RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Privaatrecht Sectie Kanton - locatie Zaanstad Zaaknr./rolnr.: 4781611 / AO VERZ 16-4 Uitspraakdatum: 29 januari 2016 Beschikking in de zaak van: De Stichting Confessioneel Primair Onderwijs Waterland, gevestigd te Purmerend verzoekende partij verder te noemen: De Stichting gemachtigde: mr. M. De Vita tegen [naam] , wonende te [plaats] verwerende partij verder te noemen: [de werknemer] gemachtigde: mr. N.D.R. Toirkens 1Het procesverloop 1.
- De Stichting heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [de werknemer] heeft een verweerschrift ingediend. 2De beoordeling 2.
- De Stichting verzoekt de arbeidsovereenkomst met [de werknemer] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Aan dit verzoek legt De Stichting ten grondslag dat sprake is van – kort gezegd – ongeschiktheid van [de werknemer] tot het verrichten van de bedongen arbeid, anders dan ten gevolge van ziekte of gebreken van [de werknemer]. Herplaatsing van [de werknemer] is niet meer mogelijk. 2.
- [de werknemer] heeft erkend dat hij niet meer in staat is om op de juiste wijze invulling en uitvoering aan zijn functie te geven en dat hij ongeschikt is voor zijn functie. Ook [de werknemer] ziet geen mogelijkheden meer voor herplaatsing. 2.
- Nu [de werknemer] heeft erkend dat hij ongeschikt is voor zijn functie, partijen het erover eens zijn dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet reëel is en herplaatsing van [de werknemer] niet meer mogelijk moet worden geacht, zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden. Gelet op de standpunten van partijen is immers sprake van een redelijke grond voor ontbinding als bedoeld in artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, BW, in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel d, BW, en is er geen mogelijkheid tot herplaatsing van [de werknemer]. 2.
- Partijen zijn het erover eens dat sprake is van een opzegtermijn van drie maanden. Daarvan uitgaande zal de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW worden ontbonden met ingang van 1 mei
- 2.
- Nu aan de ontbinding geen vergoeding wordt verbonden, hoeft de werkgever geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken. 2.
- Gezien de uitkomst van de zaak is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen. 3De beslissing De kantonrechter: 3.
- ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 mei 2016; 3.
- bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt; 3.
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gewezen door mr. P.J. Jansen, kantonrechter en op 29 januari 2016 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter