vonnis RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling privaatrecht Zittingsplaats Haarlem zaaknummer / rolnummer: C/15/246175 / HA ZA 16-473 Vonnis van 5 juli 2017 in de zaak van
(2011)hun cruciale rol in het traject naar de verduurzaming van vlees onderschreven en vervolgens in 2013 toegezegd per 1 juli 2015 alleen nog maar varkensvlees te verkopen dat voldoet aan de eisen van het Varken van Morgen. DRG heeft zelfs bij persbericht van 14 november 2011 laten weten dat op termijn al het varkensvlees bij Dirk minimaal één Beter Leven ster zal dragen. 4.2. De realiteit is evenwel dat bij tellingen in Dirk-supermarkten in Amsterdam in mei 2016 bleek dat niet meer dan 45% van het varkensvlees voldoet aan BLK1S; 59% van het verse varkensvlees, 29% van de vleeswaren, 18% van het varkensvlees buiten de koeling en 0% van het varkensvlees in de diepvries. Het gewogen gemiddelde van Lidl bedroeg 65% en dat van Jumbo 57%, terwijl Jumbo een stijgende lijn liet zien, maar DRG daarentegen weinig vooruitgang boekte. 4.3. Waar in het misstandenrapport is vastgesteld dat 99% van de biggetjes routinematig wordt gecoupeerd, 99% van de zeugen niet de beschikking heeft over enig nestmateriaal, 60% van de varkens lijdt aan benauwdheid, chronisch hoesten en ontstekingen door het slechte stalklimaat en de hoge infectiedruk, en dat ook nog eens 74% van de zeugen aan maagzweren lijdt, kan genoegzaam worden aangenomen dat de productie van gangbaar varkensvlees structureel op onrechtmatige wijze geschiedt. Weliswaar zijn Varkens in Nood c.s. niet in staat aan te geven bij welke varkensboeren of slachterijen DRG haar gangbare varkensvlees betrekt noch bij welke varkenshouders de gerapporteerde misstanden voorkomen, maar op grond van voormelde percentages uit het misstandenrapport kan worden aangenomen dat (de misstanden zo structureel voorkomen dat) ook DRG gangbaar varkensvlees inkoopt en verkoopt dat op onrechtmatige wijze is geproduceerd. 4.4. Hierdoor handelt DRG om twee redenen onrechtmatig jegens Varkens in Nood c.s. Zij gaat om te beginnen voorbij aan de verantwoordelijkheid, die zij als supermarkt-exploitant heeft om de verduurzaming van varkensvlees te bewerkstelligen. Het bestaan van deze verantwoordelijkheid (van haar “cruciale rol”) heeft zij bovendien bevestigd bij en na de totstandkoming van het Verbond van Den Bosch in 2011, maar DRG heeft het, in tegenstelling tot andere bedrijven, laten afweten om zich bij de inkoop en verkoop van varkensvlees meer en meer te conformeren aan het Varken van Morgen. Daarmee heeft zij ook de nadien nog met haar gemaakte afspraken en door haar gedane toezeggingen geschonden om maatregelen te nemen teneinde te voorkomen dat de misstanden in de gangbare varkenshouderij zich blijven voordoen. Een groot deel van de criteria van het Varken van Morgen had reeds per 1 juli 2015 geïmplementeerd moeten worden. Het betoog van DRG dat sprake is van een geleidelijke transitie die in 2020 zal worden voltooid treft geen doel, aldus steeds Varkens in Nood c.s., die ter comparitiezitting voorts nog hebben aangedragen dat in Nederland de slachterijen hebben aangegeven per jaar samen ongeveer 2,3 miljoen varkens, die aan de eisen van BLK1S voldoen, te slachten en dat dat niet meer is dan ongeveer 40% van de totale hoeveelheid vers varkensvlees die per jaar wordt verkocht en derhalve aanzienlijk minder dan de 94% waarvan het CBL spreekt in haar publicatie van 12 juli 2016 waarop DRG zich beroept. 4.5. Tot haar verweer draagt DRG ten eerste aan dat Varkens in Nood c.s. in de door hen gevorderde verklaring voor recht niet-ontvankelijk zijn, nu niet is voldaan aan het vereiste in artikel 3:302 BW dat Varkens in Nood c.s. onmiddellijk zijn betrokken bij de rechtsverhouding waarop de door hen gevorderde verklaring betrekking heeft, te weten de rechtsverhouding(
- en)tussen de verkoper van het varkensvlees en DRG als koper enerzijds en DRG als verkoper van dat varkensvlees en degene die van haar koopt anderzijds, te weten de consument. 4.6. Varkens in Nood c.s. voeren hiertegen aan dat zij niet de inhoud of geldigheid van de contractuele afspraken tussen DRG en leverancier en/of consument ter discussie stellen, maar het onrechtmatig handelen van DRG door de structurele misstanden in de gangbare varkenshouderij in stand te houden. Dit verweer gaat er evenwel aan voorbij dat een verklaring voor recht een uitspraak betreft omtrent een rechtsverhouding en dat de rechtsverhouding waaromtrent Varkens in Nood c.s. een verklaring voor recht vorderen de koopovereenkomst(
- en)betreft tussen DRG en haar leveranciers en afnemers. Varkens in Nood c.s. zijn bij die rechtsverhoudingen niet onmiddellijk betrokken, waaraan niet afdoet dat zij zich op het standpunt stellen dat DRG jegens hen onrechtmatig handelt door dergelijke overeenkomsten aan te gaan. Varkens in Nood c.s. zijn hierdoor niet ontvankelijk in de door hen gevorderde verklaring voor recht. Het eerste onderdeel van hun vordering dient dan ook op deze grond te worden afgewezen. 4.7. Ten aanzien van de andere onderdelen van het gevorderde betoogt DRG dat zij in het jaar 2011 noch in de jaren nadien een bindende afspraak heeft gemaakt of toezegging heeft gedaan waarvan thans kan worden gezegd dat zij zich verbonden heeft ervoor te zorgen dat Dirk en/of Deka vanaf 2015 uitsluitend nog vers varkensvlees inkopen dat geproduceerd is met inachtneming van de criteria van het Varken van Morgen. Het Verbond van Den Bosch dient te worden verstaan als een beweging van partijen, die op basis van inspanningen waarvoor zij zelf verantwoordelijk zijn, wensen te komen tot het uiterlijk in 2020 gerealiseerd zijn van een duurzame productie van al het varkensvlees. Hierbij wordt rekening gehouden met het voortschrijdend inzicht van de betrokken partijen gedurende de transitieperiode met betrekking tot de spelende belangen in de keten, waaronder: productieomstandigheden, gezondheidsbelangen, looptijden van overeenkomsten, beschikbaar aanbod van varkensvlees dat aan de criteria van het Varken van Morgen voldoet en beschikbare middelen. 4.8. DRG heeft voorts Varkens in Nood c.s. verzocht om informatie waaruit blijkt dat de producenten van varkensvlees waar zij haar vlees betrekt, in strijd handelen met de (thans) geldende regels op het gebied van dierenwelzijn. Het misstandenrapport is voor het merendeel gebaseerd op publicaties van voor 2014, het jaar waarin nieuwe wetgeving op het gebied van dierenwelzijn van kracht is geworden. Sommige publicaties zijn wel twintig jaar oud. DRG heeft verder niet uit het misstandenrapport kunnen opmaken dat de producenten van het varkensvlees dat Dirk en Deka verkopen in strijd handelen met de nieuwe wetgeving van 2014. 4.9. De NVWA houdt toezicht op de naleving van de regels die gelden op het gebied van dierenwelzijn. De NVWA heeft niet geconstateerd, aldus DRG, dat sprake is van structurele schendingen van de wet bij de productie van gangbaar varkensvlees. Niet is gebleken dat het toezicht van de NVWA op de naleving van de wetgeving tekort schiet. Bovendien is dat toezicht inmiddels fijnmaziger geworden door het zogenoemde Afsprakenkader Dierenverwaarlozing dat op 3 juli 2012 is ondertekend door erfbetreders, waaronder de NVWA, veeartsen, transporteurs voor slachterijen en inkopers van slagerijen. 4.10. DRG betoogt voorts dat op dit moment meer dan 86% van het door Dirk en Deka ingekochte verse varkensvlees wordt geproduceerd in overeenstemming met de criteria van het Varken van Morgen. Zij hebben daarnaast ervoor gezorgd zoveel mogelijk grip te krijgen op de gehele keten van de productie van vlees. Er wordt uitsluitend vers vlees ingekocht en geslacht bij slachterijen waarmee een lange relatie bestaat en waarmee is overeengekomen dat het bij hen betrokken vlees tenminste voldoet aan wet- en regelgeving. Tevens is zorggedragen voor het beschikken over eigen slagerijen en eigen productiebedrijven die het grootste deel van het ingekochte varkensvlees verder verwerken. Via stickers en een keurmerk op de verpakking of een zogenoemd Global Gap-nummer (GGN-nummer) aan de onderzijde van de verpakking kan geconstateerd worden of het verse varkensvlees voldoet aan de criteria van het Varken van Morgen. 4.11. Met betwisting van de juistheid van de door Varkens in Nood c.s. gedane tellingen in hun algemeenheid (nu deze niet door onafhankelijke telbureau’s zijn uitgevoerd) verwijst DRG naar de hiervoor in 2.20. reeds genoemde uitkomst van een telling van Varkens in Nood c.s. uit februari 2017, waarin is vastgesteld dat meer dan 60% (te weten: 61%) van al het door Dirk te koop aangeboden varkensvlees voldeed aan de criteria van het Beter Leven Keurmerk en daarmee tevens aan die van het Varken van Morgen. 4.12. DRG betwist al met al dat de productie van niet meer dan ongeveer 50% van het door haar ingekochte en verkochte verse varkensvlees voldoet aan de criteria van het Varken van Morgen. Tevens betwist zij dat zich bij de productie van gangbaar varkensvlees een structurele schending voordoet van de regelgeving ter bescherming van het dierenwelzijn. Anders dan Varkens in Nood c.s. betogen, is niet gebleken dat ook thans nog sprake is van zodanige, alom bestaande misstanden in de Nederlandse varkenshouderij dat daaraan als slotsom dient te worden verbonden dat het door haar ingekochte gangbare varkensvlees op onrechtmatige wijze is geproduceerd en zij zich met de in- en verkoop daarvan onrechtmatig gedraagt. Aldus steeds DRG. 4.13. De rechtbank is van oordeel als volgt. De vorderingen van Varkens in Nood c.s. zijn in hoofdzaak gegrond op het uitgangspunt dat bij de productie van gangbaar varkensvlees (nog altijd) sprake is van structurele misstanden ten koste van het dierenwelzijn en dat het daardoor onrechtmatig is voor supermarkten als Dirk en Deka dat varkensvlees in te kopen en te verkopen, temeer nu zij afspraken hebben gemaakt dat na 2015 niet langer te doen en bovendien hebben onderschreven een eigen verantwoordelijkheid te dragen in het verduurzamingstraject van de productie van varkensvlees. 4.14. Hiertegen heeft DRG betoogd (zowel in deze procedure als in haar hiervoor in 2.14., 2.16. en 2.18. genoemde/weergegeven brieven aan DRG van 25 november 2014, 7 januari 2016 en 21 maart 2016) dat zij niet heeft geconstateerd dat aan haar vlees is geleverd dat in strijd met de wettelijke normen is geproduceerd en dat zij zonder nadere informatie (waaruit blijkt van het tegendeel) niet tegen overtreders kan optreden. Zij gaat er dan ook van uit dat zij slechts rechtmatig geproduceerd gangbaar varkensvlees verkoopt en wijst de tegen haar aangedragen verwijten van de hand. 4.15. Dit standpunt kan worden gevolgd. Anders dan Varkens in Nood c.s. stellen, kan ten aanzien van Dirk en Deka niet worden gezegd dat op basis van de door Varkens in Nood c.s. gesignaleerde misstanden in de varkenshouderij (“prima facie”, zoals zij stellen) moet worden aangenomen dat (ook) Dirk en Deka gangbaar varkensvlees inkopen en verkopen dat onrechtmatig (in strijd met de regelgeving ter bescherming van dierenwelzijn) wordt geproduceerd of dat hen (of één van hen) kan worden verweten dat zij het risico nemen dat te doen. Wat er moge zijn van de kwaliteit van het toezicht door de NVWA (daarover wordt klaarblijkelijk verschillend gedacht), Varkens in Nood c.s. hebben, ook na voornoemde drie brieven van DRG, waarin daarom met zoveel woorden wordt verzocht, in dit geding geen enkele schakel in de varkensvleesproductieketen van Dirk of Deka genoemd of kunnen noemen die zich volgens hen schuldig maakt of heeft gemaakt aan de door hen bedoelde misstanden. De algemene, niet op eigen waarnemingen gebaseerde aanhaling van misstanden ‘in de Nederlandse varkenshouderij’ is daartoe in ieder geval onvoldoende. Bovendien heeft DRG onweersproken toegelicht - ook nog ter comparitiezitting - dat zij al het mogelijke doet om de ketens waarvan zij gebruik maakt, te monitoren; zij tracht grip te krijgen op de gehele productie van varkensvlees en er wordt uitsluitend ingekocht en geslacht bij slachterijen waar zij een langdurige relatie mee heeft en waarmee is overeengekomen dat het bij hen betrokken vlees tenminste voldoet aan wet- en regelgeving. Voorts beschikt zij thans over eigen slagerijen en productiebedrijven die het grootste deel van het ingekochte en verkochte varkensvlees verder verwerken. 4.16. Op voornoemd uitgangspunt (in 4.13.) kunnen de vorderingen van Varkens in Nood c.s. dan ook niet worden toegewezen. Het bewijsaanbod dat Varkens in Nood c.s. ter comparitiezitting nog hebben gedaan, maakt dit niet anders, nu (ook) daarin ten aanzien van Dirk en Deka niets specifiek te bewijzen wordt aangeboden. 4.17. Evenmin kan - los van bedoeld uitgangspunt - worden gezegd dat DRG heeft nagelaten haar verantwoordelijkheid te nemen bij de verduurzaming van de productie van varkensvlees. De hiervoor genoemde maatregelen ten aanzien van het monitoren van de varkensvleesproductieketen en de laatste percentages (van 61% en 60%) op de varkensvlees monitor van Varkens in Nood bieden onvoldoende steun voor die stelling. Het laat zich veeleer aanzien dat Dirk en Deka weldegelijk voortgang maken met de beoogde transitie die in 2020 moet worden afgerond. 4.18. Ten slotte is ook niet gebleken van bindende afspraken die DRG zou hebben gemaakt of van toezeggingen die zij zou hebben gedaan om vanaf 2015 alleen nog maar varkensvlees dat met inachtneming van de criteria van het Varken van Morgen is geproduceerd in te kopen of te verkopen. Reeds uit de hiervoor in 2.5. genoemde publicatie van de Stichting Natuur & Milieu blijkt dat de criteria van het Varken van Morgen deels in 2015 en deels met ingang van 2020 gelden. Dat duidt op een transitie, die thans nog in gang is. 4.19. Het voorgaande voert tot de slotsom dat het gevorderde niet kan worden toegewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zullen Varkens in Nood c.s. met de gedingkosten worden belast. 5De beslissing De rechtbank 5.1. wijst het gevorderde af; 5.2. veroordeelt Varkens in Nood c.s. in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van DRG begroot op € 619,00 voor verschotten en op € 904,00 voor kosten advocaat; 5.3. verklaart vorenstaande kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. D.P. Ruitinga, mr. J.J. Dijk en mr. E.C.M. van Mierlo en in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2017. type: 286 coll: