RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Privaatrecht Sectie Kanton - locatie Alkmaar Zaaknr/repnr.: 5044275 EJ VERZ 16-202 WD Uitspraakdatum: 11 mei 2016 Beschikking in de zaak van: [de werknemer] , wonende te [woonplaats] , verzoekende partij [verder ook te noemen: de werknemer], gemachtigde: mr. H.S. de Lint, tegen de coöperatieve Rabobank West Friesland U.A., statutair gevestigd te Hoorn, mede kantoorhoudende te Zwaagdijk, verwerende partij [verder ook te noemen: de werkgever], niet verschenen. Het procesverloop De werknemer heeft een verzoekschrift ingediend. Tenslotte is heden uitspraak bepaald. Het verzoek De werknemer verzoekt dat de kantonrechter uitvoerbaar bij voorraad de werkgever veroordeelt tot betaling van een bedrag van: - € 23.236,85 bruto, te vermeerderen met de kosten van dit geding. De beoordeling Ingevolge het bepaalde in lid 2 van artikel 261 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) worden gedingen slechts aanhangig gemaakt middels een verzoekschrift, indien dit uit de wet voortvloeit. Voor zover niet uit enige wettelijke bepaling is te herleiden dat een geding ingeleid wordt met een verzoekschrift, dient dat te gebeuren door middel van het uitbrengen van een dagvaarding. Onderhavige zaak betreft de nakoming van een volgens de werknemer uit een Sociaal Plan voortvloeiende financiële verplichting. Een dergelijke zaak wordt in beginsel met het uitbrengen van een dagvaarding aanhangig gemaakt, nu een wettelijke bepaling die indiening van een verzoekschrift voorschrijft, niet voorhanden is. Weliswaar behelst artikel 7: 686a lid 3 BW sinds de invoering van de Wet Werk en Zekerheid een uitzondering op het voorgaande, maar dan slechts voor die situatie dat (behoudens onderhavig geding) tussen partijen al een geding aanhangig is dat is gebaseerd op het bij of krachtens afdeling 9 van Titel 10 van Boek 7 BW bepaalde, welke afdeling handelt over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Een dergelijk geding is tussen partijen niet aanhangig. Aan het voorgaande doet niet af dat de uit het Sociaal Plan eventueel voorvloeiende verplichting ziet op het toekennen van een beëindigingsvergoeding na beëindigen van het dienstverband. De omstandigheid dat het verzoekschrift als aanhef vermeldt: “Verzoekschrift ex artikel 7:682 BW doet evenmin af aan het voorgaande, nu uit de in het verzoekschrift gegeven toelichting blijkt dat onderhavige zaak niet om toepassing van dit wetsartikel draait. De kantonrechter zal de werknemer op de voet van artikel 69 lid 3 Rv bevelen dat het geding in de stand waarin zich het bevindt wordt voortgezet volgens de regels van de dagvaardingsprocedure. De zaak zal worden verwezen naar de rol van woensdag 8 juni 2016 om 9:30 uur, voor welke datum en tijdstip de werknemer de werkgever bij exploot zal moeten oproepen, met inachtneming van de voor de dagvaarding voorgeschreven termijnen en formaliteiten. De beslissing De kantonrechter: Beveelt dat het geding in de stand waarin het zich bevindt wordt voorgezet volgens de regels van de dagvaardingsprocedure; Verwijst de zaak hiertoe naar de rol van woensdag 8 juni 2016 om 9:30 uur voor het overleggen van een oproepingsexploot door de werknemer. Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. van Rijn, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 11 mei 2016 in het openbaar uitgesproken. De griffier De kantonrechter
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.