vonnis RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling privaatrecht Sectie Handel & Insolventie zaaknummer / rolnummer: C/15/208157 / HA ZA 13-538 Vonnis van 30 maart 2016 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser, advocaat voorheen mr E. Wismans thans mr R.H. Kroes, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WILGENHAEGE VERMOGENSBEHEER B.V., gevestigd te Hoofddorp, gedaagde, advocaat voorheen mr H.J. Sachse thans mrs F.M.A. ’t Hart en M.L.M.N. Heltzel Partijen zullen andermaal [eiser] en Wilgenhaege genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 29 oktober 2014 (hierna: het tussenvonnis) het deskundigenbericht van 10 juli 2015 de conclusie na deskundigenbericht met producties van 23 september 2015 van [eiser] de antwoordconclusie na deskundigenbericht van 21 oktober 2015 van Wilgenhaege. 1.2. Ten slotte is andermaal vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling 2.1. In het tussenvonnis heeft de rechtbank in 5.1. een onderzoek door een deskundige bevolen ter beantwoording van drie vragen en in 5.2 mr G. Verschuuren EMoC tot deskundige benoemd. Het deskundigenbericht is op 10 juli 2015 uitgebracht. 2.2. Ten aanzien van het eerste onderdeel van vraag 1 (Was de portefeuille feitelijk als behoudend aan te merken?) concludeert de deskundige in 6.2.1.9 van zijn bericht als volgt: De portefeuille kan in mijn optiek naar de inzichten die gangbaar waren ten tijde van het gevoerde vermogensbeheer feitelijk niet als behoudend worden gekwalificeerd. Dit komt met name door het feit, dat in vrijwel iedere beleggingscategorie (met uitzondering van de Alternatieven) naar risico gezocht is en de portefeuille onderlinge demping ontbeert tussen de beleggingscategorieën (ergens had op “safe” gespeeld moeten worden). Daarnaast vallen er in vrijwel iedere beleggingscategorie kritische noten te kraken ten aanzien van de aangebrachte spreiding; vooral de categorie Vastgoed onderscheidt zich hier negatief. Voorts zijn de Pentastrikes, de ING Top XL certificaten en de Lehman Volatility note voor wat betreft het risico m.i. ten onrechte als vastrentende waarde gekwalificeerd, zodat het aandelenrisico in de portefeuille flink groter is dan op het eerste gezicht lijkt (39% in plaats van de gerapporteerde 26%). 2.3. Ten aanzien van het tweede onderdeel van vraag 1 (Paste deze portefeuille bij het cliëntprofiel en de beleggingsdoelstelling?) bericht de deskundige in 6.2.2 als volgt: Ten aanzien van de beleggingsdoelstelling van de heer [eiser] bevat het vonnis in mijn optiek een fundamentele innerlijke tegenstrijdigheid, die rechtstreeks voortvloeit uit de stellingen van partijen zelf. In overweging 4.9 van het vonnis wordt gesteld, dat de vermogensbeheerovereenkomst kort gezegd als doelstelling het genereren van positieve rendementen op de lange termijn heeft, bestaande uit direct inkomen (mijn onderstreping) en te realiseren koerswinsten. Ik interpreteer deze doelstelling als een inkomensdoelstelling: de portefeuille dient inkomen te realiseren. In het procesdossier ben ik geen afspraken tussen partijen tegengekomen over een gewenst dan wel benodigd inkomen over een bepaalde periode: de eventuele inkomenswens is voor zover ik heb kunnen nagaan niet geconcretiseerd. Verderop in overweging 4.9 van het vonnis staat echter vermeld, dat partijen het er over eens zijn dat kapitaalsbehoud het uitgangspunt van het beleggingsbeleid is. Dat is een wezenlijk andere doelstelling dan een inkomensdoelstelling (en zou tot een andere invulling van de portefeuille (moeten) leiden), nog daargelaten het feit dat kapitaalsbehoud twee verschijningsvormen kent: nominaal en reëel. In het eerste geval staat bescherming van de nominale hoofdsom van het belegd vermogen voorop, in het tweede geval dienen inflatie, kosten en vermogensrendementsheffing te worden gecompenseerd. In het geval van een reële vermogensbehouddoelstelling dient aldus méér rendement te worden behaald dan in het geval van een nominale vermogensbehouddoelstelling. Omdat het genereren van inkomen en vermogensbehoud twee verschillende doelstellingen zijn, kan ik de passendheid van de portefeuille niet goed toetsen (of ik zou dat dat aan iedere doelstelling afzonderlijk moeten doen). Ik zal daarom hierna bekijken welke doelstelling in mijn optiek gegeven de specifieke omstandigheden van de heer [eiser] feitelijk opportuun zou zijn (geweest). 6.2.2.1 De feiteliike beleggingsdoelstelling De heer [eiser] heeft in het Cliëntprofiel aangegeven, dat het in beheer gegeven vermogen diende om op termijn als (pensioen)inkomen te fungeren. Het belegbaar vermogen was vrij belegbaar, en niet benodigd voor aanvulling op het huidige inkomen. De heer [eiser] kende een lange beleggingshorizon (langer dan 10 jaar), waarbij echter wel is aangegeven dat de eerste substantiële onttrekkingen binnen 10 jaar verwacht werden. De woning van de heer [eiser] is vrij van hypotheek. Het niet halen van de beleggingsdoelstelling zou volgens de heer [eiser] invloed hebben op het levenspeil. Waardedalingen zouden worden geaccepteerd als risico van het vak, en een neerwaarts risico tot -/-20% zou nog acceptabel zijn. De heer [eiser] heeft in het Cliëntprofiel aangegeven zich het meeste te herkennen in het Offensieve profiel. Op dit punt zou ik graag een verdieping of nadere correspondentie hebben aangetroffen, omdat de gegeven antwoorden niet allemaal onderling consistent zijn en de profielkeuze op Behoudend is gevallen in plaats van op het door de heer [eiser] aangegeven profiel Offensief. In de dagvaarding wordt aan dit punt wel enige aandacht besteed, maar dat draagt slechts bij aan de geconstateerde inconsistentie. Daar wordt kort gezegd gesteld dat de heer [eiser] de prognoserendementen van 6% tot 8% te hoog zou vinden omdat dit tot een te volatiele portefeuille zou leiden. Dat verhoudt zich echter niet met het aankruisen van het Offensieve profiel, en ook niet met de neerwaarts risicotolerantie van -20%. Die twee zaken zijn onderling wél consistent; zie bijvoorbeeld ook de profielgrenzen die ABN Amro hanteert en waarbij een neerwaarts risico van -20% past binnen het Offensieve profiel. Hoe deze uitgangspunten zich verhouden met het in het vonnis genoemde behoud van vermogen is mij eerlijk gezegd een raadsel. Voor wat betreft inkomen zijn wel aanknopingspunten te vinden, maar uitsluitsel geven die ook niet. Weliswaar heeft de heer [eiser] aangegeven het in beheer gegeven vermogen op termijn te willen aanwenden voor aanvulling op zijn inkomen, maar de beleggingshorizon wijkt af van de verwachte eerste onttrekking. Daarnaast wordt mij ook niet duidelijk in welke mate het belegd vermogen zou moeten bijdragen aan aanvulling van het pensioeninkomen (welk bedrag, vanaf wanneer, voor welke periode?): enerzijds stelt de heer [eiser] dat hij zijn levenspeil moet aanpassen als de beleggingen niet voldoende renderen, anderzijds heeft hij een hypotheekvrij huis (woonlasten zijn verreweg de grootste relatieve uitgave) en heeft hij aangegeven voor pensioen gezorgd te hebben. Kortom, hier hadden partijen nader over moeten spreken en duidelijker afspraken moeten maken. Nu doemt geen volledig en consistent beeld op. 6.2.2.2 Conclusie Gelet op de analyse van de portefeuille ben ik van mening dat de portefeuille niet optimaal paste bij de doelstelling (aanvulling op inkomen) en het cliëntprofiel van de heer [eiser] . De portefeuille was ingericht om een hoog inkomen te genereren, maar uit de in paragraaf 6.2.2.1 beschreven omstandigheden volgt geen concretisering of noodzaak van die eventuele wens. In mijn beleving zou het op basis van de beschikbare gegevens – zie echter ook mijn afsluitende opmerkingen in de vorige paragraaf – voor de hand hebben gelegen om binnen de grenzen van de beleggingshorizon en beleggingsdoelstelling een tamelijk offensieve portefeuille in te richten en deze in de loop der jaren in termen van verwacht risico af te bouwen (de zogenaamde life cycle methodiek). Op deze wijze wordt enerzijds tegemoet gekomen aan de wens tot aanvulling op inkomen, anderzijds wordt de tijd gebruikt die er is en de mogelijkheden en de wensen die de heer [eiser] had. Met mogelijkheden doel ik op de omstandigheid dat de heer [eiser] in staat was risico te lopen (zijn inkomen was immers voldoende), en met de wensen op de forse neerwaartse risicotolerantie en het aankruisen van het Offensieve profiel. 2.4. Ten aanzien van vraag 2a (Hoe had de portefeuille ingericht moeten zijn) is de deskundige in 6.3.1 van zijn bericht van oordeel dat, uitgaande van de destijds gangbare inzichten en de door Wilgenhaege gehanteerde (sub) beleggingscategorieën, de volgende portefeuille voor [eiser] passend zou zijn geweest: 30% aandelen, 50% vastrentende waarden, 10% alternatieven (fondsen die beogen met een laag risico een stabiel rendement te halen), 5% vastgoed en 5% liquiditeiten. Deze aldus samengestelde portefeuille wordt hierna verder aangeduid als de “referentieportefeuille”. 2.5. Ten aanzien van vraag 2b (Wat zou de waarde van die portefeuille per 30 maart 2009 geweest zijn?) brengt de deskundige in 6.3.2 van zijn bericht in kaart van welke benchmarks hij is uitgegaan bij berekening van de waarde van de referentieportefeuille per genoemde datum, waarna hij komt tot een waarde van de Wilgenhaege portefeuille van € 679.744,79 en van de referentieportefeuille van € 721.404,08, hetgeen per genoemde datum een negatief verschil van € 41.659,29 oplevert. 2.6. Op de derde vraag van de rechtbank antwoordt de deskundige in 6.4 van zijn bericht het volgende: De relatie tussen partijen heeft geduurd van januari 2007 [de rechtbank: bedoeld is januari 2005] tot en met maart 2009. Achteraf gezien is dat een uitermate ongelukkige periode geweest, en de portefeuille is – ook weer achteraf gezien – ongeveer op het dieptepunt van de markten in de kredietcrisis verkocht. Indien de portefeuille zou zijn aangehouden, zou deze herstel hebben laten zien. Mijn suggestie aan de rechtbank is deze omstandigheden mede te beoordelen in het licht van de beleggingshorizon van de heer [eiser] . 2.7. [eiser] heeft tegen een aantal onderdelen van het deskundigenbericht bezwaar gemaakt. Hij stelt onder meer dat de deskundige te veel waarde heeft gehecht aan enkele antwoorden die hij ( [eiser] ) heeft gegeven op vragen in het cliëntprofiel over – kort gezegd – zijn risicotolerantie en dat de deskundige te weinig rekening heeft gehouden met de keuze voor het behoudende profiel. Voor zover de antwoorden van [eiser] innerlijk tegenstrijdig zijn geweest, had Wilgenhaege dat volgens [eiser] moeten uitdiepen. Nu zij dat niet heeft gedaan, dienen deze tegenstrijdigheden in het nadeel van Wilgenhaege uitgelegd te worden. De deskundige heeft dat miskend en daardoor een te risicovolle referentieportefeuille samengesteld, aldus [eiser] . 2.8. Wilgenhaege klaagt erover dat de deskundige niet duidelijk maakt van welke beleggingsdoelstelling hij is uitgegaan bij zijn oordeelsvorming. Het had volgens Wilgenhaege op de weg van de deskundige gelegen de rechtbank te berichten dat hij geen beleggingsdoelstelling kon vaststellen of de deskundige had de opdracht terug moeten geven. De in het tussenvonnis in 4.6 vermelde beleggingsdoelstelling, te weten dat bij het in de beheerovereenkomst omschreven beleggingsbeleid het uitgangspunt was: het behoud van kapitaal, is in elk geval onjuist, aldus Wilgenhaege, zij het dat erkend wordt dat het nastreven van een inkomensdoelstelling en het nastreven van kapitaalbehoud niet geheel parallel kunnen lopen. In de visie van Wilgenhaege had de deskundige uit moeten gaan van de tussen partijen overeengekomen doelstelling: het genereren van hoog inkomen. Bij de beoordeling van deze klachten stelt de rechtbank het volgende voorop. 2.9. Het deskundigenbericht is gelast om [eiser] in staat te stellen te voldoen aan de op hem rustende last te bewijzen dat Wilgenhaege zijn vermogen niet als een redelijk bekwaam en redelijk handelend vermogensbeheerder heeft belegd. Vraag 1 strekt ertoe informatie te krijgen die de rechtbank behoeft om vast te stellen of behoorlijk is beheerd. Vraag 2 is bedoeld om, voor het geval de rechtbank tot de vaststelling komt dat van behoorlijk beheer geen sprake is, de gegevens te krijgen die zij nodig heeft om de hoogte van de schadevergoeding vast te stellen. Het referentiekader voor beide vaststellingen is de beheerovereenkomst, die daarmee het vertrekpunt is bij de beantwoording van de beide vragen, zoals de deskundige ook heeft onderkend. 2.10. De bij de beheerovereenkomst door [eiser] gegeven opdracht strekt tot beheer van particulier vermogen door een professionele vermogensbeheerder. Bij het sluiten van dit type beheerovereenkomst is de vermogensbeheerder onder meer gehouden om in kaart te brengen welk risico de cliënt bereid is te lopen met het oog op het behalen van het door hem gewenste rendement. Naar algemeen bekend is, wordt hierbij doorgaans gebruik gemaakt van zogenoemde risicoprofielen, die bij de meeste beheerders vier of vijf klassen kennen, uiteenlopend van (zeer) defensief tot zeer offensief. Ook Wilgenhaege gebruikte profielen, ingedeeld in vier klassen. 2.11. Die praktijk veronderstelt dat de beheerder een standaard hanteert voor de asset-allocatie voor ieder van die profielen. Hoewel, naar algemeen bekend, tot op heden van een uniform door de branche gehanteerde standaard allerminst sprake is, is wel sprake van branche-opvattingen omtrent de vraag wat redelijkerwijs nog als behoudend kan worden aangemerkt. De rechtbank stelt vast dat de deskundige bij zijn beschouwingen omtrent de door hem onderzochte portefeuilles aansluiting heeft gezocht bij die opvattingen en ziet de mogelijkheid om op basis van die opvattingen een oordeel te vormen over de risicovolheid van de door hem onderzochte portefeuilles bevestigd door het gegeven dat de deskundige in de vijf door hem onderzochte zaken los van de persoonlijke omstandigheden van de betrokken belegger heeft kunnen vast stellen dat de betrokken portefeuille, als behoudend beheer portefeuille, te risicovol was samengesteld. Een andersluidende opvatting zou de indeling van het beheer naar risico-klassen ook zinledig maken. 2.12. Een en ander is voor de rechtbank reden om ervan uit te gaan dat een door de cliënt gegeven opdracht tot behoudend beheer grenzen stelt aan de vrijheid die een vermogensbeheerder heeft om invulling te geven aan de specifieke omstandigheden van de betrokken belegger, als volgend uit het door deze ingevulde cliëntprofiel. In zoverre kan de cliënt aan de genoemde clausulering van de opdracht tot beheer verwachtingen ontlenen. Die sluiten in dat wordt belegd op een wijze die naar de ten tijde van dat beheer gangbare opvattingen behoudend is te achten. 2.13. De rechtbank is verder van oordeel dat Wilgenhaege in gevallen waarin gegevens in het cliëntprofiel onderling niet consistent zijn, bij het gebruik van die gegevens recht moet doen aan het uitgangspunt dat de betrokkene, gegeven de keuze voor behoudend beheer, erop mag vertrouwen dat behoudend wordt belegd. Waar sommige van die gegevens ook een meer offensieve koers zouden toelaten, brengt de op Wilgenhaege rustende zorgplicht immers mee dat zij die koers niet mag inslaan zonder zich ervan te vergewissen dat dit strookt met de wensen van de cliënt. 2.14. Tegen de achtergrond van het voorgaande moet op de klacht van Wilgenhaege worden geantwoord dat het de deskundige inderdaad niet vrij staat om zelf een beleggingsdoelstelling vast te stellen. Dat betreft immers een aan de rechtbank voorbehouden uitleg van de beheerovereenkomst. Maar het staat de deskundige wel vrij om die doelstelling bij de beantwoording van de door de rechtbank gestelde vragen, uitgaande van hetgeen in het tussenvonnis omtrent de inhoud van de beheerovereenkomst is opgemerkt, te concretiseren en te vertalen in een opvatting over een passende samenstelling van de portefeuille. Hij mag daarbij de uit het cliëntprofiel blijkende gegevens gebruiken en de betekenis van die gegevens ten opzichte van elkaar wegen, zolang hij daarmee blijft binnen de grenzen van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.