vonnis RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling privaatrecht Zittingsplaats Haarlem zaaknummer / rolnummer: C/15/243294 / HA ZA 16-312 Vonnis van 29 maart 2017 in de zaak van 1 [eiser 1] , h.o.d.n. TEGELZETBEDRIJF GROOTEMAN, wonende te [woonplaats] , 2. [eiser 2] , h.o.d.n. TEGELZETBEDRIJF SMIT (PITJES), wonende te [woonplaats] , eisers, advocaat mr. H.E.M. Molenaar te Alkmaar, tegen 1 [gedaagde 1] , wonende te [woonplaats] , 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TEGELWERKEN J.J. LAGERWEIJ B.V., gevestigd te Haarlem, gedaagden, advocaat mr. R.H.W. van Ewijk te Amsterdam. Partijen zullen hierna [eiser 1] c.s. en [gedaagde 1] c.s. genoemd worden. Eisers zullen afzonderlijk van elkaar [eiser 1] en [eiser 2] genoemd worden, gedaagden [gedaagde 1] en Lagerweij B.V. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 20 juli 2016 het proces-verbaal van comparitie van 14 februari 2017. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiser 1] c.s. hebben als zelfstandige tegelzetters eind 2010 tot medio 2011 werkzaamheden verricht in opdracht van H.G. Lagerweij Tegelwerken B.V. (hierna: gefailleerde). Zij hebben ter zake gezamenlijke facturen verstuurd aan gefailleerde. Gefailleerde heeft deze facturen tot een totaalbedrag van € 52.632,48 ondanks sommaties onbetaald gelaten. 2.2. Van 1 januari 2009 tot aan de ontbinding van gefailleerde op 17 april 2012 was J.J. Lagerweij Holding B.V. (hierna: de Holding) bestuurder en enig aandeelhouder van gefailleerde. [gedaagde 1] is sinds de oprichting in mei 2007 enig aandeelhouder en bestuurder van de Holding. 2.3. De vader van [gedaagde 1] was tot 1 januari 2009 indirect (mede) bestuurder en (mede) aandeelhouder van gefailleerde. Vanaf die datum tot de datum van het faillissement was hij werkzaam voor gefailleerde, eerst enige tijd in loondienst en later als zelfstandige. 2.4. Op 26 juli 2011 is op aangifte van [gedaagde 1] het faillissement van gefailleerde uitgesproken, met benoeming van mr. A.J.H.M. van Poorten tot curator (hierna: de curator). Op 17 april 2012 is het faillissement opgeheven bij gebrek aan baten en is gefailleerde ontbonden. 2.5. Blijkens de faillissementsverslagen van de curator heeft [gedaagde 1] als belangrijkste oorzaken van het faillissement genoemd: “de sterk teruggelopen omzet ten gevolge van conjuncturele omstandigheden enerzijds en de toenemende concurrentie (…) anderzijds, terwijl de financiële positie van gefailleerde voorts is verslechterd, omdat enkele grotere uitstaande posten wegens faillissement van opdrachtgevers moesten worden afgeboekt.” Nader onderzoek van de curator heeft blijkens het tweede faillissementsverslag geen andere oorzaak van het faillissement aan het licht gebracht. 2.6. De goodwill, het klantenbestand, het uitgevoerde onderhanden werk en de orderportefeuille van gefailleerde zijn, met toestemming van de rechter-commissaris, door de curator aan [gedaagde 1] verkocht voor een bedrag van € 15.000,00. 2.7. Het saldo faillissementsdebiteuren bedroeg per faillissementsdatum € 211.923,75. De concurrente crediteuren, inclusief BTW en de vordering van de ABN Amro, bedroeg per faillissementsdatum een bedrag van € 946.580,51. 2.8. Lagerweij B.V. is opgericht bij notariële akte van 21 september 2011 met [gedaagde 1] als enig aandeelhouder en enig bestuurder. Blijkens het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel heeft Lagerweij B.V. als doelomschrijving: “Het zetten en leveren van tegels voor nieuwbouw en bestaande bouw, alsmede houdster- en financieringsmaatschappij.” 3Het geschil 3.1. [eiser 1] c.s. vorderen bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen aan [eiser 1] een bedrag van € 46.277,40 en aan [eiser 2] een bedrag van € 6.355,08 te betalen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (BW) over de respectievelijke factuurbedragen vanaf de respectievelijke vervaldata, subsidiair vanaf 14 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening. Tevens vorderen [eiser 1] c.s. hoofdelijke betaling van een bedrag van € 1.301,32 aan buitengerechtelijke incassokosten, vergoeding van proceskosten en kosten nasalaris van de advocaat begroot op € 131,00 te vermeerderen met € 68,00 ingeval de kostenveroordeling niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis is voldaan. 3.2. [eiser 1] c.s. leggen – samengevat – aan de tegen [gedaagde 1] gerichte vorderingen ten grondslag dat [gedaagde 1] ex artikel 6:162 BW persoonlijk aansprakelijk is voor de schade die zij hebben geleden als gevolg van het onbetaald laten door gefailleerde van hun facturen met een totaalbedrag van € 52.632,48. Zij stellen daartoe dat [gedaagde 1] als (middellijk) bestuurder van gefailleerde persoonlijk ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, door in strijd met de zorgvuldigheid die hij conform maatschappelijke verkeersnormen jegens [eiser 1] c.s. in acht had moeten nemen, door zijn vader namens gefailleerde opdrachten te laten verstrekken aan [eiser 1] c.s. en [eiser 1] c.s. te zeggen dat er betaald zou gaan worden, terwijl hij wist dan wel redelijkerwijs moest weten dat gefailleerde de daaruit voortvloeiende verplichtingen niet zou kunnen nakomen gelet op de slechte financiële situatie waarin zij verkeerde. Aan de tegen Lagerweij B.V. gerichte vordering leggen [eiser 1] c.s. ten grondslag dat Lagerweij B.V. een ‘verschijningsvorm’ is van gefailleerde, zodat Lagerweij B.V. op grond van vereenzelviging met gefailleerde aansprakelijk is voor de schade die [eiser 1] c.s. hebben geleden. Zij stellen daartoe dat Lagerweij B.V. twee maanden na de faillietverklaring van gefailleerde exact dezelfde activiteiten is gaan verrichten als gefailleerde en dat Lagerweij B.V. op hetzelfde adres is gevestigd als het bezoekadres van de Holding. Met die handelwijze heeft [gedaagde 1] volgens [eiser 1] c.s. misbruik gemaakt van het identiteitsverschil tussen gefailleerde en Lagerweij B.V. met het oogmerk de verhaalsmogelijkheden van [eiser 1] c.s. te frustreren dan wel deze illusoir te maken. Omdat [gedaagde 1] c.s. de facturen ondanks diverse herinneringen en aanmaningen onbetaald hebben gelaten, stellen [eiser 1] c.s. tevens recht te hebben op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten, vertragingsrente en de proceskosten. 3.3. [gedaagde 1] c.s. betwisten dat [gedaagde 1] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser 1] c.s. Zij voeren daartoe het volgende aan. Niet [gedaagde 1] , maar diens vader verstrekte de opdrachten aan [eiser 1] c.s. Er kan dus niet worden gesteld dat [gedaagde 1] namens de vennootschap heeft gehandeld, of heeft bewerkstelligd of toegelaten dat gefailleerde de opdrachten verstrekte, terwijl hij wist dat daarvoor niet betaald zou worden. In dit kader voeren [gedaagde 1] c.s. aan dat [gedaagde 1] het faillissement van gefailleerde niet heeft voorzien en dat ook redelijkerwijs niet heeft kunnen voorzien, omdat gefailleerde een goed lopende orderportefeuille had. Pas kort voor het aanvragen van het faillissement heeft [gedaagde 1] zich gerealiseerd dat gefailleerde financieel niet meer te redden was. Ter comparitie heeft [gedaagde 1] nog toegelicht dat dit besef ontstond nadat bepaalde opdrachten niet door bleken te gaan. Er is op dat moment geprobeerd middels een lening van de ABN Amro het financieel tekort op te vangen, maar die lening werd niet verstrekt. [gedaagde 1] erkent dat [eiser 1] c.s. bij hem langs zijn geweest, maar hij weet niet meer wat er is besproken. Bij gebrek aan wetenschap betwist hij dat hij heeft gezegd dat de betaling van de facturen goed zou komen. [gedaagde 1] c.s. betwisten voorts dat er plaats is voor vereenzelviging van Lagerweij B.V. met gefailleerde. Van het identiteitsverschil tussen Lagerweij B.V. en gefailleerde is volgens hen geen misbruik gemaakt, laat staan dat Lagerweij B.V. met het oogmerk om crediteuren te benadelen is opgericht. De curator was bovendien van de oprichting van Lagerweij B.V. op de hoogte. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling Bestuurdersaansprakelijkheid 4.1. Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW, staat het volgende voorop. Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. In geval van benadeling van een schuldeiser van een rechtspersoon door het onbetaald en onverhaald blijven van diens vordering kan naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.