueus hotel te zijn, maar een normaal hotel.” [medeverdachte 1] zegt dat ‘hij’ morgen al gaat en dat de Spaans sprekende man het ticket al heeft en vraagt of hij een te gek hotel kan regelen om morgen te gaan. De man vindt dit goed. [medeverdachte 1] zegt: “De aankomst daar om.. om twaalf uur toch? (…) Een moment.. Om half twaalf.” Om 19:10 uur belt [medeverdachte 1] weer met de Spaans sprekende man. [medeverdachte 1] vraagt hem naar de andere Spaans sprekende man genaamd [betrokkene 7] en vraagt: “Vriend (…) Weet jij nog die laatste vraag in het restaurant?” [betrokkene 7] zegt: “Dat is belangrijk, dat is heel belangrijk. (…) de naam van de persoon/personen, hoe die geschreven worden, voor mijn vriend. (…) Opdat hij de naam weet.” [medeverdachte 1] antwoordt: “Ok, een moment, een moment [in het Nederlands tegen 4e persoon: Hij vroeg of je hun kunt bellen naar wie hun schrijven of van wie er een papier terugkomt. Een naam.]” [betrokkene 7] zegt: “Ah ok. En jij stuurt de naam naar [betrokkene 6] via de ping.” 12 februari 2014 Uit een bestelbon van reisbureau Selectair White Sun te Lanaken (België) met nummer ZZ436556 blijkt dat op naam van [koerier 5] een reis is geboekt voor Jet Air Fly vlucht JAF303 van Brussel naar Punta Cana (Dominicaanse Republiek) op 12 februari 2014 en de terugvlucht JAF304 van Punta Cana via Montego Bay (Jamaica) naar Brussel op 19 februari 2014. Door de Belgische Federale Gerechtelijke Politie is vastgesteld, dat voornoemde [koerier 5] is genaamd [koerier 5] (hierna: [koerier 5] ). Op 12 februari 2014 om 14:02 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 4] . [verdachte] vraagt hem: “Oh, dat geeft niks eh volgende week donderdag tijd?” [medeverdachte 4] zegt dat hij dan tijd heeft. [verdachte] vraagt: “Eh hoe heet het ook?” [medeverdachte 4] weet het niet, maar dat hij dat moet vragen waarop [verdachte] antwoordt: “Oh ok ok, eh ja is wel belangrijk zeg maar.” [medeverdachte 4] zegt daarop dat hij dan zometeen even [medeverdachte 5] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 5] ) moet gaan bellen en gaat overleggen. [verdachte] zegt dat [medeverdachte 4] op dit nieuwe nummer van [verdachte] terug moet bellen. Om 17:14 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 1] en zegt: “eeuh.. dat ik hoe heet het naar Ede moet brengen want ze heb niet genoeg op de rekening staan. (…) en er zijn nog maar zeven
(7)stoelen dus eeuh er is ook haast bij zeg maar.” [medeverdachte 1] zegt dat hij dat weet. [verdachte] zegt daarop: “maar als ik het vanavond meld dan kan ze het morgenochtend storten.” Om 17:47 uur wordt [verdachte] gebeld door [medeverdachte 4] die zegt: “Yo.. hey, ’t wordt niks. Nee nee, ik kan wel met eeuh.. sean/chan? (…) [betrokkene 3] en die vind het ook allemaal goed en die weet ook hoe het werk en eeuh.. geld geld en eeuh..” 13 februari 2014 Op 13 februari 2014 om 12:06 uur belt [verdachte] naar [betrokkene 2] en zegt dat hij bij de afslag Ede is. Daarop belt [verdachte] om 12:44 uur naar KLM/Delta Airlines. [verdachte] heeft een vraag over een vluchtnummer en wil boeken. Er zijn nog drie stoelen over en [verdachte] wil voor twee personen boeken, maar heeft nog maar één naam. De vrouw kan een optie aanbieden en vraagt naar de datum en waar hij heen wil vliegen. [verdachte] antwoordt: “Ja dat is donderdag de twintigste om 06:50 is de KL 1721 (…) Brussel.” De vrouw vraagt: “Van Amsterdam naar Brussel?” [verdachte] zegt ja en dat het om een enkele reis gaat. De prijs voor het ticket is 361,61 euro per persoon. [verdachte] vindt dit geen probleem en geeft een naam door: “ [medeverdachte 4] (..) Eerste voornaam [medeverdachte 4] .” De vrouw vraagt naar de achternaam van de tweede persoon. [verdachte] zegt: “Nee, nee dat is nog niet zeker welke eeuh.. er zijn een paar opties zeg maar (…) Maar dat er twee gaan dat is honderd procent zeker (…)” [verdachte] ontvangt boekingscode 5XG5VD voor de boeking op 20 februari Amsterdam van 6 uur 50 naar Brussel aankomst 07:40 uur. [verdachte] wil contant op de luchthaven betalen. Uit de boekingsgegevens met betrekking tot boekingscode (PNR) 5XG5VD blijkt dat er geen tickets zijn aangemaakt. De PNR bleek te zijn gemaakt op 13 februari 2014 met als passagiers [medeverdachte 4] en [betrokkene 8] voor de vlucht KL1721 van 20 februari 2014 van Amsterdam naar Brussel en de terugvlucht KL1720 op 25 februari 2014 van Brussel naar Amsterdam. Beide passagiers hebben de vlucht niet gemaakt. Daarna belt [verdachte] om 12:50 uur naar [betrokkene 2] en krijgt hij [betrokkene 9] aan de lijn aan wie hij vraagt: “De eerste hamvraag is of je volgende week donderdag vrij bent.” [betrokkene 9] zegt als het goed is wel. [verdachte] vraagt of hij nu even naar Ede kan komen: “althans, als je wat wil verdienen.” [verdachte] zegt dat hij bij [betrokkene 2] is. Om 15:14 uur belt [verdachte] met [betrokkene 10] en vraagt hem: “Wat ben jij volgende week donderdag aan het doen? (..) Wil je wat verdienen?” [betrokkene 10] antwoordt dat hij niks te doen heeft en altijd wat wil verdienen. [verdachte] wil niet over de telefoon praten en rijdt zo naar Culemborg. Om 18:38 uur belt [verdachte] naar [betrokkene 10] . Hij is bij de afrit Culemborg. 14 februari 2014 Op 14 februari 2014 om 10:14 uur belt [verdachte] weer naar [betrokkene 10] en vraagt hem: “Zit er alleen een scheurtje in, of is tie helemaal doormidden die ID kaart van jou?” [betrokkene 10] zegt dat er een scheurtje precies bij zijn foto zit. Er is een klein stukje uit. [verdachte] zegt: “Oké, probeer het even te regelen en anders rij ik vanavond effe langs iemand van de Marechaussee en dan kan die kijken of het ermee door kan of niet.” Om 15:02 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 4] en vraagt of hij nog iemand heeft gevonden. [medeverdachte 4] heeft niemand gevonden. 15 februari 2014 Om 13:18 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] vraagt: “Had je het nog geregeld daar bij jou? (…) Ja, dat je twee man vind.” [verdachte] zegt: “Jaah.. zeker, maar ik moet weten of het die dag doorgaat weet je wel?” [medeverdachte 1] antwoordt: “Jaah.., dat weten we vandaag pas daar ben ik op aan het wachten, want dan kan ik pas actie ondernemen jongen. (…) M.. maar dat het komt volgende week is zeker.” Om 16:36 uur belt [verdachte] met [betrokkene 2] die zegt: “Vergeet jij niet dat jij tickets moet regelen.” [verdachte] zegt dat hij dat al geregeld heeft, hij voor maandag twaalf uur contant moet betalen en: “Nee nee maar we zijn aan het kijken of dat we die terugvlucht van hun daar even kunnen verzetten.” [betrokkene 2] vraagt of hij die jongen mee neemt. [verdachte] zegt ja. 16 februari 2014 Op 16 februari 2014 om 19:31 uur neemt [verdachte] contact op met [medeverdachte 1] en zegt: “Ja naar Rotterdam om dat ding toch te annuleren toch.” [verdachte] vraagt aan [medeverdachte 1] of ze al een nieuwe dag weten. [medeverdachte 1] zegt van niet. [verdachte] zegt: “oke want euh ik had zitten kijken, misschien kan je een tipje geven maar op zondag (…) Dat kan… volgens mij zaterdag weg daar.” [medeverdachte 1] antwoordt: “Ja dat ligt eraan wanneer hun klaar staan daar.” [verdachte] zegt: “Ja en euh ik heb euh hoe heet het geannuleerd in ieder geval.” 18 februari 2014 Op 18 februari 2014 om 14:45 uur wordt [medeverdachte 1] gebeld door [medeverdachte 3] . [medeverdachte 1] geeft aan dat hij eerst naar Rotterdam moet komen, want ze hebben net gebeld. [medeverdachte 3] zegt: “Die ene heeft zojuist ook gebeld die moet iets weten hè.” [medeverdachte 1] antwoordt: “Ja, dat zal hij dadelijk weten maar ik weet wel zal zaterdag op zondag zijn dat weet ik.” [medeverdachte 3] zegt dat hij het zeker moet weten. Om 17:03 uur belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 3] en zegt: “Ik krijg euhm vandaag door precies euh..een dag en wanneer maar eeuh.. het is zaterdag dat weten we al. (…) Hun zijn nu bij hem.” [medeverdachte 3] vraagt: “Dan moet ik op zaterdags daar?” [medeverdachte 1] antwoordt: “Ja… Tot zaterdag gaat ie weg zaterdag.” ‘s Avonds belt [medeverdachte 1] om 20:09 uur naar [verdachte] en zegt dat [verdachte] vanavond naar Rotterdam moet. Om 22:03 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 1] . [verdachte] is in Rotterdam en vraagt aan [medeverdachte 1] of hij ‘hun’ kan bellen dat hij er is. [medeverdachte 1] zegt dat ze naar beneden komen. Om 22:22 uur wordt [verdachte] gebeld door [afhaler 3] [medeverdachte 1] (hierna: [afhaler 3] ) die aan hem vraagt waar hij is. [verdachte] zegt dat hij nog in Rotterdam is en nu terug komt. [afhaler 3] vraagt: “Heb je wat achtergehouden voor ons?” [verdachte] antwoordt: “Twee ruggen. Natuurlijk heb ik niets achtergehouden kut! Ja, maar ik moest niet eens geld brengen kut. (…) Papieren! Ja, maar geen waarde papieren!” [afhaler 3] vraagt: “Groen, of geel of paars?” [verdachte] zegt: “Paarse. Een hele enveloppe vol.” 19 februari 2014 Op 19 februari 2014 om 11:47 uur belt [medeverdachte 1] met [medeverdachte 3] die zegt dat die man daar nog zit te wachten en nog helemaal niemand heeft gezien. [medeverdachte 1] zegt: “ja, hij moet in ieder geval blijven tot eeuh.. zaterdag.” [medeverdachte 3] zegt dat dat goed is en vraagt: “Gaan ze wel naar hem toe vandaag of niet?” [medeverdachte 1] zegt dat ze naar hem toe gaan. [medeverdachte 3] zegt dat hij gaat doorgeven dat de man daar moet blijven, maar dat er wel iemand naar hem toe moet want de man weet niet wat hij moet doen. Om 13:37 uur belt [medeverdachte 3] om te zeggen dat hij er is. [medeverdachte 1] komt eraan. Op dat moment straalt de telefoon van [medeverdachte 3] de zendmast aan de [straatnaam] te Heeswijk-Dinther aan welke op 1.500 meter van het adres [adres 1] te Heeswijk-Dinther is gelegen, zijnde het adres van [medeverdachte 1] . Om 13:40 uur wordt door het observatieteam van de KMar waargenomen dat [medeverdachte 3] zijn Toyota Aygo, met kenteken [kenteken 3] , parkeert bij de centrale in- en uitgang van Camping ‘ [naam chaletpark] ’ waarna [medeverdachte 1] zijn Mercedes, voorzien van het kenteken [kenteken 2] , de parkeerplaats oprijdt en [medeverdachte 3] als bijrijder instapt. Zij rijden weg en komen omstreeks 14:40 uur weer terug, waarna [medeverdachte 3] in zijn eigen auto wegrijdt. Om 16:33 uur neemt [medeverdachte 3] contact met [medeverdachte 1] op en zegt dat hij zojuist bij ‘opa’ is geweest. Hij had zojuist gebeld en hij heeft een ander hotel geregeld. [medeverdachte 3] zegt dat hij straks de naam aan [medeverdachte 1] doorzendt. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat ‘Opa’ is genaamd [betrokkene 4] en dat hij in Gelk, in België woont. [koerier 5] heeft verklaard dat [betrokkene 4] zijn broer is. Om 16:58 uur ontvangt [medeverdachte 1] een sms-bericht van [medeverdachte 3] : “Hotel flambouxan avenu italia proxeino a plaza bavara 095520372” Hotel Bavaro Punta Cana Hotel Flamboyan is gevestigd op de Calle Italia te Punta Cana op de Dominicaanse Republiek. Het telefoonnummer is
- Om 17:44 uur belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 3] die zegt dat hij hem een berichtje heeft verzonden: “Dat is zijn nieuwe adres en de telefoonnummer heb ik er ook bijgezet van daar van die hotel.” Kort daarop om 18:36 uur belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 3] en zegt: “Die chauffeur die praat Engels.” Op de achtergrond zegt [medeverdachte 1] tegen iemand: “Hij zegt dat hij Engels spreekt. Wat wil je dat ik tegen hem zeg.” De ander antwoordt: “Dat hij zelf met de vliegmaatschappij moet bellen en moet zeggen dat hij niet heeft kunnen reizen want het te lang onderweg is geweest, want de auto is stuk gegaan onderweg. (…) Hij moet naar de vliegmaatschappij bellen en zeggen dat hij niet op tijd daar kan zijn want de auto is onderweg stuk gegaan. (…) Hij moet zelf naar de vliegmaatschappij in Punta Cana bellen en zeggen dat hij niet gaat reizen. Dat zij hun vlucht moeten annuleren. Begrijp je?” [medeverdachte 1] begrijpt het niet. Om 18:39 uur zegt [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 3] : “Er moet nu direct gebeld worden naar hem toe dat hij naar de maatschappij toe belt dat ie zijn eigen verslapen heeft of dat hij het niet kan redden weet je niet (…) Of ziek is dat ie niet terug kan dat ie het uitstelt naar over een paar dagen (…) weet je waarom dat is? Dat zal ik je vertellen kijk als hun nu daar naar toe gaan want je kunt dat ding wat hij heeft, dat papiertje wat hij heeft, kan hij gewoon verzetten voor een paar dagen maar dat is niet goed want dan gaan die maatschappijen door bellen dus hij moet net doen alsof hij zijn eigen bijvoorbeeld verslapen heeft of ziek is ja maar wel afzeggen anders gaan ze rare… (…) Anders gaan ze naderhand melden (…) Dat is hier ook gebeurd met [afhaler 3] .” [medeverdachte 3] zegt dat hij erheen gaat en het gaat vertellen. Om 18:52 uur belt [medeverdachte 3] met [medeverdachte 1] en vraagt of ‘hij’ gelijk weer moet reserveren als hij afmeldt. [medeverdachte 1] zegt dat hun dat gaan doen. 20 februari 2014 Op 20 februari 2014 om 11:50 uur belt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 1] en zegt: “ik heb dus gekeken, maar voor zaterdag eh…er is nog maar 1 buskaartje he..” [medeverdachte 1] antwoordt: “Nee, nee, nee.. twee.” [medeverdachte 3] reageert: “Ik heb juist gekeken nou. (…) 1 voor zaterdag en voor zondag 3.” [medeverdachte 1] zegt: “Ja, ja.. maar…is.. oke.. is verplaatst wat gij zegt.. voor zondag.” Om 13:32 uur belt [verdachte] naar KLM reserveringen en zegt: “Goedemiddag met [verdachte] . Ik heb een vraagje, ik had eh, voor aanstaande zondag, om eh, een vlucht van Amsterdam naar Brussel (…) Om 10 voor 7 ’s ochtends weg (…) Euh, hoeveel stoelen zijn er nog?” De medewerker antwoordt: “Aanstaande zondag de 23e februari, Amsterdam Brussel. En de vlucht van 9 uur 20 zegt u hè? Met aankomst 10 10.” [verdachte] antwoordt: “Nee 6 uur 50, 6 uur 50.” De medewerker antwoordt: “Er zijn nog 9 stoelen meneer (…) In economy.” [verdachte] vraagt: “Ok en met een retourtje, maakt niet uit op welke dag terug wordt toch geen gebruik van gemaakt? Wat is eh de kosten van?” De medewerker zegt dat de kosten 214,55 euro bedragen. [verdachte] antwoordt: “Ja ok. Euh is het een mogelijkheid he, dat jij een paar uurtjes voor mij de, die eff reserveert? Dat ik ze zometeen kom betalen? (…) Twee, twee nodig.” [verdachte] geeft aan dat hij de namen die op het paspoort staan nog niet precies weet. Om 13:37 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 4] en zegt: “Maar eh, ik heb effe jou volledige naam nodig zoals die op je paspoort staan en ook van eh [medeverdachte 5] .” [medeverdachte 4] zegt: “ja, ja, van [medeverdachte 5] weet ik nog niet.” [verdachte] zegt dat hij dat snel nodig heeft en vraagt [betrokkene 3] te bellen. [medeverdachte 4] geeft zijn eigen naam en geboortedatum door. [verdachte] zegt dat hij [betrokkene 3] gaat bellen. Direct daarna belt [verdachte] naar [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ) en zegt: “Hee, euh, euh, voor deze zondag, wat is de, euh [medeverdachte 5] , euh, z’n volledige naam zoals het op het paspoort staat? En de geboortedatum.” [betrokkene 3] gaat kijken of zij het paspoort heeft en geeft door: [medeverdachte 5] geboren op [geboortedatum medeverdachte 5] . Kort daarop belt [verdachte] weer naar KLM. Hij geeft met betrekking tot de eerder door hem gemaakte reservering de namen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] [-] door en laat zijn eigen mobiele telefoonnummer bij de reservering noteren. [verdachte] zegt dat hij zo in Amsterdam contant bij de balie wil betalen en ontvangt de boekingscode ZV2AOW en het bedrag € 428,-. Op 20 februari 2014 om 14:48 uur wordt [medeverdachte 1] gebeld door [medeverdachte 3] die vraagt: “Was het nou zaterdag of zondag wordt het toch zondag.” [medeverdachte 1] antwoordt: “Ja zondag ja.” [medeverdachte 3] vraagt: “Zondag daar en dus die maandag zo.” [medeverdachte 1] antwoordt: “Nee nee nee zaterdag daar zondag.” [medeverdachte 3] zegt er is nog maar één ‘buskaartje’ anders wordt het een dag later. Om 16:00 uur belt [medeverdachte 1] naar [verdachte] en zegt dat het iedere minuut gebeurt, dus dat [verdachte] het vast moet houden. [verdachte] zegt dat hij dat probeert, maar dat ze hem om vier uur weer in de lucht gooien. [medeverdachte 1] stelt voor om vier uur erheen te lopen en zegt: “Ja, als het dan niet is dan bel ik acuut op. Dan kapt het gewoon af.” Vervolgens is op de beveiligingscamera’s van de Camera Toezicht Ruimte (CTR) te Schiphol te zien dat [verdachte] om 16:42 uur komt aanlopen op de begane grond (aankomsthallen) vanuit de richting Schiphol Plaza en om 16:44 uur arriveert bij de reserverings- en ticketbalie van de KLM ter hoogte van vertrekhal
- Om 16:47 uur wordt hij geholpen door een grondstewardess en geeft hij haar papieren, vermoedelijk geld, waarna hij om 16:50 uur papieren, vermoedelijk tickets ontvangt. Met betrekking tot de boekingscode (PNR) ZV2AOW blijkt dat er op 20 februari 2014 twee retourtickets zijn gekocht voor vlucht KL1721 op 23 februari 2014 van Amsterdam naar Brussel voor de passagiers [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] waarbij het telefoonnummer van [verdachte] is opgegeven. Vervolgens belt [verdachte] om 16:55 uur naar [medeverdachte 1] en geeft hij door dat hij ze heeft en ze nou gaat afgooien. Om 17:54 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 4] en zegt: “Ik heb wat voor je snap je dat.” [medeverdachte 4] heeft tijd en [verdachte] vraagt waar [medeverdachte 5] is. [medeverdachte 5] is in Rotterdam. [verdachte] regelt het met [medeverdachte 4] . Om 18:15 uur belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 3] . [medeverdachte 1] is op dat moment in Rotterdam en vraagt: “Kun jij even naar opa bellen dat hij die telefoon op vat want ik ben hem allemaal aan het bellen maar hij pakt de telefoon niet op. [medeverdachte 3] zegt dat hij naar hem toe rijdt. Drie minuten later belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 3] . [medeverdachte 1] is nog steeds in Rotterdam en zegt: “Ik heb hem aan de lijn maar dat is een halve idioot volgens mij die wil over Frankfurt terug komen.” [medeverdachte 3] reageert: “Nee man godverdomme ik ga bellen. Hoe bedoel je nou.” [medeverdachte 1] zegt: “Ja hij moet over Jamaica (…) Maar hij zegt tegen mij over Frankfurt.” Om 18:23 uur zegt [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 3] : “Jawel jawel ik heb hem aan de lijn nu, ik heb hem nu aan de lijn.” Uit de historische verkeersgegevens van het Dominicaanse nummer 1-8494030750 blijkt dat op 20 februari 2014 om 18:15 uur en 18:25 uur gesprekken worden gevoerd met het Nederlandse nummer [-8453] . Het Nederlandse nummer straalt op die momenten een zendmast in Rotterdam aan. [koerier 5] heeft verklaard dat het Dominicaanse nummer van hem is. Om 18:29 uur is [medeverdachte 1] nog steeds in Rotterdam en belt hij met [medeverdachte 3] . Op de achtergrond is wederom een Spaans sprekende man met een Dominicaans accent te horen. [medeverdachte 1] zegt: “Ik heb hem aan de lijn gehad maar hij praat Belgs ik kan hem niet verstaan. (…) Want hij moet boeken via de computer (…) Ja er is er eentje bij maar hij had al gezegd oke via Frankfurt. (…) Ja ik zeg je moet van JET AIR FLY en en..” [medeverdachte 3] zegt dat hij over 10 minuten bij opa is. [medeverdachte 1] zegt dat hij naar een computer moet gaan, want ‘hij’ heeft een mastercard bij zich en dan boekt hij via de computer. Op de achtergrond vraagt de Spaans sprekende man: “Kan hij niet naar het vliegveld gaan? Waar is hij nu op dit moment? Op welke plaats? In Punta Cana?” [medeverdachte 1] zegt dat de man in Punta Cana is. De Spaans sprekende man zegt dat hij een taxi moet pakken en naar het vliegveld moet gaan. Twee minuten na dat gesprek bellen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] weer en zegt [medeverdachte 1] dat de man naar het vliegveld moet gaan. [medeverdachte 3] vraagt: “Ik laat hem bellen hier maar luister maar als vol is voor zaterdag moet hij dan zondag doen.” [medeverdachte 1] antwoordt: “Nee dat gaat niet meer alles is geregeld dat gaat niet meer, zondag.” Uit het vliegschema van vlucht JAF601/JAF602 blijkt dat er wekelijks op zaterdag om 12:55 uur een vlucht van Jet Air Fly gepland staat van Punta Cana (Dominicaanse Republiek) via Montego Bay (Jamaica) en op zondag om 06:10 uur aankomt op de luchthaven te Brussel (België). Op 20 februari 2014 om 18:48 uur belt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 3] die zegt dat hij bij opa is. [medeverdachte 1] zegt dat de man het niet begrijpt en naar het vliegveld moet gaan, want er is nog maar één stoel. [medeverdachte 3] zegt dat hij het de man al heeft gezegd. [medeverdachte 1] zegt dat [medeverdachte 3] anders het nummer van zijn mastercard moet doorgeven en dan gaat [medeverdachte 1] voor hem boeken. Vervolgens belt [medeverdachte 1] met [verdachte] om 18:54 uur en vraagt hem of hij de papieren van die vent in zijn zak heeft zitten. Om 18:56 uur neemt [medeverdachte 3] contact met [medeverdachte 1] op en zegt tegen hem dat de man het weet want ze zijn bij hem en ze zijn onderweg naar het vliegveld. [medeverdachte 1] zegt dat de man over Frankfurt wilde waarop [medeverdachte 3] zegt: “Ik sta hier bij hem. Hij weet ook dat er maar één plaats is.” [medeverdachte 1] zegt: “Zeg maar tegen opa als die het niet goed doet dan maak ik hem blank. Haahaa.” Daarna neemt [medeverdachte 1] om 20:02 uur contact op met [verdachte] en vraagt: “Hey kun jij een reis boeken voor mij nu meteen.” [verdachte] zegt dat hij in de auto zit en er met twintig minuten is. Vervolgens belt [verdachte] om 20:23 uur naar [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en zegt tegen hem dat hij hem dringend nodig heeft en vraagt of hij daar internet heeft. Om 20:25 uur belt [medeverdachte 2] naar [verdachte] en zegt dat zijn zijdeur open is. Zijn telefoon straalt een zendmast in Culemborg aan. Om 20:40 uur belt [medeverdachte 1] naar [verdachte] en zegt dat ze er niet uitkomen. [medeverdachte 1] vraagt: “Heb jij iemand die dat kan boeken?” [verdachte] zegt: “Ja daar ben ik nu en die ga ik nou proberen (…) Die heeft er meer verstand van als ik snap je.” [medeverdachte 1] zegt dat iemand moet boeken en dat het geen probleem is dat [medeverdachte 1] betaalt, want er is er nog maar eentje en anders is het weer voor niks. [medeverdachte 1] zegt: “Ja en kan hij het niet dan betaal je hem. Geen probleem krijgt die nog extra ook als die het doet maar het moet nou anders zijn we te laat.” [verdachte] zegt dat het goed komt. [medeverdachte 1] zegt: “Ja maar je moet die dingen weten van mij of niet, want het moet op hem naam geboekt worden.” [verdachte] zegt dat hij die bij zich heeft. Om 20:46 uur meldt [verdachte] dat ze bezig zijn en dat er zat tickets zijn. Ze kijken naar Jet Air Fly. [medeverdachte 1] zegt dat 630 de vlucht is en: “Je moet gewoon boeken op hem naam he.” [verdachte] zegt dat hij dat weet en het goed komt. Vervolgens belt [verdachte] om 20:54 uur met de KLM en zegt dat hij een vliegticket probeert te boeken voor een vriend van hem die op dat moment op de Dominicaanse Republiek zit en die terug moet komen maar geen geld meer heeft. [verdachte] zegt dat het de vlucht is die daar zaterdag weg gaat en zondag aankomt op Zaventem. Voorts zegt [verdachte] dat hij zaterdag wil vertrekken vanaf Punta Cana met de Jetairfly 602 rechtstreeks naar Zaventem. De KLM medewerker zegt dat hij alleen tickets kan verkopen met een tussenlanding op Parijs. [verdachte] belt vervolgens om 21:00 uur naar [medeverdachte 1] en zegt: “Nou die kenne het mij niet verkopen omdat het een andere maatschappij is.” [verdachte] zegt dat hij het dan contant gaat doen zoals vandaag. [medeverdachte 1] zegt: “Godnonderju dus dan moet je naar Brussel rijden omdat te gaan betalen.” Er zijn nog maar 8 stoelen. [verdachte] zegt dat hij gaat reserveren. Vervolgens wordt [medeverdachte 1] om 21:11 uur gebeld door [verdachte] die zegt dat hij heeft gereserveerd. [medeverdachte 1] vraagt hoe laat hij moet betalen. [verdachte] zegt: “Tussen morgenochtend 7 en morgenavond 7.” Om 21:46 uur belt [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] zegt dat hij morgen dat papier moet brengen. Ze treffen elkaar morgen om een uur of elf bij Goudreinet. [medeverdachte 3] vraagt: “euh wacht even hey we hebben hem toch papieren meegegeven euh geld geld gegeven of niet.” [medeverdachte 1] zegt van wel. Om 23:17 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 1] en vraagt om het e-mailadres. [medeverdachte 1] geeft [koerier 5] [emailadres] door, zoals het in zijn paspoort staat. Om 23:33 belt [medeverdachte 1] weer naar [verdachte] en vraagt of hij kan bellen naar nummer
- Het Dominicaanse nummer 001849403075 is in gebruik bij [koerier 5] . Daarop belt [verdachte] om 23:39 uur en 23:43 uur naar [koerier 5] . Kort voor middernacht op 20 februari 2014 om 23:49 uur belt [verdachte] nogmaals naar [koerier 5] . [koerier 5] vertrouwt hen. [verdachte] zegt: “Ja maar ik heb sowieso voor je ehm gereserveerd en ehm ik kan als het echt moet kan ik morgen zelf nog gewoon in Brussel gaan betalen. (…) Dus je komt sowieso terug.” Om 23:52 uur bellen [verdachte] en [medeverdachte 1] en zegt [medeverdachte 1] : “En hij moet maar 1 ticket, want anders verliezen we weer alles.” Om 23:54 uur belt [verdachte] naar [koerier 5] die zijn creditcardnummer doorgeeft. 21 februari 2014 Op 21 februari 2014 om 09:40 uur belt [verdachte] naar [koerier 5] en zegt dat hij het nu voor [koerier 5] gaat regelen. [koerier 5] hoopt dat er plaatsen vrij zijn. Om 10:36 uur belt [medeverdachte 3] met [medeverdachte 1] die zegt dat hij nu gaat rijden. [medeverdachte 3] vraagt hem of hij er om 11:30 uur is. Ze zien elkaar zo. Om 10:40 uur wordt de Mercedes van [afhaler 3] , voorzien van het kenteken [kenteken 4] , bij de grensovergang tussen Nederland en België op de autosnelweg A67 te Bladel gefotografeerd. Op de foto is te zien dat de bijrijder een roze kleurig shirt draagt. Dit shirt komt overeen met het door [verdachte] op 20 februari 2014 te Schiphol gedragen shirt. Om 11:46 uur wordt [verdachte] gebeld door [medeverdachte 1] die zegt: “Het is stom dat je naar Brussel bent gegaan he, je kunt gewoon vlak over de grens naar euh een reisbureau gaan.” [verdachte] zegt dat dit had gekund, maar: “nou lopen we hier al toch.” Door het observatieteam van de KMar wordt op 21 februari 2014 tussen 11:40 uur en 12:17 uur een ontmoeting waargenomen tussen [medeverdachte 1] , [betrokkene 5] en [medeverdachte 3] in restaurant “De Wildenberg” van restaurantketen “De Goudreinet” te Weert. Tijdens de ontmoeting overhandigt [medeverdachte 3] een wit pakketje aan [medeverdachte 1] die naar het pakketje kijkt en het pakketje vervolgens aan [betrokkene 5] geeft. Zij kijkt herhaaldelijk om zich heen en stopt het pakketje daarna in haar tas. Tijdens voornoemde ontmoeting vraagt [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] : “Is dat dan totaal?” [medeverdachte 1] antwoordt: “Nee, dat is 20000 duizend dat is 20, maar.. ik moet 20 afgeven daarom.” [medeverdachte 3] vraagt of dat wel klopt. [medeverdachte 1] zegt: “Dat is 15000 dollar dan hebben we.. nee twee. Maar.” [medeverdachte 3] reageert: “Maar eentje kost tien duizend?” [medeverdachte 1] antwoordt: “is vijftien duizend dollar, is elf duizend en een beetje. Eén.” [medeverdachte 3] zegt dat het wel veel voor één is. [medeverdachte 1] zegt dat het vroeger zeven duizend dollar was: “Ja zeven en een half duizend dollar en nu is die vijftien duizend dollar.. volgens hun.” Later zegt [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 3] : “Alsjeblieft neem wat voor mij mee, er staat er staat een persoon te wachten. Geef dat af voor mijn en je krijgt van mijn een gratis vakantie.” Voorts zegt [medeverdachte 3] tegen [medeverdachte 1] : “Maandag gooien we die dingen weg (…) Want uh ik heb wel op mijn telefoon laten bellen.” [medeverdachte 1] reageert: “O ja ja, maandag? Zondagmorgen. (…) Zo het kanaal in.” [medeverdachte 1] zegt dat hij dinsdag gaat vliegen en pas na de carnaval terug is. Dan zegt hij tegen [medeverdachte 3] : “Als ik dan daar ben en ik heb goede afspraken gemaakt. Dan kun jij 1 van de 2 wie je hebt daar naartoe sturen. Dan kun je hem daar naartoe sturen. Dan vang ik hem persoonlijk op (..) Dan zorg ik er persoonlijk voor dat hij in een goed resort komt.” Later tijdens deze ontmoeting: [medeverdachte 1] : Ja, weet hij wat wij gaan doen, die vent? Weet hij dat precies? [medeverdachte 3] : Ik weet niet of ze iets afgegeven .. (ntv) [medeverdachte 1] : Nee nee nee hij mag nee hij nee hij moet het niet afgeven. [medeverdachte 3] : Nee nee luister hij moet het toch afgeven? [medeverdachte 1] : Ja, nee, buiten. Hun lopen met hun mee naar buiten. Tot hij door de deur is en dan kan hij zijn eigen ding doen, maar hij moet die vent moet het buiten niet afgeven. Ik stond er bij en jij stond er ook bij. [medeverdachte 3] : Ja maar (ntv) weg gebracht of (ntv) [medeverdachte 1] : Nee gewoon met hun mee, hij loopt met hun mee door de douane tot, tot ver na de douane. En dan mag hij weer verder lopen, ze werken normaal buiten. [medeverdachte 3] : Ja maar als ze ons dadelijk er uitpakken? [medeverdachte 1] : Dat hoeft toch niet. Dat zijn toch geen mensen van daar. Hoe moet ik dat nou uitleggen. Kijk als hier nou die band is, dan komt hij hier naar beneden. Hij wacht hier, dan komt hier die mensen komt eraan. Ja, die pikt hem op en hier is meteen hier door daar is meteen de douane. [medeverdachte 3] : Is dat douane? [medeverdachte 1] : Ja, ja klaar. Ja nou en hij moet met hun meelopen tot daar. Tot zover, de deur dat hij buiten is. En dan kan hij links, kan ie rechts, om de bocht en naar beneden. Ja? Hij moet naar zijn auto lopen natuurlijk. Want die vent die is terug, die moet hem buiten niet afgeven. [medeverdachte 3] : O, maar wacht heel even? [medeverdachte 1] : Ja want anders kom ik nog wel. [medeverdachte 3] : Nee nee nee [medeverdachte 1] : Dat ik moet vertellen tegen opa. [medeverdachte 3] : Nee nee nee dat hoef je niet te vertellen. Maar ik dacht dat uh dus die man die ze daar oppikte is "douanebeambte'" ofzo? [medeverdachte 1] : Ja ja [medeverdachte 3] : Dus dat is er een die daar werkt of euh? (klinkt als) [medeverdachte 1] : ja, dat vraag ik me af (ntv) [medeverdachte 3] : oké .. [medeverdachte 1] : Die brengen hem naar buiten. [medeverdachte 3] : Ja ja natuurlijk. [medeverdachte 1] : Hij moet daar wachten tot hun er zijn. [medeverdachte 3] : Ja [medeverdachte 1] : Hij krijgt een telefoon van mij, die man komt nu langs jou. [medeverdachte 3] : nou ja als ik er (ntv) [medeverdachte 1] : Ja maar er lopen er meer rond dus dan uuh. Ja er schijnt een balie achter te zijn ook, dus hij. Luister nog één keer. Als hij hier staat die Belg, komt er hier één langs hem staan, ja? Als hij langs hem staat, hij belt mij op, [medeverdachte 3] : ja, [medeverdachte 1] : Van ik sta er nu langs, [medeverdachte 3] : ja, [medeverdachte 1] : Hang ik op en ik bel hem, luister aan de rechterkant langs jou daar staat een meneer, loop met hem mee naar buiten. [medeverdachte 3] : Dan word dat niet zoals in Zwitserland hè! [medeverdachte 1] : Twee .. , nee joh. Nee dat ging anders [medeverdachte 3] : Nee maar ik bedoel dat ie echt van dat ene moet. [medeverdachte 1] : Ja [medeverdachte 3] : Wacht effe als hij eenmaal daar is, moet hij daar wachten? Die vent die naast hem staat, belt jou op. [medeverdachte 1] : Die belt mij op. Ja maar hij heeft bagage mee heb ik begrepen he, dat moet hij laten liggen hè. Hij moet daar niet mee (ntv). Hij moet zijn bagage gewoon laten liggen. Die pikt hij naderhand op. [medeverdachte 3] : ok [medeverdachte 1] : Anders kan . . daar kan goed een uur verschil in zitten. Snap je? [medeverdachte 3] : Ja. [medeverdachte 1] : snapt te? [medeverdachte 3] : O zo. [medeverdachte 1] : Ja [medeverdachte 3] : Ok ken die ophalen of euh .. [medeverdachte 1] : Tuurlijk gaat dat, rijden hun wel mee. Geen probleem. En anders kom ik morgen gewoon en dan leg ik dat allemaal uit. Vervolgens wordt de Mercedes van [afhaler 3] op 21 februari 2014 om 12:56 uur weer gefotografeerd bij de grensovergang tussen Nederland en België op de autosnelweg A67 te Bladel waarbij in de auto ogenschijnlijk dezelfde inzittenden zaten. Op 21 februari 2014 stuurt [medeverdachte 1] om 13:32 uur een sms-bericht naar [medeverdachte 3] : “016506194” waarna [medeverdachte 1] aangeeft: “Dat nummer moet je aan opa doorgeven, dat je dat even doorbelt. Op dat nummer moet je de tic… ehh… dinges ophalen.” Daarna wordt [medeverdachte 1] om 14:55 uur gebeld door [afhaler 3] die zegt dat hij op de afslag daar is. Vervolgens komt [verdachte] aan de lijn en vraagt aan [medeverdachte 1] of hij hun wil bellen want ze zijn er en rijden op de afslag Rotterdam. [medeverdachte 1] stuurt om 14:57 uur een ping bericht naar [betrokkene 6] : “Mijn zoon is beneden.” Door de KMar wordt vervolgens gezien dat de Mercedes van [afhaler 3] om 15:16 uur geparkeerd staat ter hoogte van de centrale in- en uitgang van de Teldersweg 1 t/m 79 te Rotterdam. [afhaler 3] en [verdachte] ontmoeten om 15:26 uur een man met een licht getint uiterlijk. 22 februari 2014 Uit een bestelbon van Hostess Zaventem blijkt dat op naam van [koerier 5] een reis is geboekt voor vlucht JAF602 op 22 februari 2014 vanuit Punta Cana (Dominicaanse Republiek) via Montego Bay (Jamaica) naar Brussel. Bij die Belgische boeking is het Nederlandse nummer 31617096780 als contactnummer opgenomen. Dit nummer behoort toe aan [verdachte] . Op 22 februari 2014 om 14:16 uur heeft [medeverdachte 3] contact met [medeverdachte 1] en zegt dat hij bij opa is, maar ze zijn nog niet bij ‘hem’ geweest. [medeverdachte 3] vraagt of de man met de taxi moet of dat hij wordt opgehaald. Om 14:17 uur ontvangt [medeverdachte 1] een telefonisch verzoek van [verdachte] om hun/hem even te bellen dat hij er is. De telefoon van [verdachte] straalt op dat moment een zendmast aan in Rotterdam. Om 14:24 uur belt [medeverdachte 1] naar [verdachte] en vraagt: “Hoe zit het nou moet hij daar blijven wachten nog op een andere of..” [verdachte] gaat dat vragen en is nog in Rotterdam. [medeverdachte 1] zegt [verdachte] te bellen: “en anders dat ze die chauffeur iets laten weten dat ie moet gaan.” Om 14:27 uur wordt [medeverdachte 1] gebeld door [medeverdachte 3] die meldt: “He hij heeft een taxi genomen he. Anders haalt hij dat niet. Want… (…) hij moet dat ding afhalen en dat is maar op bepaalde uren open. (…) Dan komen ze daar wel bij hem he?” Om 14:33 uur bellen [verdachte] en [medeverdachte 1] en zegt [verdachte] dat hij nog bij hun in Rotterdam is. Ze hebben tegen [verdachte] gezegd dat het erom gaat dat het gewoon te duur is en dat ze kijken waar vandaan het wel kan. [medeverdachte 1] zegt tegen [verdachte] het papier in zijn zak te houden. [verdachte] geeft door: “het kan zijn van waar hij eigenlijk euh euh heen gaat zeg maar (..) Waar die tussenin zit waar die even moet wachten (..) Dat daar vandaan misschien iets lukt. (…) Als die oude man terug komt dan gaat ie toch via iets. (..) Waar die mensen bij laait zeg maar. (..) Nou daar vandaan dat gaan ze proberen. (..) Hij is de prijs daar aan het vragen.” [medeverdachte 1] zegt tegen [verdachte] dat ‘hun’ die chauffeur moeten bellen, want ze kunnen het niet maken een mens zomaar te laten zitten. [verdachte] zegt dat die man nog € 4.000,- op zijn creditcard rood kon staan en zelf ook iets kan betalen. [verdachte