RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Privaatrecht Sectie Kanton – locatie Haarlem zaak/rolnr.: 3688079 datum uitspraak: 1 juni 2016 VONNIS VAN DE KANTONRECHTER inzake Dexia Nederland B.V. te Amsterdam eiseres hierna te noemen Dexia gemachtigde mr. T.R. van Ginkel tegen [gedaagde] te [woonplaats] gedaagde hierna te noemen [gedaagde] gemachtigde mr. G. van Dijk. Het verdere verloop van de procedure Naar aanleiding van het op 2 maart 2016 tussen partijen gewezen tussenvonnis heeft [gedaagde] op 30 maart 2016 een akte genomen. Vervolgens heeft Dexia op 4 mei 2016 een antwoordakte genomen. De verdere beoordeling De kantonrechter neemt over en verwijst naar hetgeen in voormeld tussenvonnis is overwogen en beslist. [gedaagde] heeft onder meer gesteld dat zijn echtgenote, [echtgenote] , de verlieslatende overeenkomst van 11 januari 2001 (Winstverdriedubbelaar met contractnummer [contractnummer] ; in het tussenvonnis aangeduid als contract nr. IV) tijdig en rechtsgeldig heeft vernietigd bij brief van 9 maart 2006. Van verjaring van die bevoegdheid van [echtgenote] was volgens [gedaagde] geen sprake; die verjaring was gestuit. Alvorens te beslissen op het geschil inzake de verjaring van de vernietigingsbevoegdheid van de echtgenote van [gedaagde] ex artikel 1:88 juncto 1:89 BW zijn partijen bij voormeld tussenvonnis in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het belang van de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECL:NL:HR2015:3018) voor dit geschil. In de uitspraak van 9 oktober 2015 heeft de Hoge Raad antwoord gegeven op twee door het gerechtshof Amsterdam gestelde vragen die ook voor de onderhavige zaak van belang zijn. De Hoge Raad heeft beslist: dat de stuitende werking op de voet van artikel 3:316 lid 1 BW van een collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW zich uitstrekt tot de verjaring van een op die collectieve actie aansluitende, individuele vordering tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens artikel 1:89 BW en dat dit ingevolge het bepaalde in artikel 3:52 lid 2 BW ertoe leidt dat ook de verjaring van de bevoegdheid tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging wordt gestuit. dat een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring als hiervoor bedoeld, die wordt uitgebracht voor het tijdstip waarop de in artikel 3:316 lid 2 BW bedoelde termijn van zes maanden is verstreken, tijdig is uitgebracht. 5. Dexia stelt zich op het standpunt dat, voor zover de bevoegdheid tot vernietiging niet reeds was verjaard voordat bij dagvaarding van 13 maart 2003 de collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW door (onder meer) de Stichting Eegalease werd ingesteld, aan het einde van die procedure door de belangenorganisaties uitdrukkelijk afstand is gedaan van alle rechten in verband met die procedure en daarmee ook van de stuiting van de verjaring die het uitbrengen van die dagvaarding met zich bracht. Volgens Dexia is er sprake van afstand van recht waardoor [gedaagde] geen aanspraak op stuiting van verjaring in bovenbedoelde zin meer kan doen. Verder heeft Dexia erop gewezen dat in de onderhavige zaak de buitengerechtelijke vernietigingsverklaring is afgelegd op 4 april 2006 en dat dit later is dan zes maanden na het beëindigen van het geschil tussen Dexia en Stichting Eegalease door middel van het sluiten van de minnelijke regeling op 23 juni 2005. 6. [gedaagde] schaart zich achter de prejudiciële beslissing en concludeert dat, nu de vernietiging van de overeenkomst op 9 maart 2006 heeft plaatsgevonden en de overeenkomst dateert van 11 januari 2001, er van verjaring geen sprake is. Nu de overeenkomst immers dateert van na 11 januari 2001, was de bevoegdheid tot vernietiging niet reeds verjaard voordat bij dagvaarding van 13 maart 2003 de collectieve vordering door de Stichting Eegalease werd ingesteld. [gedaagde] betwist voorts dat er sprake is van afstand van recht waardoor [gedaagde] geen aanspraak op stuiting van verjaring zou kunnen doen. [gedaagde] betwist tenslotte dat de buitengerechtelijke verklaring later is afgelegd dan zes maanden na het beëindigen van het geschil tussen Dexia en Stichting Eegalease. 7. Bij arrest van 4 november 2014 (ECLI:NL GHAMS:2014:4585, rechtsoverweging 3.14) heeft het gerechtshof Amsterdam overwogen dat het de individuele afnemer, die tijdig een opt-out verklaring heeft afgelegd, niet regardeert dat de Stichting Eegalease in het kader van de schikking (uitmondend in de WCAM-overeenkomst) afstand heeft gedaan van alle rechten en vorderingen die inzet waren van de betrokken collectieve procedure, juist omdat de afnemer heeft verklaard niet aan deze Duisenberg-regeling gebonden te willen zijn. Deze overweging en beslissing worden hier overgenomen. In het arrest van 25 november 2014 (ECLI:NL:GHSHE:2014:4956, rechtsoverweging 3.10.5.) heeft het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch overwogen dat de hier bedoelde afstand van recht door Stichting Eegalease ook geldt voor het recht (van de afnemer) een beroep te doen op de in de brief van Stichting Eegalease van 29 januari 2003 en in de dagvaarding van Stichting Eegalease van 13 maart 2003 vervatte vernietiging van de effectenlease-overeenkomsten. Dit laatste doet echter niet af aan het feit dat uit bovengenoemd arrest van de Hoge Raad volgt dat het instellen van de betreffende collectieve actie stuitende werking heeft ten aanzien van de verjaring van de bevoegdheid om nadien (alsnog) een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring af te leggen. Het beroep van Dexia op afstand van recht wordt dan ook verworpen. 8. In het onderhavige geval was de bevoegdheid tot vernietiging niet reeds verjaard op het moment dat de Stichting Eegalease bij dagvaarding van 13 maart 2003 de collectieve vordering ex artikel 3:305a BW heeft ingesteld, nu de overeenkomst dateert van 11 januari 2001 en de verjaringstermijn voor het inroepen van een vernietigbaarheid drie jaar bedraagt. 9. De verjaring is alleen gestuit indien binnen zes maanden nadat de collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW is beëindigd een nieuwe eis is ingesteld, dan wel een daarmee gelijk te stellen buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging is afgelegd (de rechtsoverwegingen 3.5.2. en 3.5.3. van voormelde uitspraak van de Hoge Raad). Bedoelde collectieve vordering is geëindigd in – kort samengevat – een schikking tussen de betrokken partijen, die door verbindendverklaring krachtens de Wet collectieve afwikkeling massaschade (WCAM, wet van 23 juni 2005, Stb. 2005/340) rechtsgevolgen heeft gekregen (dan wel heeft kunnen krijgen) voor (de meeste) belanghebbenden. Uit de rechtsoverwegingen 3.4.2. en 3.4.3. van voormelde uitspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat de met een collectieve actie beoogde effectieve en efficiënte rechtsbescherming met zich brengt, dat een gerechtigde in afwachting van de uitkomst van die collectieve actie vooralsnog kan afzien van een buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomst, althans van stuitingshandelingen. Voorts kan daaruit worden afgeleid dat – nu de collectieve actie mede ten behoeve van de belanghebbende was ingesteld – de belanghebbende pas na het tot stand komen van een schikking kan (en behoeft
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.