beslissing RECHTBANK NOORD-HOLLAND Wrakingskamer DHG/AVH/IDW/DDMH zaaknummer / rekestnummer: C/15/257873/HA/RK/17-64 Beslissing van 24 mei 2017 Op het verzoek tot wraking ingediend door: [verzoeker] verzoeker, wonende te [adres] bijgestaan door zijn gemachtigde [gemachtigde] Het verzoek is gericht tegen: mr. M. Hoendervoogt, hierna te noemen: de rechter. 1Procesverloop 1.
- Verzoeker heeft bij brief van 10 april 2017, welke brief diezelfde dag bij de rechtbank is binnengekomen, schriftelijk de wraking verzocht van de rechter bij de in deze rechtbank, afdeling privaatrecht, sectie Kanton, locatie Alkmaar, aanhangige zaak met als zaaknummer 5635071 BM VERZ 17-48 en 5709485 BM VERZ 17-280 strekkende tot opheffing van het bewind en mentorschap), hierna te noemen: de hoofdzaak. 1.
- De rechter heeft niet in de wraking berust en heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd. 1.
- Het verzoek is vervolgens behandeld ter openbare zitting van de wrakingskamer van 17 mei
- Verzoeker en de rechter zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voorts is de rechter verschenen. 2Het standpunt van verzoeker Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek – samengevat – het volgende aangevoerd. Verzoeker acht zich benadeeld omdat hem niet tijdig het omvangrijke verweerschrift van zijn zoon is toegezonden. Ter zitting wilde verzoeker een stuk overhandigen, hetgeen de rechter heeft geweigerd, met de mededeling: “Ik heb zo wel papier genoeg”. Verzoeker heeft zowel schriftelijk als mondeling verzocht om buiten de aanwezigheid van zijn zoon te worden gehoord. Ondanks dat daartoe gelegenheid was, heeft de rechter verzoeker niet apart van zijn zoon gehoord. Hierdoor voelde verzoeker zich belemmerd om in vrijheid een verklaring af te leggen. Ten slotte heeft de rechter ongepast commentaar gegeven, alles aldus verzoeker. 3Het standpunt van de rechter In haar schriftelijke reactie bericht de rechter dat zij niet berust in de wraking. Het wrakingsverzoek bevat geen feiten of omstandigheden die een aanwijzing opleveren voor (de schijn van) partijdigheid of vooringenomenheid. 4De beoordeling 4.1 Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert (de zogenaamde subjectieve toets). Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter in de hoofdzaak, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. Die feiten of omstandigheden moeten zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid (de zogenaamde objectieve toets). Het subjectieve oordeel van verzoeker is voor de beoordeling van beide toetsen wel belangrijk maar niet doorslaggevend. 4.
- Gesteld noch gebleken is dat de persoonlijke opstelling van de rechter een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat deze rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert (subjectieve partijdigheid). 4.
- De vraag is daarom of afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter-commissaris, de vrees voor partijdigheid die bij verzoeker bestaat objectief gerechtvaardigd is waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn (objectieve partijdigheid). Het subjectieve oordeel van verzoeker is daarbij niet doorslaggevend. 4.
- Voor zover de onvrede van verzoeker zich richt tegen de wijze waarop hij is bejegend door de rechter, geldt dat hiervoor de wrakingsprocedure niet is bedoeld. Ter zake de bejegening staat verzoeker het middel van het doen van een klacht ten dienste. De overige punten zien op onvrede van verzoeker met betrekking tot meer procedurele punten, te weten op voorbereidingstijd en de aanwezigheid van procespartijen. Dit betreft een beoordeling door de rechter die de zaak inhoudelijk behandelt, waar de wrakingskamer niet anders in heeft te treden dan langs de weg van de hiervoor onder 4.1 omschreven toets. 4.
- Die toets aanleggende is de wrakingskamer van oordeel dat de feiten en omstandigheden die verzoeker ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren heeft gebracht, geen grond opleveren voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden en vormen derhalve geen grond voor wraking. De wrakingskamer zal het verzoek dan ook afwijzen. 5Beslissing 5.
- wijst het verzoek tot wraking van de rechter af. 5.
- beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter en de wederpartij in de hoofdzaak een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden. 5.
- beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek en beveelt dat die zaak daartoe in handen wordt gesteld van de voorzitter van het team Kanton, locatie Alkmaar. Deze beslissing is gegeven door mr. A.F. van Hoorn, voorzitter, mr. H.E.C. de Wit en mr. D.D.M. Hazeu, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van D.H. Geuze, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 mei
- de griffier de voorzitter Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.