RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Privaatrecht Sectie Kanton - locatie Alkmaar Zaaknr./rolnr.: 5585005 /OA VERZ 16-456 Uitspraakdatum: 23 februari 2017 Beschikking in de zaak van: [naam verzoeker] wonende te [woonplaats] verzoekende partij verder te noemen: [verzoeker] gemachtigde: mr. A.W.J.D. Ray-Engels tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Oilily World B.V. gevestigd te Alkmaar verwerende partij verder te noemen: Oilily gemachtigde: mr. W.J.F. Nieuwenhuis 1Het procesverloop 1.1. [verzoeker] heeft een verzoek gedaan, om Oilily te veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen en Oilily te veroordelen om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen. Oilily heeft een verweerschrift en een voorwaardelijk tegenverzoek ingediend. 1.2. Op 26 januari 2017 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft [verzoeker] bij brieven van 20 januari, 24 januari en 25 januari 2017 nog stukken toegezonden. 2De feiten 2.1. [verzoeker] , geboren op 21 november 1956, is op 10 februari 2014 in dienst getreden bij Oilily, aanvankelijk voor de duur van 12 maanden en per 10 februari 2016 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Blijkens de arbeidsovereenkomst is [verzoeker] in dienst getreden in de functie van Creative Director, tegen een salaris van € 9.500,- bruto per maand. 2.2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) heeft op 27 september 2016 de (volledige) aanvraag voor een ontslagvergunning voor [verzoeker] van Oilily ontvangen. [verzoeker] heeft zich op 28 september 2016 ziekgemeld en is thans nog arbeidsongeschikt. 2.3. Het UWV heeft bij besluit van 29 november 2016 aan Oilily toestemming verleend voor opzegging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen. Oilily heeft de arbeidsovereenkomst bij brief van 30 november 2016 opgezegd, met ingang van 1 januari 2017. 3Het verzoek 3.1. [verzoeker] verzoekt de kantonrechter, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad: primair: Oilily te veroordelen de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2017 te herstellen;subsidiair:Oilily te veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen met ingang van een door de kantonrechter te bepalen datum en voorzieningen te treffen ter zake van de rechtsgevolgen van de overeenkomst over de periode vanaf 1 januari 2017 tot de datum dat het dienstverband weer zal zijn hersteld; primair en subsidiair: -Oilily te verplichten binnen 24 uur na betekening van de te geven beschikking de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te herstellen, onder verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- per dag of gedeelte van de dag dat Oilily in gebreke blijft;-Oilily te verplichten binnen 24 uur na betekening van de te geven beschikking het achterstallig salaris, vermeerderd met vakantiebijslag en overige emolumenten, te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging aan [verzoeker] te voldoen;-Oilily te veroordelen om aan [verzoeker] te betalen een bedrag van € 8.831,- bruto als transitievergoeding;-Oilily te veroordelen in de kosten van deze procedure. 3.2. Aan dit verzoek legt [verzoeker] het volgende ten grondslag. Oilily heeft in de ontslagprocedure bij het UWV niet aangetoond of onderbouwd dat sprake is van een slechte of slechter wordende financiële situatie. [verzoeker] wijst in dit verband met name op het positief eigen vermogen en op de positieve omzetontwikkelingen, over de jaren 2013 tot en met 2016. De door Oilily aangevoerde financiële gegevens zijn niet op juistheid te controleren, nu de goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders (AVA) of een accountant ontbreekt. Ook is bij de presentatie en beoordeling van de financiële gegevens onvoldoende in aanmerking genomen dat sprake is van een concernverhouding. Indien de financiële situatie daadwerkelijk zo slecht zou zijn, valt niet te verklaren dat aan [verzoeker] in februari 2016 een vast contract is aangeboden. Het UWV heeft miskend dat Oilily feitelijk heeft aangestuurd op een reorganisatie. Dit is echter niet als ontslaggrond aangevoerd. Ten onrechte heeft het UWV overwogen dat het niet mogelijk zou zijn om [verzoeker] te herplaatsen. Voor de functie van Senior Designer Women’s Wear (SDWW) bestond een vacature, deze functie is voor [verzoeker] passend te achten, nu [verzoeker] tevens de functie van SDWW vervulde. Oilily heeft geen enkele inspanning verricht inzake interne of externe herplaatsing, terwijl er wel degelijk herplaatsingsmogelijkheden zijn. Ook bij het onderzoeken van herplaatsingsmogelijkheden is onvoldoende rekening gehouden met het concernverband. Verder voert [verzoeker] aan dat Oilily bij haar ontslagaanvraag een valse reden heeft aangevoerd, nu de daadwerkelijke reden om de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te beëindigen, verband houdt met een diepgeworteld familieconflict. [verzoeker] merkt tot slot op, dat hij de drijvende kracht was achter de damescollectie van Oilily en dat hij ten aanzien van deze collectie een nieuwe koers heeft ingezet, die ook in 2016 heeft geleid tot positieve omzetontwikkelingen. Als Creative Director heeft [verzoeker] nieuwe licentiehouders aangetrokken en heeft hij het merk Oilily beter op de kaart gezet. Om bij Oilily in dienst te kunnen treden heeft [verzoeker] afstand gedaan van zijn onderneming, die hij samen met zijn echtgenote als zelfstandig ondernemer exploiteerde. Aangezien hij slechts korte tijd als werknemer heeft gewerkt, kan hij nauwelijks terugvallen op sociale zekerheidsuitkeringen. 4Het verweer en het voorwaardelijk tegenverzoek 4.1. Oilily verweert zich tegen het verzoek. Zij voert aan – samengevat – het volgende aan. Het ontslagverzoek bij het UWV is gebaseerd op de resultaten van Oilily World B.V. en Oilily on Wheels B.V. over de boekjaren 2013 tot en met 2015, alsmede de cijfers tot en met augustus 2016 en een prognose voor heel 2016. Over deze jaren heeft Oilily forse verliezen geleden. Tevens voorzag Oilily voor 2017 een verlies van omstreeks € 501.000,- indien zij geen maatregelen zou treffen. In een algemene vergadering van aandeelhouders van 26 augustus 2016 heeft grootaandeelhouder Cakewalk B.V., in de persoon van bestuurder [bestuurder Cakewalk B.V.] , medegedeeld dat Cakewalk niet langer in staat en bereid is om de verliezen van Oilily aan te zuiveren. Aangezien Oilily de bestaande werkwijze niet kon handhaven zonder financiële steun van Cakewalk, moest zij ingrijpende kostenbesparende maatregelen nemen. Doordat in de afgelopen jaren Cakewalk veelvuldig vreemd vermogen aan Oilily heeft verstrekt, dat werd omgezet in eigen vermogen, resulteerde dit uiteindelijk in een positief eigen vermogen. Dit is echter geen indicatie voor een gezonde bedrijfsvoering. Ondanks omzetstijgingen bleven de kosten te hoog, hetgeen resulteerde in negatieve bedrijfsresultaten in de afgelopen jaren. Al in 2014 en 2015 heeft Oilily maatregelen getroffen om de bedrijfseconomische positie te verbeteren. In het kader van deze maatregelen is [verzoeker] in 2014 aangenomen als Creative Director, om de verschillende productlijnen binnen Oilily weer dichter bij elkaar te brengen en zodoende de verkoop te intensiveren. Gegeven de mededeling van [bestuurder Cakewalk B.V.] in de vergadering van 26 augustus 2016, moest Oilily nog verder snijden in de kosten. Om het door Cakewalk gestelde doel te bereiken moet in 2017 minimaal een bedrag van omstreeks € 550.000,- worden bespaard. De AVA van Oilily heeft het aan [bestuurder van Oilily] , bestuurder van Oilily, overgelaten om de bezuinigingen door te voeren. Hij heeft een saneringsplan opgesteld, op grond waarvan € 105.000,- aan overige kosten bespaard zouden moeten worden en € 445.000,- aan personele lasten. Op grond van dit bezuinigingsplan is [verzoeker] voor ontslag voorgedragen. De functie van Creative Director is in dit plan geheel komen te vervallen. De coördinerende rol die deze functie met zich brengt is, door een samenloop van omstandigheden onvoldoende tot uitdrukking gekomen. [verzoeker] gaf uiteindelijk geen leiding (meer) aan een team van ontwerpers, maar ontwierp vooral zelf de damescollectie. Deze ontwikkelingen hebben geleid tot het besluit om de functie te laten vervallen. [verzoeker] is echter nooit als SDWW aangesteld. Dat hij, naast zijn functie van Creative Director enige tijd werkzaamheden als ontwerper van de damescollectie heeft verricht, kan daaraan volgens Oilily niet afdoen. 4.2. Voor zover de arbeidsovereenkomst zal worden hersteld, verzoekt Oilily bij wijze van voorwaardelijk tegenverzoek om terugbetaling van de aan [verzoeker] uitbetaalde transitievergoeding van € 8.831,- te vermeerderen met rente en kosten. 5De beoordeling het verzoek 5.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of Oilily moet worden veroordeeld om de arbeidsovereenkomst te herstellen. Daarnaast is aan de orde de vraag of Oilily moet worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 8.831,- aan transitievergoeding. 5.2. De kantonrechter zal, alvorens tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak over te gaan, ingaan op de stelling van [verzoeker] dat het UWV de ontslagaanvraag niet in behandeling had mogen nemen, omdat de algemeen directeur/statutair bestuurder van Oilily, [bestuurder van Oilily] , niet bevoegd was om de ontslagaanvraag te doen. [verzoeker] doet in dit verband een beroep op een directiestatuut van Oilily van 2 juli 2009, waaruit volgens [verzoeker] volgt dat voor het starten van juridische procedures een beslissing van de AVA vereist is. Oilily betwist dat het directiestatuut bestaat en geldt voor Oilily en beroept zich op de statuten van Oilily, zoals deze op 30 september 2015 voor het laatst opnieuw zijn opgesteld. Op grond van artikel 8.7 van deze statuten is de bestuurder volgens Oilily volledig bevoegd die maatregelen te nemen die hij in het belang van de bedrijfsvoering noodzakelijk acht, waaronder het doen van aanvragen van een ontslagvergunning. 5.3. In het statuut waarop [verzoeker] zich beroept, het directie statuut Oilily World B.V. van 2 juli 2009, is de volgende bepaling opgenomen:De directie is algemeen verantwoordelijk en zelfstandig bevoegd voor het beleid van de onderneming doch dient ten allen tijde rekening te houden met de volgende beperkingen die zijn vastgesteld door de Algemene Vergadering van Aandeelhouders (AvA):(…)5. Het opstarten van juridische procedures. (…) Deze zaken dienen te worden beslist door de AvA met een normale meerderheid van stemmen op gedocumenteerde voorstellen van de directie(…) In artikel 8.7 lid 3.1.a van de statuten van Oilily, zoals deze luiden na de statutenwijziging van 30 september 2015, is ten aanzien van de besluiten van aandeelhouders het volgende bepaald:De algemene vergadering besluit tot:1. juridische fusie2. juridische splitsing3. wijziging van de statuten4. ontbinding (…) In artikel 9.5 van de statuten is ten aanzien van de goedkeuring van bestuursbesluiten het volgende bepaald:1. De algemene vergadering kan in een daartoe strekkend besluit duidelijk te omschrijven besluiten van het bestuur aan haar goedkeuring onderwerpen. Een dergelijke besluit wordt onmiddellijk aan het bestuur meegedeeld.2.Het ontbreken van goedkeuring van de algemene vergadering tast de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur of de bestuurders niet aan. De kantonrechter is van oordeel dat uit artikel 8.7 van de statuten van Oilily van 30 september 2015, niet eenduidig kan worden opgemaakt dat besluiten van de AVA zich beperken tot de onder 1 tot en met 4 genoemde onderwerpen, zoals door Oilily betoogd. Voorts volgt uit artikel 9.5 lid 1 van de statuten dat de AVA in een daartoe strekkend besluit duidelijk te omschrijven besluiten van het bestuur aan haar goedkeuring kan onderwerpen. Voor zover het directiestatuut van 2 juli 2009 thans nog gelding zou hebben en zou moeten worden aangemerkt als een zodanig besluit van de AVA, geldt echter op grond van artikel 9.5 lid 2, dat het ontbreken van goedkeuring van de AVA op grond van artikel 9.5 lid 1, de vertegenwoordigingsbevoegdheid van bestuurders niet aantast. Het ontbreken van toestemming van de aandeelhouders, voor zover dit vereist zou zijn, maakt dan ook niet dat bestuurder [bestuurder Oilily] Oilily onbevoegdelijk heeft vertegenwoordigd bij het doen van de ontslagaanvraag. Het UWV kon dan ook tot een inhoudelijke beoordeling van de ontslagaanvraag overgaan. 5.4. Uit artikel 7:682 lid 1 onderdeel a, BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van een werknemer van wie de arbeidsovereenkomst is opgezegd met toestemming van het UWV, de werkgever kan veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen, indien de opzegging in strijd is met onder meer artikel 7:669 lid 1 jo. lid 3 sub a, BW. Uit deze wettelijke bepalingen, nader uitgewerkt in de Ontslagregeling (Stcrt. 2015/12685) vloeit voort dat de werkgever bij een ontslagaanvraag op grond van bedrijfseconomische redenen aannemelijk dient te maken, dat voor opzegging van de arbeidsovereenkomst een redelijke grond aanwezig is in die zin dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.