RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Privaatrecht Sectie Kanton – locatie Haarlem zaak/rolnr.: 3229263 \ EJ VERZ 14-102 datum uitspraak: 17 februari 2016 VONNIS VAN DE KANTONRECHTER inzake [eiser] te [woonplaats] eiser in conventieverweerder in reconventie hierna te noemen [eiser] gemachtigde mr. D. Winters tegen [gedaagde] te [woonplaats] gedaagde in conventieeiseres in reconventie hierna te noemen [gedaagde] gemachtigde mr. E.L.M. Louwen De procedure [eiser] heeft op 11 juni 2014 een verzoekschrift ingediend, waarin een gebruiksvergoeding wordt verzocht. [gedaagde] heeft een verweerschrift hiertegen ingediend, dat is ontvangen op 25 september 2014, met daarbij een voorwaardelijk zelfstandig verzoek. De procedure is op verzoek van partijen aangehouden geweest. Daarna heeft [eiser] bij brief van 18 november 2015 (ongenummerde) producties overgelegd. De gemachtigde van [gedaagde] heeft meerdere brieven met bijlagen verstuurd, tot en met productie 46.Op 19 januari 2016 heeft een zitting plaatsgevonden, waarbij zijn verschenen [eiser] en zijn gemachtigde mr. D. Winters, en [gedaagde] , zonder haar gemachtigde. De feiten Partijen zijn op [datum] 1981 gehuwd, in gemeenschap van goederen. Bij beschikking van 18 juli 2011 van de rechtbank Utrecht is aan [gedaagde] het voortgezet gebruik van de echtelijke woning toegewezen. Het huwelijk tussen partijen is geëindigd op 23 januari 2013, de datum waarop de echtscheidingsbeschikking van 19 september 2012 van de rechtbank Utrecht is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij beschikking van 22 mei 2013 van de rechtbank Utrecht is bepaald dat [eiser] aan [gedaagde] een bijdrage in het levensonderhoud (hierna: partnerbijdrage) van € 3.930,00 per maand dient te betalen. Bij beschikking van 18 maart 2015 van de rechtbank Noord-Holland is de door [eiser] te betalen partnerbijdrage verminderd tot nihil. Bij beschikking van 11 februari 2015 heeft de rechtbank Midden-Nederland beslist ten aanzien van de verdeling van de gemeenschap van goederen. Beide partijen zijn hiertegen in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het verzoek [eiser] verzoekt (samengevat) de kantonrechter te bepalen dat: [gedaagde] een redelijke vergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning dient te betalen met ingang van 18 juli 2011, ter hoogte van € 899,00 per maand, te vermeerderen met de wettelijke rente; [gedaagde] de volledige gebruikerslasten van de echtelijke woning op zich neemt, met ingang van de datum van de beschikking. Het verweer en de voorwaardelijke eis in reconventie [gedaagde] voert aan dat beide partijen tot het moment van daadwerkelijke verdeling de voordelen van de gemeenschappelijke goederen genieten die in zijn of haar bezit zijn. [gedaagde] heeft het feitelijke genot van de woning, [eiser] van de aandelen van de onderneming en andere vermogensbestanddelen. Indien de kantonrechter het verzoek van [eiser] toewijst, dient [eiser] aan [gedaagde] een gebruiksvergoeding te betalen over de vermogensbestanddelen die hij in zijn bezit heeft. Voorts voert [gedaagde] aan dat zij al meer dan de helft van de lasten van de woning voldoet. Ten aanzien van de eigenaarslasten dient [eiser] voor de helft mee te betalen, nu hij nog altijd voor de helft eigenaar van de woning is. De beoordeling in conventie en voorwaardelijke reconventie Op grond van artikel 1:165 BW kan de rechter bepalen dat de gewezen echtgenoot, die de woning bewoont, gedurende zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking daarin mag blijven wonen tegen betaling van een redelijke vergoeding. De redelijke vergoeding kan ook worden gevraagd en vastgesteld voor het gebruik ná de periode van zes maanden. Zolang de verdeling van de woning niet heeft plaatsgevonden, blijft de mede-eigendom immers bestaan en zijn beide partijen in beginsel voor gelijke delen gerechtigd tot het genot en gebruik van de woning. De redelijkheid kan in dat geval met zich brengen dat de partij die niet het gebruik van de woning heeft desondanks van de andere deelgerechtigde een redelijke vergoeding kan bedingen (artikel 3:169 BW). Ten aanzien van de periode tot de datum van deze beschikking : De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] recht heeft op een gebruiksvergoeding, nu [gedaagde] het genot van de echtelijke woning heeft. De kantonrechter gaat uit van een overwaarde van € 217.732,00, omdat de waarde van de woning op € 790.000,00 wordt gesteld, de waarde waarvoor een derde de woning wilde kopen. Uitgaande van een rente van 2,3% over de helft van de overwaarde acht de kantonrechter een gebruiksvergoeding van € 208,66 per maand redelijk. De periode van 18 juli 2011, het moment dat [gedaagde] het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning kreeg, tot 17 februari 2016, betreft 55 maanden, zodat de totale gebruiksvergoeding over de afgelopen periode € 11.476,29 bedraagt. [gedaagde] heeft, indien het verzoek van [eiser] wordt toegewezen, verzocht om een gebruiksvergoeding ten aanzien van de vermogensbestanddelen die [eiser] onder zich heeft. De kantonrechter overweegt dat bij de verdelingsbeschikking van 11 februari 2015 uitgegaan is van een waardering van de bestanddelen van de gemeenschap op 23 januari 2013, terwijl de verdeling plaats heeft gevonden bij beschikking van 11 februari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.