RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf Locatie Haarlem Enkelvoudige raadkamer Registratienummer: 16/004872 Parketnummer: 15/860268-15 Uitspraakdatum: 6 maart 2017 Beschikking (art. 591a Sv.) 1Ontstaan en loop van de procedure Op 3 augustus 2016 is per telefax ter griffie van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, ingekomen een verzoekschrift, gedagtekend 31 juli 2016, van: [verzoeker], verzoeker, geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], domicilie kiezende te (1016 EZ) Amsterdam, Keizersgracht 332, ten kantore van mr. E.A.M. Mannheims, advocaat. Het verzoekschrift strekt tot toekenning aan verzoeker van een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van € 2.380,99, wegens de met betrekking tot de strafzaak met bovengenoemd parketnummer gemaakte kosten van een advocaat, te vermeerderen met de standaardvergoeding ad € 550,00 voor de indiening en behandeling van het onderhavige verzoekschrift. Op 20 februari 2017 is dit verzoekschrift in het openbaar in raadkamer behandeld. Voor verzoeker is verschenen mr. J.C. Dekkers, advocaat te Amsterdam. Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. M. Spruijt. 2Wettelijk kader Op de voet van het bepaalde in de artikelen 90 en 591a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan de gewezen verdachte – indien de strafzaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht – in beginsel aanspraak maken op vergoeding van de te diens laste gekomen kosten van een advocaat, zo daartoe althans – alle omstandigheden in aanmerking genomen – gronden van billijkheid aanwezig zijn. 3De standpunten De raadsvrouw van verzoeker heeft in raadkamer ter aanvulling op het verzoekschrift pleitnotities overgelegd waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. Zij heeft: primair gepersisteerd bij het in het verzoekschrift verzochte; subsidiair verzocht om aanhouding tot na uitspraak van het Hof Amsterdam in de Ganzenhoef-zaken. Samengevat komt het standpunt van verzoeker erop neer dat een vergoeding ex artikel 591a Sv moet worden toegekend op grond van de volgende argumenten. De vergoeding van de kosten van de raadsvrouw door de werkgever van verzoeker is als een voorschot aan te merken met een voorlopig en voorwaardelijk karakter. Verzoeker baseert zich voor dit standpunt op het bepaalde in artikel 5 lid 3 van de Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie (hierna ook: de Regeling), alsmede op artikel 69a lid 4 van het Besluit algemene rechtspositie politie (hierna ook: Barp). Voorts zou de vergoeding vergelijkbaar zijn met een vergoeding van kosten van rechtsbijstand op grond van een afgesloten verzekering. Door de officier van justitie is naar voren gebracht, zakelijk weergegeven, dat: - verzoeker geen schade heeft geleden, nu de politie de kosten heeft vergoed; met uitzondering voor wat betreft de forfaitaire vergoeding voor de indiening en behandeling van het verzoekschrift, op die grond reeds niet kan worden toegekomen aan toewijzing van het verzochte; het betoog dat de vergoeding door de politie als werkgever een voorschot betreft, die vaststelling de rechtbank niet dwingt tot toewijzing van het verzochte; immers, aangenomen dat artikel 5 lid 3 van de Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie (hierna: de Regeling) voor de politiemedewerker een verplichting inroept tot indiening van een verzoekschrift ex artikel 591a Sv (ECLI:NL:GHSHE:2014:4602), dan: ontslaat dit de rechtbank niet van toepassing van het juiste toetsingskader (de billijkheidtoets) en een onafhankelijke beoordeling van het verzoekschrift; is het niet billijk dat de verzochte vergoeding wordt toegekend, omdat: verzoeker al een vergoeding van de kosten heeft ontvangen, eventuele toewijzing van het verzoek voor verzoeker niet leidt tot een andere financiële uitkomst, terwijl aan de met het verzoekschrift beoogde verschuiving van justitiegelden wel een prijskaartje voor de belastingbetaler hangt, te weten de extra kosten die verbonden zijn aan de behandelprocedure én de extra kosten (forfaitaire vergoeding) van de advocaat; het – indien jegens een politieman een verdenking is ontstaan, dat deze (net) over het randje van het strafrechtelijke toelaatbare is gegaan – in beginsel passend is dat de werkgever de door die politieman gemaakte kosten wegens rechtsbijstand vergoedt; begrijpelijk is dat de politie als werkgever daarbij de voorwaarde stelt dat, indien de kosten rechtsbijstand op een ander kunnen worden verhaald, restitutie van de vergoeding plaatsvindt, maar dat de vermoedelijk bij de politie bestaande verwachting, dat het verzoekschrift zal worden toegewezen, niet leidend mag zijn; de rechtbank haar beslissing niet moet afstemmen op de verwachting van de politie, maar de politie wellicht de verwachting moet bijstellen en niet zonder meer van de medewerker moet verlangen dat een verzoek ex artikel 591a Sv wordt ingediend. 4Beoordeling De rechtbank overweegt als volgt. De strafzaak tegen verzoeker is onherroepelijk geëindigd, doordat de officier van justitie op 10 mei 2016 telefonisch aan de raadsvrouw heeft laten weten te seponeren vanwege rechtmatige geweldsaanwending (sepotcode 09). Het door verzoeker ondertekende verzoekschrift is tijdig ingediend. De declaraties van de advocaat van verzoeker zijn door het bevoegd gezag betaald. Uitgangspunt bij de beoordeling van een verzoek tot toekenning van een vergoeding in de kosten van rechtsbijstand op grond van artikel 591a Sv is dat die kosten slechts voor vergoeding in aanmerking komen voor zover deze daadwerkelijk ten laste van de gewezen verdachte komen of zijn gekomen en indien daartoe, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Artikel 69a van het Barp luidt, voor zover relevant, als volgt:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.