RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf Locatie Alkmaar Enkelvoudige raadkamer Registratienummers: 14.004209 en 14.004210 Parketnummer: 14/810027-12 Uitspraakdatum: 9 februari 2015 Beschikking (art. 89 en 591a Sv.) 1Ontstaan en loop van de procedure Op 18 november 2014 is op de griffie van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, ingekomen een door mr. A. Çinar, advocaat, ingediend verzoekschrift, gedateerd 23 oktober 2014, van [verzoeker] , domicilie kiezende te (6221 BL) Maastricht, Wilhelminasingel 118, ten kantore van mr. A. Çinar, voornoemd. Het verzoekschrift strekt tot toekenning van een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van: € 1.785,00, ter zake van de schade die verzoeker stelt te hebben geleden tengevolge van ten onrechte ondergane verzekering en voorlopige hechtenis wegens verdenking van overtreding van artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht; € 8.692,82, wegens de kosten raadsman mr. Çinar voor zijn werkzaamheden ten behoeve van de strafzaak; € 15.698,61 wegens de kosten raadsman mr. Loonen voor zijn werkzaamheden ten behoeve van de strafzaak; € 280,00, wegens de kosten van bijstand met betrekking tot het opstellen en indienen (en eventueel behandelen) van het onderhavige verzoekschrift. Op 27 januari 2015 is dit verzoekschrift in het openbaar in raadkamer behandeld. Voor verzoeker is verschenen mr. Çinar, voornoemd. Met mr. Çinar is meegekomen mr. R.W.J.L. Loonen. Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. S.M. de Vries. 2Beoordeling De strafzaak tegen verzoeker is geëindigd door een beschikking van deze rechtbank d.d. 13 oktober 2014 waarbij de zaak beëindigd is verklaard. Het door verzoeker ondertekende verzoekschrift is tijdig ingediend. Verzoeker is op 10 januari 2012 in verzekering gesteld en in de loop van 26 januari 2012 in vrijheid gesteld. Op de voet van het bepaalde in de artikelen 89, 90 en 591a van het Wetboek van Strafvordering kan de gewezen verdachte – indien de strafzaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht – aanspraak maken op vergoeding van de door deze tengevolge van ondergane vrijheidsbeneming geleden schade, respectievelijk de gemaakte kosten van een raadsman, zo daartoe althans, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Van de zijde van verzoeker is door mr. Çinar ter zitting aanvullend op het verzoekschrift het volgende aangevoerd. Het begin van het dossier stamt uit de tijd dat mr. Çinar werkzaam was op het kantoor van mr. Loonen (Advocatenkantoor Boumans en Partners). De werkzaamheden genoemd op de declaratie van mr. Loonen zijn - op 20 minuten na – gemaakt door mr. Çinar. Het dossier bestond uit 8 ordners. Er was nog geen dagvaarding, maar verwacht werd dat die wel ieder moment kon komen. Verzoeker werd verdacht van brandstichting in zijn eigen huis. Daarnaast was er een omvangrijk fraudedossier. Verzoeker zat vaak in het buitenland en op het moment dat hij in Nederland bereikbaar was, zou een afspraak op korte termijn plaatsvinden. Daarom moest het gehele dossier tijdig en goed worden bestudeerd. Gezien de verdenkingen zou immers een lange straf kunnen volgen. Toen de dagvaarding uitbleef, is een verzoek gedaan om de zaak beëindigd te verklaren. De eerste maal is dat verzoek door de rechtbank in april 2013 afgewezen, maar op 13 oktober 2014 is dat verzoek toegewezen. De reistijd ziet op het bezoeken van mr. Çinar aan verzoeker in Alkmaar, op 24 januari 2012, mogelijk in verband met afname van DNA. Verzoeker had in de eerste periode van de strafzaak al laten weten dat hij betalende cliënt wilde zijn. Er was op dat moment al een toevoeging aangevraagd, maar vanwege die mededeling is geen uitbreiding van de uren gevraagd bij de Raad voor Rechtsbijstand. Pas in september 2014 was verzoeker in de gelegenheid de schriftelijke verklaring te tekenen waarin hij opdracht gaf de toevoeging in te trekken. Dat is nadien dan ook gebeurd. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verzoeker er geen belang bij had om voor werkzaamheden, die al verricht waren, als betalende cliënt te worden aangemerkt. Het lijkt erop dat met het oog op een beslissing einde zaak intrekking van de toevoeging is gevraagd, om vervolgens op grond van artikel 591a Sv een verzoek voor vergoeding van de kosten van de raadsman in te kunnen dienen. De officier van justitie is van mening dat die kosten niet ten laste van de Staat dienen te komen als er al een toevoeging was afgegeven. De kosten van dossierstudie zijn bijna allemaal gemaakt op het moment dat verzoeker zich niet meer in voorarrest bevond, zonder dat er sprake was van dagvaarden. Indien er na ontvangst van een dagvaarding te weinig tijd voor dossierstudie zou zijn, had aanhouding gevraagd kunnen worden. In de meeste gevallen is er overigens ook overleg over de zittingsdatum. Ook ten aanzien van de reistijd is het de vraag of het reëel is om die kosten door de Staat te laten vergoeden. Verdachten zijn vrij in het kiezen van een advocaat, maar als een advocaat wordt gekozen uit de andere zijde van het land, dan mag daar wat tegenover staan. De verzochte vergoeding ten aanzien van de detentie kan worden toegewezen. Ten aanzien van de verzoeken om vergoeding van advocaatkosten stelt de officier van justitie zich primair op het standpunt de verzoeken af te wijzen, subsidiair om de kosten te matigen. De rechtbank oordeelt als volgt. Art. 591a, tweede lid, Sv voorziet in de daar genoemde gevallen in de mogelijkheid tot toekenning van een vergoeding voor de door de gewezen verdachte gemaakte kosten van een raadsman. Die bepaling ziet op de kosten van de raadsman die in de strafzaak als gekozen raadsman is opgetreden. Met het in het Wetboek van Strafvordering voorziene systeem van rechtsbijstand aan verdachten is niet verenigbaar dat de raadsman die in een strafzaak aan de verdachte was toegevoegd, nadat de zaak is geëindigd alsnog als gekozen raadsman in de zin van genoemde bepalingen komt te gelden. Dit uitgangspunt is door de Hoge Raad geformuleerd in zijn arrest van 15 juni 2004 (HR:2004:AO4098). Deze rechtspraak zag echter op een geval, waarin de aan een gewezen verdachte verleende toevoeging niet werd ‘gebruikt’, nadat de zaak was geëindigd. In het onderhavige geval heeft verzoeker op 26 september 2014 aan de voorzitter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, verzocht om de toevoeging in te trekken. De voorzitter heeft vervolgens aan de Raad voor Rechtsbijstand een last tot intrekking gegeven, waarna de Raad voor Rechtsbijstand bij brief d.d. 7 oktober 2014 de toevoeging heeft beëindigd. De toevoeging is dus beëindigd, voordat de zaak was geëindigd. Bij beslissing van de rechtbank van 13 oktober 2014 is deze zaak ingevolge artikel 36 Sv geëindigd verklaard. De rechtbank is van oordeel dat ook in dit geval volgens artikel 591a Sv geen recht bestaat op vergoeding van de werkzaamheden, die onder de eerder verleende toevoeging zijn verricht. Op 26 september 2014 is door de advocaat van verzoeker een verzoekschrift tot beëindiging van de zaak ingediend. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de officier van justitie mondeling aan de advocaat van verzoeker heeft meegedeeld dat de zaak geseponeerd zou worden. Bij brief van 9 oktober 2014 is dat bevestigd. Artikel 44a van de Wet op de Rechtsbijstand luidt als volgt:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.