RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Privaatrecht Sectie Kanton - locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 4970259 / AO VERZ 16-134 Uitspraakdatum: 14 juni 2016 Beschikking in de zaak van: [werknemer] wonende te [woonplaats] verzoekende partij verder te noemen: [werknemer] gemachtigde: mr. R.G.N. le Roy tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [werkgever] gevestigd te [vestigingsplaats] verwerende partij verder te noemen: [werkgever] verschenen bij haar directeur [directeur] en [controller] (controller) 1Het procesverloop 1.1. De werknemer heeft een verzoek gedaan, primair om de werkgever te veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen, en subsidiair om ten laste van de werkgever een billijke vergoeding toe te kennen. De werkgever heeft een verweerschrift ingediend. 1.2. Op 17 mei 2016 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. 2De feiten 2.1. [werknemer] , geboren op [geboortedatum] 1983, is op 7 april 2008 in dienst getreden bij [werkgever] . De laatste functie die de werknemer vervulde, is die van medewerker schadeafhandeling, schadebehandelaar, met een salaris van € 1.942,50 bruto per maand. 2.2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft bij besluit van 14 december 2015 aan de werkgever toestemming gegeven voor opzegging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen. De werkgever heeft de arbeidsovereenkomst bij brief van 17 december 2015 opgezegd met ingang van 1 februari 2016. 3Het verzoek 3.1. [werknemer] verzoekt [werkgever] primair te veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen, op grond van artikel 7:682 lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Subsidiair verzoek [werknemer] veroordeling van [werkgever] tot betaling van een billijke vergoeding, op grond van artikel 7:682 lid 1, onderdeel b BW. 3.2. Aan het primaire verzoek legt [werknemer] ten grondslag – kort gezegd – dat de opzegging door de werkgever in strijd is met artikel 7:669 lid 3, onderdeel a, BW en dat geen sprake is van een situatie waarin ontslag wegens een bedrijfseconomische reden gerechtvaardigd is. In dat kader heeft de werknemer het volgende aangevoerd. Door [werkgever] is geen redelijke grond voor ontslag gesteld. [werkgever] baseert het verzoek op organisatorische en technologische veranderingen, op basis waarvan de werkzaamheden van [werknemer] zouden zijn gereduceerd. De onderbouwing die [werkgever] daarvoor geeft ziet niet op de afdeling schade, waar [werknemer] werkzaam is. Daarnaast betwist [werknemer] dat haar werkzaamheden structureel zijn afgenomen. [werkgever] onderbouwt haar stelling ook niet, er worden geen jaarrekeningen overgelegd. De technologische veranderingen waarop [werkgever] zich beroept, worden pas in december 2016 doorgevoerd, zodat deze niet in oktober 2015 ten grondslag kunnen liggen aan het vervallen van de functie van [werknemer] . [werkgever] legt ook aan het verzoek ten grondslag dat de communicatie heden ten dage veel meer via e-mailverkeer gaat. Dat hierdoor de werkzaamheden van [werknemer] zijn afgenomen blijkt nergens uit, nog daargelaten dat [werknemer] al jaren veelvuldig communiceert via e-mailberichten. [werkgever] legt ten slotte aan haar verzoek ten grondslag dat de complexe schades door de verzekeraars zelf ter hand wordt genomen. Hoewel dit op zichzelf juist is, is dit nooit anders geweest. Dit kan aldus niet aan het verzoek ten grondslag worden gelegd. Daarnaast is het afspiegelingsbeginsel niet of niet juist toegepast, terwijl [werkgever] ook niet getracht heeft [werknemer] te herplaatsen, al dan niet met scholing. 3.3. Subsidiair verzoekt [werknemer] om aan haar een billijke vergoeding toe te kennen, omdat herstel van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet mogelijk is vanwege een omstandigheid waarbij sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. In dat kader heeft de werknemer het volgende aangevoerd. [werkgever] heeft [werknemer] op 27 oktober 2015 geconfronteerd met het ophanden zijnde ontslag. Aan [werknemer] werd de mogelijkheid geboden om voor 1 november 2015 de overeenkomst met wederzijds goedvinden te ondertekenen. [werknemer] is hierdoor overvallen en voelde zich onder druk gezet. Op 29 oktober 2015 is door [werkgever] het verzoek bij het Uwv ingediend. Communicatie met de feitelijk werkgever was niet mogelijk. De aangevoerde bedrijfseconomische redenen lijken geconstrueerd en vormen geen redelijke grond. [werkgever] heeft vervolgens disproportionele druk op [werknemer] gelegd. Naast vorenstaande is nog van belang dat het afspiegelingsbeginsel niet of in ieder geval niet gemotiveerd is toegepast, en aan [werknemer] is geen herplaatsing aangeboden. Door toedoen werkgever is de verhouding verstoort. [werknemer] verricht haar werk al acht jaar naar tevredenheid van [werkgever] . [werknemer] heeft slechte perspectieven op de arbeidsmarkt en verliest inkomsten aangezien haar WW-uitkering lager is dan haar salaris. 4Het verweer 4.1. [werkgever] verweert zich en stelt dat het verzoek om haar te veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen, moet worden afgewezen. [werkgever] voert verder aan dat ook het subsidiaire verzoek om ten laste van haar een billijke vergoeding toe te kennen, dient te worden afgewezen. 4.2. [werkgever] voert daartoe – samengevat – het volgende aan. [werknemer] heeft geen gebruik willen maken van de mogelijkheid om bij het Uwv verweer te voeren. Het Uwv heeft het verzoek reeds beoordeeld, zodat niet geoordeeld kan worden dat de opzegging in strijd met artikel 7:669 lid 3, onderdeel a, BW is opgezegd. [werkgever] houdt vast aan de uitspraak van het Uwv. In die procedure is door [werkgever] gesteld dat het aantal schades is afgenomen en dat door automatisering de werkzaamheden op de afdeling schadeafhandeling is afgenomen. Marketscan heeft een prognose gemaakt. In die weergave is te zien dat de schades zijn afgenomen en nog verder zullen afnemen. Het aantal polissen neemt af, zodat ook aangenomen kan worden dat de schades afnemen. Aldus is sprake van een redelijke grond. Daarnaast betreft de functie van [werknemer] een unieke functie. Herplaatsing van [werknemer] is niet mogelijk. 4.3. Ten aanzien van de billijke vergoeding, voert [werkgever] nog het volgende aan. [werknemer] is niet onder druk gezet, in tegendeel. Er is juist altijd getracht om met wederzijds goedvinden uit elkaar te gaan. [werkgever] is altijd bereikbaar geweest voor overleg. Het klopt dat de relatie tussen partijen is verstoord, maar dit is door toedoen van de gemachtigde van [werknemer] . [werkgever] heeft al afscheid moeten nemen van drie andere werknemers, van het construeren van bedrijfseconomische omstandigheden is dan ook geen sprake. Het kan [werkgever] niet verweten worden dat de gemachtigde zelf termijnen niet haalt en ervoor kiest geen verweer te voeren. Van ernstig verwijtbaar handelen is aldus geen sprake. 5De beoordeling 5.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of de werkgever moet worden veroordeeld om de arbeidsovereenkomst te herstellen. Voor zover het verzoek om herstel van de arbeidsovereenkomst niet kan worden toegewezen, komt gelet op het subsidiaire verzoek aan de orde de vraag of aan de werknemer een billijke vergoeding moet worden toegekend. 5.2. De werknemer heeft het verzoek tijdig ingediend, omdat het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. 5.3. Uit artikel 7:682 lid 1, onderdeel a, BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van een werknemer van wie de arbeidsovereenkomst is opgezegd met de toestemming van het Uwv, de werkgever kan veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen indien de opzegging in strijd is met artikel 7:669, lid 3, onderdeel a of b, BW. De werknemer heeft gesteld dat de opzegging in strijd is met artikel 7:669, lid 3, onderdeel a, BW, omdat ontslag wegens een bedrijfseconomische reden niet gerechtvaardigd is. Daarover overweegt de kantonrechter het volgende. 5.4. De kantonrechter stelt voorop dat bij een ontslagaanvraag op grond van bedrijfseconomische redenen de werkgever aannemelijk dient te maken dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.