← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2017:5940

Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: HAA 15/717 tot en met HAA 15/722 uitspraak van de meervoudige kamer van 19 juli 2017 in de zaken tussen [X] , wonende te [Z] , eiser (gemachtigde: mr. I.J. Janssens), en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2006 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) opgelegd, berekend naar een inkomen uit werk en woning van € 65.000. Daarbij is op grond van artikel 3.153 van de Wet IB 2001 bij voor bezwaar vatbare beschikking een ondernemingsverlies uit voorafgaande jaren ten bedrage van € 35.061 verrekend met het inkomen uit werk en woning, zodat het belastbaar inkomen uit werk en woning is vastgesteld op een bedrag van € 29.939. Daarbij is voorts heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van € 1.210 (HAA 15/717). Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2006 een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (zvw) opgelegd, berekend naar een maximum bijdrage-inkomen van € 30.015. Daarbij is heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van € 177 (HAA 15/717). Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2007 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 333.470. Daarbij is heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van € 30.811 (HAA 15/718). Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2008 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 145.269. Daarbij is heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van € 4.911 (HAA 15/719). Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2008 een navorderingsaanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 356.310. Daarbij is heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van € 14.918 (HAA 15/720). Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2009 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 418.880 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 33.173. Daarbij is heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van € 16.601, alsmede bij beschikking een verzuimboete van € 226 opgelegd (HAA 15/721). Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2009 een aanslag zvw opgelegd, berekend naar een maximum bijdrage-inkomen van € € 32.369. Daarbij is heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van € 118 (HAA 15/721). Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2010 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 426.315. Daarbij is heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van € 8.082, alsmede bij beschikking een verzuimboete van € 226 opgelegd (HAA 15/722). Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2010 een aanslag zvw opgelegd, berekend naar een maximum bijdrage-inkomen van € 33.189. Daarbij is heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van € 62 (HAA 15/722). Verweerder heeft bij afzonderlijke uitspraken van 30 december 2014 de tegen de bovengenoemde (navorderings)aanslagen, heffingsrentebeschikkingen en boetebeschikkingen ingediende bezwaren ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen de aanslag ib/pvv 2006 is wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Eiser is tegen alle uitspraken op bezwaar in beroep gegaan. De beroepschriften zijn gedagtekend 6 februari 2015 en op diezelfde dag per fax bij de rechtbank binnengekomen. Verweerder heeft verweerschriften ingediend en op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd. Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder. Het onderzoek ter zitting heeft voor alle zaken gezamenlijk plaatsgevonden op 17 maart 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen mr. P.W.M. Ostendorf , mr. R. Moolenburgh, E. van Voorden en T. Robertus. Overwegingen Feiten 1. In 2009 is de Belastingdienst gestart met een boekenonderzoek bij [A BEDRIJF] B.V. (hierna: [A BEDRIJF] ) naar de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting en omzetbelasting over de jaren 2004 tot en met 2006. Op 14 december 2010 is een eerste controlerapport uitgebracht naar aanleiding van het boekenonderzoek. Op 15 oktober 2010 is [A BEDRIJF] medegedeeld dat het onderzoek zal worden uitgebreid naar 2007 en 2008. 2. [A BEDRIJF] is opgericht op 19 december 2000. De heer [A] is enig bestuurder van [A BEDRIJF] . De aandelen van [A BEDRIJF] worden gehouden door Stichting [B BEDRIJF] . Bestuurder van deze stichting is de heer [A] (hierna: [A] ). 3. [A BEDRIJF] treedt op als bemiddelaar bij de advisering over en verkoop van vennootschapsstructuren en bij de administratieve instandhouding daarvan. De activiteiten van [A BEDRIJF] zijn eind 2000 gestart. De structuren die [A BEDRIJF] verkocht, bestonden veelal uit een naar Nederlands recht opgerichte commanditaire vennootschap met een stichting als commanditaire vennoot en een naar het recht van het Verenigd Koninkrijk (hierna: het VK) opgerichte Limited als beherende vennoot. In sommige van de verkochte vennootschapsstructuren worden de aandelen in de Limited gehouden door een trustvennootschap opgericht naar het recht van Jersey. 4. De Limiteds werden in het Verenigd Koninkrijk (VK) opgericht door [C BEDRIJF] Limited (hierna: [C BEDRIJF] ). [C BEDRIJF] fungeert ook als postadres voor deze Limiteds en is ook degene die feitelijk de correspondentie met Britse (overheids)diensten onderhoudt. Eiser is directeur en middellijk eigenaar van de aandelen [C BEDRIJF] . 5. [A BEDRIJF] realiseert opbrengst uit de verkoop van structuren en uit hoofde van de administratieve instandhouding van de verkochte structuren. [A BEDRIJF] stuurt haar afnemers jaarlijks een uitnodiging om de kosten (de jaarbijdrage) voor het in stand houden van de structuur te voldoen. Een zeer beperkt deel van de omzet wordt gerealiseerd met de verlening van administratieve diensten. 6. Tussen [A BEDRIJF] en [C BEDRIJF] zijn afspraken gemaakt over de verkoop van de structuren en de onderlinge verdeling van de gerealiseerde omzet. Deze afspraken zijn (mondeling) gemaakt bij aanvang van de bemiddeling door [A BEDRIJF] ten behoeve van [C BEDRIJF] en enkele jaren later schriftelijk vastgelegd in een vertegenwoordigingsovereenkomst per 1 januari 2008. Volgens de vertegenwoordigingsovereenkomst laat [C BEDRIJF] de marketing, promotie, voorlichting, verkoop van vennootschapsstructuren en de administratieve instandhouding uitvoeren door [A BEDRIJF] . Ten aanzien van de omzetverdeling zijn partijen overeengekomen dat: - [C BEDRIJF] aan [A BEDRIJF] een provisie van 70% betaalt over de door [A BEDRIJF] gerealiseerde verkopen, en - [C BEDRIJF] aan [A BEDRIJF] een provisie van 30% betaalt over de jaarbijdragen die [A BEDRIJF] voor [C BEDRIJF] int. 7. De vennootschapsstructuren worden verkocht tegen vaste prijzen. De klanten die een structuur kopen, dienen ter plekke af te rekenen door bankoverschrijving of betaling middels creditcard, PIN of contant. Als klanten contant betalen, wordt het geld in een dichte enveloppe in een kluis op het kantoor gedeponeerd. Deze kluis wordt door [A BEDRIJF] omschreven als ‘de kluis van [C BEDRIJF] ’. Op de enveloppe wordt genoteerd welk bedrag erin zit en welke structuur het betreft. De kluis wordt periodiek geleegd door eiser, die ook als enige een sleutel heeft van de kluis. Aparte kwitanties van de betalingen van de klanten en/of stortingen in de kluis worden door [A BEDRIJF] niet bewaard. Eiser is de enige persoon die toegang heeft tot de kluis. Iedere verkochte structuur wordt door een medewerker van [A BEDRIJF] vastgelegd in een operationeel systeem, het DCO (Document Center Online). Op basis van de soort afgenomen structuur wordt ook de hoogte van de jaarbijdrage vastgelegd. De hoogte van de jaarbijdrage varieert van € 275 tot € 1.125. Het DCO is eigendom van [C BEDRIJF] en dient voor [C BEDRIJF] als controlemiddel voor de hoogte van de verschillende omzetten en derhalve als controlemiddel voor dat deel van de omzet dat [C BEDRIJF] toekomt. Bepaalde mutaties in DCO kunnen alleen door [C BEDRIJF] worden aangebracht en niet door [A BEDRIJF] . 8. Tijdens het boekenonderzoek bij [A BEDRIJF] is geconstateerd dat het kasboek slechts minimale en kleine kasmutaties registreert. In de kas zijn geen mutaties vastgelegd uit hoofde van contante verkopen van vennootschapsstructuren of jaarbijdragen. In de aangiften is geen rekening gehouden met de contante ontvangsten. [A BEDRIJF] heeft tijdens het boekenonderzoek schriftelijk aan de controleurs medegedeeld dat een kasadministratie voor contante verkopen niet gevoerd wordt, omdat alle verkopen voor rekening van [C BEDRIJF] plaatsvinden. [A BEDRIJF] heeft beschreven dat klanten door contant te betalen direct betalen aan [C BEDRIJF] en dat de volledige omzet door [A BEDRIJF] in de kluis van [C BEDRIJF] wordt gedeponeerd. Het op deze wijze aan [C BEDRIJF] afgedragen bedrag wordt volgens [A BEDRIJF] verrekend met de aan [C BEDRIJF] verschuldigde bedragen. [A BEDRIJF] heeft in de financiële administratie op geen enkele wijze een vastlegging gemaakt van de contant ontvangen omzet, de in de kluis gedeponeerd bedragen, de uit de kluis gehaalde bedragen en de afdrachten aan [C BEDRIJF] . In de aangiften omzetbelasting en vennootschapsbelasting van [A BEDRIJF] zijn alleen per bank ontvangen omzetten verantwoord. Ongeveer de helft van de door [A BEDRIJF] in haar aangiften verantwoorde omzet vóór afdracht aan [C BEDRIJF] , betreft de verkoop van structuren. De andere helft van deze verantwoorde omzet betreft de instandhouding van de structuren. Het hiervan aan [C BEDRIJF] afgedragen bedrag wordt als kostenpost in mindering gebracht op de omzet. 9. Het controlerapport van het boekenonderzoek bij [A BEDRIJF] vermeldt het volgende over de berekening van de omzet van contante verkopen van nieuwe structuren in 2005 en 2006: “5.7.2 Afdracht aan [C BEDRIJF] De omzet van [A BEDRIJF] is in 2005 en 2006 conform de berekende soll-positie aanzienlijk hoger dan in de aangiften vennootschapsbelasting en omzetbelasting is verantwoord. De niet in de aangifte verantwoorde omzet betreft de contant ontvangen omzet. Dit is af te leiden uit de vastleggingen in het DCO inzake de betaalwijze. Deze is niet structureel gevuld, maar indien deze gevuld is, dan blijkt dat alle niet in de aangiften verantwoorde structuren, contant betaalde structuren betreffen. Tijdens het onderzoek zijn aan [A BEDRIJF] vragen gesteld over de contante verkopen. [A BEDRIJF] heeft in een brief gesteld dat alle gelden die contant worden ontvangen, worden aangenomen en aangehouden voor rekening en risico van [C BEDRIJF] . Deze gelden zouden direct in een enveloppe in een kluis op het kantoor worden gedeponeerd en worden verrekend met de bedragen die [A BEDRIJF] aan [C BEDRIJF] op basis van haar verkopen verschuldigd is. Er is geen registratie beschikbaar van de uitgegeven kwitanties, de in de kluis gedeponeerde bedragen en de door [C BEDRIJF] uit de kluis gehaalde gelden. Een daadwerkelijke verrekening van de contante opbrengsten met het [A BEDRIJF] toekomende deel is evenmin vastgesteld. Het door [A BEDRIJF] geschetste feit dat alle contante verkopen via de kluis aan [C BEDRIJF] worden afgestort, wordt door [C BEDRIJF] desgevraagd tegengesproken; [C BEDRIJF] stelt in een brief d.d. 30 maart 2010 dat alleen het aan haar toekomende deel (30%) in de kluis wordt gedeponeerd. Mijns inziens is de verklaring van [A BEDRIJF] inzake de contante omzet niet aannemelijk. Omdat uit de administratie van [A BEDRIJF] niet blijkt dat een verrekening plaatsvindt van het gedeelte van de gerealiseerde omzet dat aan [A BEDRIJF] toekomt, zou aldus de wijze van betaling (PIN of contant) bepalen of de omzet voor [A BEDRIJF] (PIN) of voor [C BEDRIJF] (contant) is. Dit lijkt mij onaannemelijk. Immers de handelingen voor een contante verkoop of verkoop per bank zijn identiek, op de wijze van afrekenen na. Ook is de verklaring van [A BEDRIJF] niet in overeenstemming met de afspraken over de winstverdeling volgens de bepalingen in de vertegenwoordigingsovereenkomst: van elke verkochte structuur komt 70% toe aan [A BEDRIJF] en van elke geïnde onderhoudsfee 30%. Bij de berekening van de sollpositie van de omzet uit hoofde van verkoop van structuren zal ik dan ook aansluiting zoeken bij de bepalingen in de vertegenwoordigingsovereenkomst. Dit heeft tot gevolg dat bij het berekenen van de correctie op de niet aangegeven omzet rekening gehouden zal worden met een afdracht aan [C BEDRIJF] van 30%. Wat betreft de reeds in de aangifte verantwoorde omzet sluit ik aan bij de afdracht, zoals deze is vermeld in de aangifte. De afdracht aan [C BEDRIJF] over de niet verantwoorde omzet kan als volgt worden berekend: Soll-positie omzet Aangegeven omzet Niet-aangegeven omzet Afdracht aan [C BEDRIJF] A B C= A-B D=30% van C 2005 € 593.580 € 191.232 € 402.348 € 120.704 2006 € 523.660 € 177.233 € 346.427 € 103.928 Tabel 5.24: afdracht [C BEDRIJF] over niet aangegeven omzet” 10. [A BEDRIJF] houdt sinds haar oprichting kantoor aan de [A ADRES] . Zij huurt het gehele pand, minus één kamer, van Stichting [A STICHTING] die dit huurrecht als enig actief heeft. Deze stichting huurt het pand van een derde en onderverhuurt het aan [A BEDRIJF] . Eiser is enig bestuurder van, en heeft als enige toegang tot de bankrekening van deze stichting. De niet door [A BEDRIJF] gehuurde kamer staat ter beschikking van eiser, die een sleutel van deze kamer heeft. 11. Bij het opleggen aan eiser van de primitieve aanslagen ib/pvv 2006, 2007 en 2008 is verweerder ervan uitgegaan dat eiser in deze jaren in het VK woonde. In de motivering van het bezwaarschrift tegen de aanslag ib/pvv 2008 van 21 maart 2011 voerde de toenmalige gemachtigde van eiser, [B] , het volgende aan: “De Belastingdienst beweert dat belanghebbende heeft gesteld dat hij in 2008 in het Verenigd Koninkrijk (VK) woonachtig is geweest. Belanghebbende huurt weliswaar ten behoeve van [C BEDRIJF] een huis in het VK waar hij ook privé gebruik van maakt wanneer hij om zakelijke redenen of voor vakantie in het VK verblijft. Echter waakt hij er met het oog op de fiscale regelgeving in het VK zorgvuldig voor dat hij niet meer dan maximaal 80 dagen per jaar aldaar verblijft. De stelling dat belanghebbende op grond van door hem zelf verstrekte gegevens in 2008 in het VK woonde is derhalve feitelijk onjuist.” 12. Op grond van voormelde motivering van het bezwaarschrift van 21 maart 2011 van de toenmalige gemachtigde van eiser heeft de Belastingdienst een onderzoek gestart naar de woonplaats van eiser, hetgeen heeft geresulteerd in een “Memo woonplaats de heer [X] ” van 2 mei 2013. Dit woonplaatsmemo luidt - voor zover hier van belang - als volgt: “0 Inleiding Over de feitelijke woonplaats van de heer [X] over de jaren 2007 tot en met 2009 bestaat verschil van inzicht tussen de Belastingdienst en de heer [X] . In dit memo hebben wij de bevindingen vastgelegd inzake een onderzoek naar de woonplaats van de heer [X] . In hoofdstuk 1 van dit memo zullen wij aangeven welke uitgangspunten zijn gehanteerd bij het opleggen van aanslagen over de jaren 2007 tot en met 2010. Tevens wordt beschreven welke visie de heer [B] heeft ten aanzien van de woonplaats van de heer [X] , namelijk dat de heer [X] verbleef in het Verenigd Koninkrijk danwel Servië. In hoofdstuk 2 zullen wij aangeven waarom wij van mening zijn dat onvoldoende aannemelijk is dat de heer [X] in 2007 en 2008 in het Verenigd Koninkrijk woonde. In hoofdstuk 3 zullen wij uiteenzetten op basis van welke argumenten wij van mening zijn dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de heer [X] in 2007, 2008 en 2009 in Servië woonachtig was. In hoofdstuk 4 zullen wij beschrijven, waarom wij van mening zijn dat de stelling van de heer [X] dat hij maximaal 30 nachten per jaar in Nederland heeft verbleven, danwel in 2009 geen sprake was van persoonlijke en economische banden met Nederland onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Wij zullen in hoofdstuk 5 afsluiten met een conclusie over de feitelijke woonplaats van de heer [X] . (…) 2 Woonplaats in Verenigd Koninkrijk? De heer [B] heeft namens de heer [X] bezwaar aangetekend tegen de opgelegde bezwaren. In deze bezwaarfase is echter geen eenduidige, consistente informatie aangereikt door de heer [B] danwel de heer [X] over de woonplaats van de heer [X] in 2007 en 2008. Dit zullen wij nader toelichten. 2.1 Informatie van belastingplichtige in bezwaarfase Zoals beschreven, was op het moment van opleggen van de aanslagen IB 2007 en IB 2008 bij de Belastingdienst niet bekend dat de heer [X] in de periode 2006 tot en met 2008 mogelijk in Servië zou hebben gewoond. In zijn brief d.d. 21 maart 2011 stelt de heer [B] dat de heer [X] in oktober 2010 in correspondentie met de Belastingdienst inzake [C BEDRIJF] Ltd heeft aangegeven dat hij in Servië woonde. De heer [X] heeft in oktober 2010 inderdaad een adres in Servië opgegeven, echter dat betekent geenszins dat de heer [X] met het bekendmaken van dit adres succesvol kan betogen dat hij in 2007 en 2008 in Servië woonde. Ten aanzien van de woonplaats van de heer [X] geeft de heer [B] in zijn brief d.d. 21 maart 2011 aan dat de heer [X] , ondanks dat hij aldaar een woning huurt, ervoor waakt dat hij meer dan 80 dagen per jaar in het Verenigd Koninkrijk verblijft. In de bewuste brief wordt echter niet aangegeven waar de heer [X] in 2007 en 2008 dan wel woonde. Naar aanleiding van de informatie in de brief van 21 maart 2011 is bij de bezwaar-inspecteur behoefte ontstaan nader onderzoek te doen naar de feitelijke woonplaats. Immers door de stelling dat de heer [X] maximaal 80 dagen per jaar in het Verenigd Koninkrijk verblijft en daarbij niet aan te geven waar de heer [X] in 2008 woonachtig was, is het niet duidelijk wat de woonplaats van de heer [X] in dat jaar was. Omdat de woonplaats bepalend kan zijn voor de fiscale behandeling van de heer [X] en met hem verbonden lichamen, is nader onderzoek naar deze woonplaats uitgevoerd. De bezwaarinspecteur heeft vervolgens vragen gesteld met als doel duidelijkheid te krijgen over de woonplaats(

  1. en)van [X] in de periode vanaf 2002. In reactie op de gestelde vragen (brief 14 juni 2011) geeft de heer [X] aan dat hij nooit gesteld of gepretendeerd heeft ergens anders dan in Nederland te wonen. Met klem willen wij dit bestrijden. Uit diverse bronnen is ons gebleken dat de heer [X] dit wel degelijk heeft gedaan. Enkele voorbeelden daarvan zijn: - Adres op de aangifte inkomstenbelasting 2002: een adres in het Verenigd Koninkrijk; - Berichten aan curator; medegedeeld dat hij in het Verenigd Koninkrijk woont; - Postadres voor de bank; post wordt naar diverse adressen in het Verenigd Koninkrijk verzonden; - [D BEDRIJF] ; geadresseerd aan [X] aan [B ADRES] . In dezelfde brief geeft de heer [X] aan dat hij zich gaarne aansluit bij de conclusie van de Belastingdienst dat hij in 2008 in het Verenigd Koninkrijk woonde. In aanvulling daarop geeft hij aan dat er geen reden is te twijfelen aan het standpunt van de Belastingdienst (ingenomen in brief d.d. 14 december 2010) dat hij in de periode 2002 tot en met eind 2010 niet in Nederland heeft gewoond. Op een later moment in dezelfde brief geeft de heer [X] aan dat hij ergens in de periode “[…] 2008, 2009 en 2010 en de periode daarvoor [...]” is verhuisd van het ene adres in Servië naar het andere adres. Tevens geeft hij in de brief aan dat hij minder dan negentig dagen per jaar in het Verenigd Koninkrijk verblijft. Aldus kan gesteld worden dat de heer [X] richting de Belastingdienst niet eenduidig is in zijn uitspraken over zijn woonplaats. Nadere vragen die in de bezwaarfase door de inspecteur zijn gesteld over zijn woonplaats in onder andere de jaren 2007 en 2008 zijn door de heer [X] niet beantwoord, omdat hij van mening is dat de Belastingdienst die periode heeft onderzocht en dat mocht de inspecteur nieuw onderzoek willen doen, dat de heer [X] liever ziet dat de inspecteur dit onderzoek buiten hem om uitvoert. In dit kader is van belang dat de inspecteur deze vragen heeft gesteld, nadat in de bezwaarfase grote onduidelijkheden zijn gerezen over de woonplaats van de heer [X] in de periode 2007 en 2008. 2.2 Informatie uit derdenonderzoeken en strafrechtelijk onderzoek Na het opleggen van de aanslag IB 2008 op 14 december 2010 is door de Belastingdienst aanvullend onderzoek gedaan naar de woonplaats van [X] , onder andere ingevuld middels het instellen van derdenonderzoeken. Uit deze derdenonderzoeken blijkt dat op basis van aanwezigheid van de heer [X] in Nederland op bepaalde dagen in 2007 en 2008 gesteld kan worden dat de heer [X] in die jaren niet in het Verenigd Koninkrijk woonde. De bevindingen van deze onderzoeken zijn nader uitgewerkt in paragraaf 3.4 van dit document. Tevens is informatie verkregen uit het door de FIOD uitgevoerde strafrechtelijk onderzoek in 2010, waarbij de heer [X] diverse malen als verdachte is gehoord. In enkele verhoren heeft de heer [X] uitspraken gedaan over zijn woonplaats. Zo heeft de heer [X] onder andere verklaard: “In 2002 of 2003 ben ik in Engeland gaan wonen op [C ADRES] [...]. Ik heb daar anderhalf of tweeenhalfjaar gewoond. Daarna heb ik gewoond op [D ADRES] […]. Vanaf begin 2007 ben ik aan [B ADRES] gaan wonen, daar heeft in de tijd een overloop in gezeten met het vorige adres. [...] Na de geboorte van [C] verbleef ik gedurende een maand of drie, vier regelmatig aan de [J ADRES] . [...] Sinds 2006 of 2007 heb ik het adres [E ADRES] als adres dat bij de Servische overheid van mij bekend is. [...] Sinds 2007 huurt [G] een woning aan de [Z] . Daar verblijf ik regelmatig als ik niet in Engeland verblijf. Samengevat ben ik vanaf 2002 tot heden in het buitenland woonachtig geweest, met name in Servië en Engeland. [...]” Verhoor V02-02 d.d. 9-11-2011 Op basis van de uitspraken in het verhoor gaan wij ervan uit dat de heer [X] van mening is dat hij in ieder geval tot en met 2006/2007 in het Verenigd Koninkrijk heeft gewoond. De stelling die door zijn advocaat en hemzelf wordt ingenomen dat hij ervoor waakt meer dan 80 dagen in het Verenigd Koninkrijk door te brengen, strookt niet met deze verklaring. Ergens in 2006/2007 zou de heer [X] , naar eigen zeggen, naar Servië zijn verhuisd. 2.3 Samenvattend Nu zowel de heer [B] als de heer [X] lijken aan te geven dat de heer [X] in 2007 en 2008 niet in het Verenigd Koninkrijk heeft gewoond en dit ondersteund wordt middels bevindingen verkregen uit (na 14 december 2010) ingestelde derdenonderzoeken en de heer [X] tegenover de FIOD verklaart ergens in 2006 of 2007 een adres in Servië te hebben dat bij de Servische overheid als zijn adres bekend is, is onze conclusie dat bij het opleggen van de aanslagen 2007 en 2008 ten onrechte het uitgangspunt is gehanteerd dat de heer [X] in het Verenigd Koninkrijk woonachtig was in de desbetreffende jaren. In zijn brief d.d. 14 juni 2011 geeft de heer [X] aan dat, in zijn optiek, de Belastingdienst niet terug kan komen op het ten aanzien van de woonplaats ingenomen standpunt. Dit is een onjuist standpunt. Onze conclusie dat de heer [X] in 2007 en 2008 niet in het Verenigd Koninkrijk woonachtig was, is gebaseerd op informatie die wij tot onze beschikking hebben gekregen nádat de bewuste aanslagen zijn opgelegd. Dit zogenoemde nieuw feit rechtvaardigt het innemen van een nieuw standpunt. 3Woonplaats is niet gelegen in Servië Zoals beschreven, wordt namens de heer [X] onder andere gesteld dat de heer [X] vanaf ongeveer het jaar 2006/2007 zou wonen in Servië. Op basis van een aantal argumenten, zijn wij van mening dat deze stelling onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Wij zullen dit nader toelichten in de paragrafen 3.1 tot en met 3.4. 3.1 Opgegeven adressen Zoals is beschreven in paragraaf 2.2 heeft de heer [X] ten aanzien van zijn woonplaats in een verhoor (V02-02) verklaard dat hij in de periode 2006/2007 is verhuisd naar Servië. Uit door ons ingestelde derdenonderzoeken blijkt echter dat de heer [X] vanaf het jaar 2006 woonadressen heeft opgegeven bij derde partijen, welke allen buiten de landsgrenzen van Servië liggen. Uit een ingesteld derdenonderzoek bij de Gemeente Den Haag zijn documenten verkregen welke door de heer [X] zijn verstrekt bij de aanvraag van een nieuw paspoort in 2009. Bij de Gemeente Den Haag heeft de heer [X] in april 2009 een nieuw paspoort gekregen. Daarbij heeft hij een notariële akte van nationaliteit overhandigd, waarin is vermeld dat hij op 14 april 2009 (datum van opmaken van akte) woonde op [B ADRES] , Verenigd Koninkrijk. Verder blijkt uit diverse derdenonderzoeken dat de heer [X] als adres nimmer het adres in Servië heeft opgegeven. Als de heer [X] adressen opgeeft zijn het adressen in Nederland of het Verenigd Koninkrijk. Ter onderbouwing, enkele voorbeelden: [A BANK] (vanaf april 2005 tot december 2006 [D ADRES] , daarna [B ADRES] ); Creditcard [A BANK] (tot maart 2005 [F ADRES] , tot juli 2007 [D ADRES] , vanaf mei 2007 [B ADRES] ); [A MERK] Motorbegeleidingsteam (ledenlijst 2011 [B ADRES] , op de ledenlijst over de jaren 2007 tot en met 2009 is het adres [G ADRES] vermeld); [NAAM ZIEKENHUIS] ziekenhuis (in 2008: [B ADRES] ); [E BEDRIJF] (vanaf febr 2009: [B ADRES] ); Gemeente Den Haag, verklaring notaris (april 2009: [B ADRES] ); [D BEDRIJF] (facturen uit 2005 tot en met 2009: [B ADRES] ); Parkline (vanaf april 2008: [B ADRES] ); Huisarts [E] (2008 en 2010: [B ADRES] ); [A VERZEKERING] Verzekeringen: (januari 2004 tot en met juni 2010: [F ADRES] ). Gezien deze constateringen rijst de vraag of de heer [X] zijn uitspraken over een mogelijke woonplaats in Servië heeft gedaan nadat hij in 2010 is benaderd door de Britse en/of Nederlandse fiscus. 3.2 Belastingheffing in Servië Indien iemand in een land verblijft, is het gebruikelijk dat hij/zij in het desbetreffende land belasting betaalt over het (wereld)inkomen. Bij diverse gelegenheden heeft de heer [X] aangegeven dat hij geen belasting betaalt in Servië. In verhoor V02-02 verklaart de heer [X] tegenover twee opsporingsambtenaren van de FIOD dat hij over de via [A BEDRIJF] BV ontvangen contante bedragen nergens aangifte voor de inkomstenbelasting doet. Niet in Nederland en niet in het Verenigd Koninkrijk. De heer [X] legt in het verhoor uit dat de desbetreffende inkomsten niet naar het Verenigd Koninkrijk gaan en dat hij als gevolg daarvan aldaar niet belastingplichtig is. Naar eigen zeggen zou hij in Servië graag belasting betalen, maar lukt dat niet. Overigens is niet bekend over welke inkomensbestanddelen hij in Servië belast wil worden. In verhoor V02-07 door twee opsporingsambtenaren van de FIOD vertelt de heer [X] dat hij nergens ter wereld belasting betaalt. Naar eigen zeggen betaalt hij in Servië, ondanks dat hij een boekhouder en een advocaat heeft ingeschakeld, geen belasting. In een brief aan de Belastingdienst d.d. 14 juni 2011 beschrijft de heer [X] dat in de landen waar hij woonruimte ter beschikking heeft, geen sprake is van belasting op zijn inkomen en hij in die landen niet belastingplichtig is. De heer [X] schrijft dat hij in het Verenigd Koninkrijk niet belastingplichtig is, omdat hij minder dan negentig dagen per jaar in dat land verblijft. In Servië is hij niet belastingplichtig, omdat het wereldinkomen in Servië niet wordt belast, aldus de heer [X] . Geconcludeerd kan aldus worden dat de heer [X] geen belasting heeft betaald over zijn (wereld) inkomen in Servië, ondanks dat hij claimt in dat land te wonen vanaf 2006/2007. 3.3 Woonruimte en verblijf onvoldoende aannemelijk De heer [X] heeft omtrent zijn woonplaats een aantal uitspraken gedaan, danwel zaken op schrift gezet. Zo heeft de heer [X] in een verhoor (V02-02) door twee opsporingsambtenaren van de FIOD verteld dat hij sinds 2006 of 2007 het adres [H ADRES] opgeeft als adres bij de Servische overheid. Ook geeft hij aan al jaren een aanvraag voor een verblijfsvergunning te hebben lopen. De opmerking in het verhoor (V02-02) over de lopende aanvraag voor een verblijfsvergunning sluit overigens niet aan op de stelling van de heer [B] dat de heer [X] ten aanzien van het jaar 2009 beschikte over verblijftitels in Servië (brief 18 april 2012). In een brief aan de Belastingdienst d.d. 14 juni 2011 geeft de heer [X] aan: “[...] voor 2008, 2009 en 2010 en de periode daarvoor, alleen ben ik bijvoorbeeld ergens in de periode in Servië verhuisd van de [I ADRES] naar de [Z] maar weet ik niet meer precies op welke datum.” Het verblijf aan de [H ADRES] kan de heer [X] niet onderbouwen middels achterliggende documenten, daar hij voor het desbetreffende adres geen huur betaalt (bron: verhoor V02-02). In het bewuste verhoor geeft de heer [X] aan dat op het adres ene [F] , van wie de heer [X] niet weet hoe je haar naam spelt, woont. De heer [X] zou op dat adres kunnen verblijven, als hij dat wenst. In de brief van 14 juni 2011 geeft de heer [X] aan dat de eigenaar van het bewuste pand waarschijnlijk de familie [NAAM FAMILIE] is. Wat betreft een eventuele verblijfsvergunning kan worden opgemerkt dat de inspecteur de heer [X] in de bezwaarprocedure heeft gevraagd naar dergelijke documenten. De heer [X] heeft slechts een document overgelegd waaruit is op te maken dat hij een tijdelijk visum heeft tot 3 mei 2011. Voorts is er een afgiftestempel met de datum 14 april 2011. Er zijn geen stukken overgelegd, waaruit blijkt dat de heer [X] in 2007, 2008 en/of 2009 (of jaren daarvoor) al een aanvraag heeft gedaan voor een al dan niet permanente verblijfsstatus in Servië. Voorts geeft de heer [X] aan dat mevrouw [G] sinds 2007 een woning aan de [Z] huurt en dat hij daar regelmatig verblijft als hij niet in het Verenigd Koninkrijk verblijft (verhoor V02-02). In een brief aan de Belastingdienst op 14 juni 2011 stelt de heer [X] dat hij de woning huurt. Als bijlage bij deze brief zouden huurkwitanties zijn gevoegd, deze zijn echter niet bijgevoegd. Per brief d.d. 5 oktober 2011 heeft collega Ostendorf gevraagd deze stukken alsnog te overgeleggen. Tot op heden zijn deze stukken echter niet ontvangen. In een verhoor door opsporingsambtenaren van de FIOD verklaart mevrouw [G] over haar woonplaats het volgende (V03-01): In 2004 heb ik tot na de zomer gewoond op het adres [G ADRES] gewoond. Daarna ben ik aan de [A ADRES] gaan wonen, denk op nummer [A NUMMER] . Daar heb ik gewoond tot en met februari 2007. In februari 2007 ben ik aan de [J ADRES] gaan wonen. In september of oktober 2009 ben ik definitief in Servië gaan wonen aan de [Z] . Er staat meestal [Z] als adres in Servië, maar dat is een misverstand, daar ben ik onlangs achter gekomen. In de periode tussen februari 2006 en februari 2007 was ik veel bij [X] in Engeland, maar heb ik ook wel in Nederland voor [A BEDRIJF] gewerkt. In de periode eind 2007 tot februari 2009 ben ik wel een paar keer naar Servië, Kroatië en Engeland heen en weer gereisd. Voor mijn gevoel woonde ik niet echt in Nederland, of dat juridisch ook zo gezien moet worden weet ik niet. Mevrouw [G] heeft tevens in een brief aan de Belastingdienst d.d. 14 juni 2011 aangegeven dat zij de woning [Z] pas huurt vanaf mei 2009. Daarvoor zou zij op een ander adres in Servië hebben gewoond. Voor de volledigheid merken wij op dat de uitspraken van mevrouw [G] over haar woonplaats in de brief van 14 juni 2011 in tegenspraak zijn met hetgeen zij heeft verklaard in haar verhoor (V03-01) tegenover de opsporingsambtenaren van de FIOD. Ongeacht tegenover wie mevrouw [G] de waarheid spreekt, richting de Belastingdienst of de FIOD, uit haar verhaal is af te leiden dat zij in 2007 en 2008 voornamelijk verbleef in Nederland en dat zij ergens in 2009 naar Servië is verhuisd. Overigens wordt dit onderbouwd door mutaties op haar bankrekening (PIN-betalingen) en telefoonrekeningen. Ook mevrouw [G] heeft geen huurkwitanties van het woonadres aan de [Z] overhandigd. Ook uit haar bankrekening zijn geen mutaties af te leiden welke duiden op huur van het desbetreffende pand of (langdurig) verblijf in Servië. 3.4 Verblijven in hotels in Servië In de administratie van [A BEDRIJF] BV over 2008 is een declaratie aangetroffen van reis- en verblijfkosten van een reis naar Servië in de zomer van 2008. Deze reis is onder andere gemaakt door de heer [X] en mevrouw [G] . Er worden onder andere kosten gedeclareerd voor een verblijf van hen beiden in een hotel in Servië in de periode 18 juni 2008 tot en met 21 juni 2008 en de periode 28 juni 2008 tot en met 2 juli 2008. Ze hebben verbleven in [A HOTEL] in [A PLAATS] . Het bewuste hotel in [A PLAATS] ligt op nog geen acht kilometer van het adres waar de heer [X] zou verblijven in [B PLAATS] , danwel bij mevrouw [G] in [Z] en/of de [I] . Gezien het verblijf in het hotel is het niet aannemelijk dat de heer [X] en/of mevrouw [G] in die periode een eigen woonruimte ter beschikking hadden in en/of nabij [A PLAATS] , zoals zij hebben gesteld. Overigens is ook aan de hand van de telefoonrekeningen van zowel de heer [X] als mevrouw [G] vast te stellen dat zij beiden vanuit Nederland via Duitsland naar Servië zijn gereisd en vervolgens weet zijn teruggekeerd naar Nederland. Deze reisroute maakt een woonplaats in Servië niet aannemelijk. 3.5 Samenvattend De heer [X] heeft op diverse momenten de stelling ingenomen dat hij ergens vanaf het jaar 2006/2007 zou zijn verhuisd naar Servië. Wij zijn van mening dat deze stelling onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Allereerst heeft de heer [X] in Nederland bij diverse bedrijven en instanties een woonadres opgegeven, welk adres ook betrekking heeft op de jaren 2007, 2008 en 2009. Wij hebben geen enkele keer geconstateerd dat de heer [X] een adres in Servië heeft opgegeven. Daarnaast is van belang dat de heer [X] op geen enkele wijze aannemelijk kan maken dat hij in 2007, 2008 en/of 2009 huur heeft betaald voor adressen waar hij zou hebben gewoond. Hij geeft aan dat hij kon verblijven voor niets of dat de huur door mevrouw [G] zou worden betaald. Mevrouw [G] heeft echter tegenover de FIOD verklaard dat zij eind 2009 definitief naar Servië is vertrokken en in 2007 en 2008 voornamelijk in Nederland verbleef. Tevens hebben wij geconstateerd dat de heer [X] en mevrouw [G] in de zomer van 2008 enkele weken in een hotel in [A PLAATS] hebben verbleven. Dit hotel bevond zich op nog geen acht kilometer van de door [X] aangehaalde woonadressen van hemzelf en/of mevrouw [G] . Aan de hand van gedeclareerde bonnen en telefoongegevens is vastgesteld dat de reis naar Servië vanuit Nederland plaatsvond. Na afloop van het verblijf is men ook teruggereisd naar Nederland. Waarom zou iemand die op dat moment stelt in Servië te wonen, vanuit Nederland naar Servië reizen en daar vervolgens enkele weken in een hotel verblijven? Tot slot is van belang dat de heer [X] geen enkel document kan overhandigen waaruit blijkt dat in 2007, 2008 en/of 2009 een aanvraag voor een permanente verblijfstatus in behandeling was, danwel dat hij beschikte over een verblijfstitel. Slechts een tijdelijk visum voor het voorjaar van 2011 is ons overhandigd. Indien iemand woonachtig is in een land, is die persoon aldaar belastingplichtig. Ten aanzien van de heer [X] geldt echter dat hij in Servië niet belastingplichtig is. Volgens zijn eigen zeggen zou hij in Servië wel belasting willen betalen, maar is dat niet mogelijk. Aldus zijn wij van mening dat de heer [X] zijn stelling dat hij in 2007, 2008 en 2009 in Servië woonde onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. 4Woonplaats is Nederland Wat betreft het jaar 2008 stelt de heer [X] in zijn brief van 14 juni 2011 dat hij hooguit 30 nachten per jaar in Nederland verblijft. Ten aanzien van het jaar 2009 schrijft de heer [B] (brief 18 april 2012) dat de heer [X] nauwelijks in Nederland verbleef. Middels diverse derdenonderzoeken hebben wij onderzoek gedaan naar de woonplaats van de heer [X] . Uit deze derdenonderzoeken is informatie naar voren gekomen waaruit blijkt dat de heer [X] feitelijk veel meer dan maximaal 30 nachten in Nederland was, zoals door hem gesteld is. 4.1 Woonruimte in Nederland Uit ons ter dienste staande informatie blijkt dat de heer [X] in Nederland in de periode 2007, 2008 en 2009 woonruimte tot zijn beschikking had. Dit betreft het [F ADRES] , de [A ADRES] en de [J ADRES] . [F ADRES] Op het desbetreffende adres heeft de heer [X] ingeschreven gestaan vanaf 1998 tot en met 8 januari 2003. Nadat de heer [X] op dit adres is uitgeschreven, hebben er op het desbetreffende adres tot en met de jaren 2007 en 2008 geen andere personen ingeschreven gestaan. In de periode 10 maart 2009 tot en met 22 juni 2009 heeft de heer [J] ingeschreven gestaan op het bewuste adres. De huur voor het desbetreffende pand wordt door de heer [X] in de jaren 2007, 2008 en 2009 voldaan aan de verhuurder. [A ADRES] In een gesprek d.d. 11 maart 2009 en 8 april 2009 met de Belastingdienst heeft de heer [K] verteld, dat de heer [X] in de periode dat de heer [K] werkzaam was bij [A BEDRIJF] (2004 en 2005) woonde in pand tegenover het bedrijfsadres van [A BEDRIJF] BV aan de [A ADRES] . In een verhoor door de FIOD heeft de heer [L] bevestigd dat de heer [X] toen de heer [L] voor [A BEDRIJF] werkte (2005/2006), woonde in een pand tegenover het adres van [A BEDRIJF] : “Ik weet dat [X] graag wilde doen voorkomen dat hij in Engeland woonde maar hij woonde gewoon in Den Haag. Hij was bijna dagelijks op kantoor. Als hij er een keer niet was dat werd dat tegen ons gezegd, dat was dan een nieuwtje. Het was meer bijzonder als hij er niet was dan dat hij er wel was.” (bron: verhoor G05-01) Het pand waarop door [K] en [L] wordt gedoeld betreft het pand [K ADRES] . Via Google streetview is achterhaald dat de twee panden inderdaad tegenover elkaar liggen. Dit is overigens ook gebleken uit eigen waarneming tijdens het boekenonderzoek bij [A BEDRIJF] BV. Uit mutaties op de bankrekening van mevrouw [G] is gebleken dat dit pand door haar gehuurd wordt vanaf juni 2004 tot en met januari 2007. In een verhoor door twee opsporingsambtenaren van de FIOD heeft mevrouw [G] ten aanzien van dit huurpand het volgende verklaard: “In 2004 heb ik tot na de zomer gewoond op het adres [G ADRES] gewoond. Daarna ben ik aan de [A ADRES] gaan wonen, denk op nummer [A NUMMER] . Daar heb ik gewoond tot en met februari 2007. In februari 2007 ben ik aan de [J ADRES] gaan wonen. In september of oktober 2009 ben ik definitief in Servië gaan wonen aan de [Z] .” Bron: verhoor V03-01 Deze uitspraak van mevrouw [G] wordt bevestigd door informatie welke middels een derdenonderzoek bij de verhuurder is verkregen. [J ADRES] In 2005 heeft mevrouw [G] een woning gekocht aan de [J ADRES] . In correspondentie met de Belastingdienst heeft mevrouw [G] ontkend zelf de woning te hebben bewoond. Zij geeft in de desbetreffende brief aan alleen in de woning te hebben verbleven van februari tot en met september 2007. Dit zou volgens haar niet gekwalificeerd kunnen worden als bewoning, omdat ze daarvoor al vanuit het Verenigd Koninkrijk naar Servië was verhuisd om daar een bestaan op te bouwen. Zoals eerder geciteerd uit een verhoor (V03-01) heeft mevrouw [G] op een later tijdstip tegenover de FIOD verklaard dat zij in 2007 in de [J ADRES] is gaan wonen en in september of oktober 2009 naar Servië is verhuisd. Gezien de bevindingen uit ingestelde (derden)onderzoeken gaan we ervan uit dat hetgeen mevrouw [G] ten overstaan van de FIOD heeft verklaard correct is en dat zij eind 2009 richting Servië is vertrokken. Op basis van de verzamelde informatie is tevens voldoende aannemelijk geworden dat de heer [X] in die periode eveneens aan de [J ADRES] woonde. Wij zullen dit toelichten middels een aantal voorbeelden. Bij de woning aan de [J ADRES] is tevens één parkeerplaats in de ondergrondse parkeergarage verbonden. Vanaf januari 2007 huurt mevrouw [G] twee extra parkeerplaatsen in de desbetreffende garage. Mevrouw [G] heeft in de periode waarin ze tegenover de FIOD heeft verklaard aan de [J ADRES] te wonen, slechts één auto op haar naam gehad. In die periode had de heer [X] echter de beschikking over meerdere voertuigen. Deze omstandigheden en de hieronder weergegeven zaken maken voldoende aannemelijk dat de parkeerplaatsen zijn gehuurd met het oog op het stallen van auto’s van de heer [X] in de parkeergarage. Tevens is een derdenonderzoek ingesteld bij de Vereniging van Eigenaren, waaraan ook mevrouw [G] als eigenaar van de [J ADRES] is verbonden. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat buren in 2007 overlast ondervinden van het stallen van een motor voor de deur van de [J ADRES] . Mevrouw [G] heeft daarop schriftelijk gereageerd met de mededeling dat bij de koop van het huis de mogelijkheid om dichtbij huis een motor te kunnen parkeren een “essentialium” is geweest. In de algemene ledenvergadering van de VvE op 10 mei 2007 is het stallen van de “motor van de eigenaar van [J ADRES] ” aan de orde geweest. Meerdere eigenaren hebben, blijkens de notulen, geklaagd over het stallen van de motor. Mevrouw [G] heeft in antwoord op vragen van de Belastingdienst aangegeven dat zij niet over een motor danwel een motorrijbewijs beschikt. Aangezien de heer [X] wel over een motor beschikte in de desbetreffende periode, is onze conclusie dat de buren klaagden over de motor van de heer [X] . Overigens sluit dit aan op de mededeling van de heer [X] dat hij in verband met de geboorte van zijn zoon in 2007 regelmatig in Nederland verbleef. Op de dag van het uitreiken van de aanslagen en het beslaan van vermogensbestanddelen door de Ontvanger (14 december 2010), hebben medewerkers van de Belastingdienst gesproken met de huismeester (de heer [M] ) van het complex, waartoe [J ADRES] behoort. De huismeester wist, op vrijwillige basis, te vertellen dat de heer [X] en mevrouw [G] al een jaar of vijf op de [J ADRES] woonden. Hij gaf nadrukkelijk aan dat zij daar in zijn optiek altijd samen gewoond hebben, op een later moment werd hun zoontje geboren. Vanuit de bewoners is er irritatie geweest over de [A MERK] motor waarop de heer [X] reed. De heer [M] vertelde dat de heer [X] diverse auto’s heeft geparkeerd bij de [J ADRES] : een lichtblauw metalic [B MERK] , een witte oldtimer [B MERK] , een groene [C MERK] , een tweede [A MERK] motor, een zilvere [D MERK] (aangepast om een motor in te vervoeren) en een zilveren [E MERK] met grijs kenteken. De [D MERK] heeft, volgens de heer [M] korte tijd met reclamestickers van [A BEDRIJF] gereden. Volgens de heer [M] kreeg de heer [X] met deze voertuigen geregeld bekeuringen in verband met verkeerd parkeren van auto’s op het nabij de [J ADRES] gelegen [A STRAATNAAM] . Conclusie Op basis van voorgaande kan geconcludeerd worden dat de heer [X] , ondanks dat hij zich in 2003 heeft laten uitschrijven uit het [F ADRES] , dit pand in 2007 en 2008 huurde en aldus tot zijn beschikking had. Voorts achten wij, op basis van uitspraken van diverse getuigen, het voldoende aannemelijk dat de heer [X] in 2004 tot en met 2008 in Nederland woonde. Eerst aan de [A ADRES] , welke woonruimte door mevrouw [G] werd gehuurd. Later aan de [J ADRES] , welke woning in 2005 is gekocht door mevrouw [G] . Niet alleen uitspraken van getuigen, maar ook het feit dat mevrouw [G] extra parkeerplaatsen huurt, terwijl ze zelf maar één voertuig tot haar beschikking heeft en het feit dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de heer [X] een primair verblijfsadres had in het Verenigd Koninkrijk (paragraaf 2.3) en/of Servië (paragraaf 3.5), leiden tot de conclusie dat de heer [X] in die jaren als vaste woon- en verblijfplaats het adres van zijn partner had, dan wel het [F ADRES] . Hem stond in ieder geval in die jaren in Nederland woonruimte ter beschikking. Op basis van de zojuist beschreven feiten en omstandigheden rijst de vraag of de heer [X] Nederland in januari 2003 daadwerkelijk metterwoon heeft verlaten, zoals hij op zijn aangifte inkomstenbelasting over 2002 heeft aangegeven. Dit lijkt niet aannemelijk te zijn. 4.2 Mutaties bankrekening en creditcard Ten behoeve van het onderzoek naar de woonplaats van de heer [X] zijn bij [A BANK] bankafschriften en creditcardafrekeningen opgevraagd. Op de bank- en creditcardafschriften van de [A BANK] -rekening worden in de loop van de tijd verschillende adressen genoemd: Bankafschriften Adres Van Tot [F ADRES] 30 januari 2004 (eerst beschikbare afschrift) 9 maart 2005 [D ADRES] 11 april 2005 9 november 2006 [B ADRES] 11 december 2006 28 februari 2011 (laatste afschrift) Creditcard 1 Adres Van tot [F ADRES] 1 januari 2004 (eerst beschikbare afschrift) 1 februari 2005 [D ADRES] 30 maart 2005 30 maart 2005 (laatst beschikbare afschrift) Creditcard 2 Adres Van tot [F ADRES] 24 mei 2005 (eerste afschrift) 24 juni 2005 [D ADRES] 25 juli 2006 24 juli 2007 [B ADRES] 24 mei 2007 25 oktober 2010 (laatst beschikbare afschrift De PIN- en creditcardbetalingen op de bewuste rekening, respectievelijk creditcards zijn geanalyseerd, alsmede de stortingen op de bankrekening. Onze conclusie is dat er weinig van dergelijke mutaties plaatsvinden, vermoedelijk omdat de heer [X] over een grote hoeveelheid contanten van [A BEDRIJF] BV beschikt. Wij hebben de volgende PIN- en creditcardbetalingen geïnventariseerd: Bankrekening .004 2007 2008 2009 PIN-betalingen/stortingen NL 8 6 12 Opnames UK 5 Opnames Kroatië 3 Opnames Servië 1 Creditcard 2007 2008 2009 Betalingen NL 2 Nvt Betalingen UK 3 Nvt Betalingen Frankrijk 1 Nvt Betalingen Kroatië 4 Nvt Betalingen Duitsland 2 Nvt Wat betreft aankopen met de creditcard hebben wij internetaankopen buiten beschouwing gelaten, omdat deze niet te linken zijn aan een fysieke aanwezigheid in een land op een specifieke datum. Voorbeelden van dergelijke mutaties zijn Eurotunnelinternet en Google Adwords. Zoals gezegd is het aantal mutaties in de vorm van PIN-betalingen, opnames en gebruik van de creditcard beperkt. Echter ten aanzien van de mutaties in Nederland kan geconcludeerd worden dat de heer [X] die dagen in Nederland verbleef. 4.3 .3 Aankopen bij [D BEDRIJF] BV te Den Haag Bij [D BEDRIJF] BV is een derdenonderzoek ingesteld met onder andere als doel informatie te verzamelen ten behoeve van de woonplaats van de heer [X] . De heer [X] komt voor in het klantenbestand van [D BEDRIJF] BV met de volgende gegevens: [X] [B ADRES] [E-MAILADRES] [A TELEFOONNUMMER] [B TELEFOONNUMMER] Uit de administratie van [D BEDRIJF] komt naar voren dat de heer [X] bij [D BEDRIJF] BV diverse koopovereenkomsten heeft ondertekend, waarna de aangekochte motoren op de balans van [A BEDRIJF] of een andere rechtspersoon zijn geactiveerd. De door de heer [X] getekende documenten vermelden ook adresgegevens van de heer [X] : de bevestiging van een opdracht van levering van 8 april 2005 is gericht aan [X] , [F ADRES] ( [A KENTEKEN] ) De heer [X] tekent op 8 december 2007 een overeenkomst waarbij de [B KENTEKEN] wordt aangekocht en de [A KENTEKEN] wordt ingeruild. De heer [X] heeft regelmatig aankopen gedaan bij [D BEDRIJF] in de jaren 2007, 2008 en 2009, waarbij alle facturen gericht zijn aan [X] , [B ADRES] : Werkplaats Werkplaats-datum Kenteken Factuurdatum Betaling 09-03-2007 [A KENTEKEN] 09-03-2007 contant 27-06-2007 [A KENTEKEN] 03-07-2007 Op rekening 13-08-2007 [A KENTEKEN] 15-08-2007 Op rekening 19-09-2007 [A KENTEKEN] 19-09-2007 contant 10-04-2008 [C KENTEKEN] 11-04-2007 Op rekening 02-05-2008 [B KENTEKEN] 02-05-2008 Op rekening 02-05-2008 [B KENTEKEN] 02-05-2008 creditfactuur 26-05-2008 [C KENTEKEN] 29-05-2008 contant 14-4-2009 [B KENTEKEN] 14-04-2009 PIN 23-4-2009 [B KENTEKEN] 17-06-2009 Op rekening 22-9-2009 [B KENTEKEN] 22-9-2009 Op rekening Balie Factuurdatum Artikelen Betaling 14-05-2007 Anakee Op rekening 28-04-2008 Pakdrager contant 30-05-2008 Damen broek four seas. Maatwerk pin 14-06-2008 Motorolievuldop contant 12-07-2008 Binnentas contant 6-4-2009 Steady stand op rekening 28-4-2009 Jiffy verbreder contant 20-5-2009 Vizier, handschoen contant Gezien het feit dat de heer [X] op diverse data in 2007, 2008 en 2009 aankopen heeft gedaan bij [D BEDRIJF] en documenten heeft getekend, is onze constatering dat de heer [X] op de desbetreffende dagen in Nederland moet zijn geweest. Ten aanzien van de informatie verkregen bij [D BEDRIJF] BV zijn twee omstandigheden van belang. Allereerst dat het onderzoek is uitgevoerd in november 2009, waardoor niet alle gegevens over het jaar 2009 bij ons bekend zijn. Ten tweede is geconstateerd dat de facturen die betrekking hebben op motoren, welke bij [D BEDRIJF] zijn geregistreerd als motoren van [X] , vanaf mei 2009 aan [A BEDRIJF] BV worden gezonden en niet meer door de heer [X] zelf worden voldaan. Omdat de desbetreffende motor in gebruik was bij de heer [X] , zijn deze gegevens van belang, omdat werkzaamheden aan de motor op die dag erop duiden dat de heer [X] die dag in Nederland was. Facturen gericht aan [A BEDRIJF] BV, waarop geen melding is gemaakt van het kenteken zijn buiten beschouwing gelaten. 4.4 Bezoeken stadhuis Met het oog op de woonplaats van de heer [X] is een derdenonderzoek ingesteld bij de Gemeente Den Haag. Bij de gemeente is informatie verzameld over de woonadressen van de heer [X] en is tevens in kaart gebracht op welke data de heer [X] contact heeft gehad met de gemeente. Wat betreft de (aankomende) geboorte van [C] heeft de heer [X] een aantal malen een bezoek gebracht aan het stadhuis. Zo is op 18 december 2006 bij de gemeente de ongeboren vrucht erkend door de heer [X] . Op [DATUM] is een akte van geboorte opgemaakt, daarvoor heeft de heer [X] aangifte van geboorte moeten doen bij het stadhuis. Voor [C] is op 12 april 2007 een paspoort aangevraagd door mevrouw [G] . Het paspoort is afgehaald op 17 april 2007 door de heer [X] ; er is een machtigingsbriefje getekend door mevrouw [G] . Hieruit is af te leiden dat de heer [X] op [DATUM] en 17 april 2007 in Nederland moet zijn geweest. Op 14 april 2009 heeft de heer [X] bij de Gemeente Den Haag een spoedaanvraag gedaan voor een nieuw paspoort. Dit paspoort heeft de heer [X] op 23 april 2009, blijkens een ontvangstbewijs, in ontvangst genomen. Hieruit is af te leiden dat de heer [X] op 14 en 23 april 2009 in Nederland was. 4.5 Boetes Uit derdenonderzoek bij verzekeringsmaatschappij [A VERZEKERING] is ons bekend geworden dat de heer [X] gemeld heeft de regelmatige bestuurder te zijn van de volgende voertuigen: - [A KENTEKEN] - [B KENTEKEN] - [C KENTEKEN] - [D KENTEKEN] - [E KENTEKEN] - [F KENTEKEN] - [G KENTEKEN] - [H KENTEKEN] Uit de documentatie in het dossier is af te leiden dat een personeelslid van [A BEDRIJF] BV op 21 juli 2008 schade heeft gereden met de auto. Het schadeformulier is ingevuld door dit personeelslid, [N] , maar ondertekend door de heer [X] op 21 juli 2008. Op deze datum is de heer [X] aldus in Nederland aanwezig geweest. Op het formulier zijn ook de NAW-gegevens van de heer [X] ingevuld: [F ADRES] in Den Haag. Als correspondentieadres is aan [A VERZEKERING] opgegeven het [F ADRES] . De heer [X] heeft in de jaren 2007 en 2008 verschillende kentekens verzekerd. Wij vinden het opmerkelijk dat iemand die stelt niet in Nederland te wonen in die jaren, wel alle bovengenoemde kentekens (8 stuks) en de [E MERK] (niet bij [A VERZEKERING] ) met kenteken [I KENTEKEN] verzekert. Bij het CJIB te Leeuwarden zijn de met opgesomde kentekens en het kenteken [I KENTEKEN] gekregen boetes opgevraagd. Gebleken is dat in 2007, 2008 en 2009 de volgende boetes zijn gereden: - [C KENTEKEN] [A MERK] motor De heer [X] is op 16 november 2008 staande gehouden met deze motor. - [F KENTEKEN] [C MERK] Deze auto staat op naam van de heer [X] . Er zijn in de periode 24 mei 2007 tot en met maart 2009 drie bekeuringen uitgeschreven, waarvan twee op de [A STRAATNAAM] (nabij de woning aan de [J ADRES] ) voor verkeerd parkeren: Datum Plaats 24-5-2007 Utrecht 23-3-2009 [A STRAATNAAM] , Den Haag 25-3-2009 [A STRAATNAAM] , Den Haag Deze auto stond overigens op 14 december 2010 (de dag waarop de auto door de Belastingdienst in beslag genomen
  2. is)in de parkeergarage behorend bij [J ADRES] . In 2007 en 2008 is op dit kenteken de alleen een boete uitgeschreven d.d. 24 mei 2007. - [B KENTEKEN] [A MERK] Motor Op 14 juni 2009 is deze motor in Wassenaar bekeurd. - [J KENTEKEN] [D MERK] (lease en later eigendom [A BEDRIJF] ) In de periode van april 2008 tot en met november 2010 zijn er 30 bekeuringen uitgeschreven, waarvan 16 bekeuringen in verband met verkeerd parkeren op de [A STRAATNAAM] , de parkeerplaats behorend bij de [J ADRES] , het adres waar de heer [X] vermoedelijk gewoond heeft. In 2008 en 2009 betreft het de volgende data: Datum Plaats 22-4-2008 Den Haag 24-10-2008 Den Haag 9-1-2009 [A STRAATNAAM] , Den Haag 7-2-2009 [A STRAATNAAM] , Den Haag 18-2-2009 Den Haag 18-3-2009 [A STRAATNAAM] , Den Haag 23-3-2009 [A STRAATNAAM] , Den Haag 25-3-2009 [A STRAATNAAM] , Den Haag 30-3-2009 [A STRAATNAAM] , Den Haag 19-4-2009 [A STRAATNAAM] , Den Haag 10-7-2009 Leidschendam 15-7-2009 Den Haag 16-7-2009 [A STRAATNAAM] , Den Haag 24-7-2009 [A STRAATNAAM] , Den Haag 28-7-2009 Amsterdam 3-8-2009 Woerden 2-9-2009 Den Haag 19-9-2009 Amsterdam 27-9-2009 Den Haag 31-10-2009 Rotterdam 9-11-2009 Arnhem - [I KENTEKEN] [E MERK] (eigendom [A BEDRIJF] ) Aan dit kenteken zijn de volgende boetes gekoppeld: Datum Plaats 12-05-2008 Utrecht 17-05-2008 Utrecht 12-08-2008 Woerden & Utrecht 28-8-2008 Den haag 8-6-2009 Voorburg 24-6-2009 Wassenaar 6-11-2009 Amsterdam & Wassenaar Daar geconstateerd mag worden dat de heer [X] deze auto’s tot zijn beschikking heeft; - de heer [X] heeft dit geschreven in een brief naar collega Ostendorf ; - de heer [X] heeft dit verklaard in verhoren door twee medewerkers van de FIOD; - de kentekens [J KENTEKEN] en [I KENTEKEN] zijn door de heer [X] opgegeven aan ParkLine; - de heer [X] heeft de auto’s in privé verzekerd, mogen wij veronderstellen dat het de heer [X] is die op de bewuste data en tijdstippen de voertuigen bestuurde. Geconstateerd kan dan ook worden dat de heer [X] die dagen in Nederland was. 4.6 ANWB Naar aanleiding van betalingen door de heer [X] aan ANWB is een derdenonderzoek ingesteld gericht op de woonplaats van de heer [X] . De heer [X] komt in de systemen van de ANWB voor met de volgende gegevens: Geboortedatum: [GEBOORTEDATUM] Lidmaatschapnr: [B NUMMER] Adres per 23/1/2007: [B ADRES] (UK) Wegenwachtlid: Sinds 1-12-1993 Wegenwacht Europa Verzekeringen: geen Abonnementen: Promotor (sinds 1-12-1993) Pechmelding: 23-08-2008 Het adres per 23 januari 2007 is bovengenoemd adres. Voorafgaand aan die periode was het bij de ANWB bekende adres [D ADRES] . Alle correspondentie van de ANWB, zoals facturen en de Promotor, worden naar het bij de ANWB bekende adres gezonden. Tevens heeft de heer [X] op 23 augustus 2008 een pechmelding gedaan bij de ANWB. Hij deed deze melding op de [B STRAATNAAM] in Den Haag. Op deze datum was hij klaarblijkelijk in Nederland. 4.7 [A PROVIDER] Uit het derdenonderzoek bij ParkLine (zie 3.4.11) is gebleken dat de heer [X] in de periode maart 2008 tot en met augustus 2008 een ander mobiel nummer in gebruik heeft gehad. Dit betrof het nummer [C TELEFOONNUMMER] . Dit nummer was van 19 maart 2008 tot en met 7 augustus 2008 gekoppeld aan het account van de heer [X] bij ParkLine. Ten einde informatie te verzamelen over de woonplaats van de heer [X] is een derdenonderzoek ingesteld bij [A PROVIDER] . De kosten van het [A PROVIDER] -nummer zijn door [A BEDRIJF] BV betaald. De eerste gesprekken zijn volgens de facturen van [A PROVIDER] gevoerd op 3 maart 2008. Het nummer wordt tot de zomer van 2008 gebruikt. Met dit nummer wordt veel gebeld en/of geSMSed met het vaste nummers van [A BEDRIJF] , de heer [O] , mevrouw [G] , de heer [A] , maar ook met de moeder van mevrouw [G] , de moeder van de dochter van de heer [X] , [P] ( [E MERK] ), [D BEDRIJF] , [F BEDRIJF] verzekeringen en de heer [B] . Op basis van de gedetailleerde telefoonrekening is te concluderen dat de heer [X] voornamelijk in Nederland verblijft. Incidenteel belt hij vanuit het Verenigd Koninkrijk. In mei 2008 verblijft hij ruim een week in het Verenigd Koninkrijk en in juni 2008 circa 2 weken in (de omgeving van) Servië, waarbij aan de telefoonafrekeningen te zien is dat er gereisd wordt vanuit en weer terug naar Nederland. Als bijlage bij dit rapport is een overzicht opgenomen van de belbewegingen van de heer [X] met dit telefoonnummer in de periode maart 2008 tot en met juli 2008 (daarna wordt het nummer nauwelijks meer gebruikt). Onderstaande tabel geeft een overzicht van de bel- en sms-bewegingen aan de hand van de gespecificeerde rekeningen: [rechtbank: volgt een tabel met een overzicht van het aantal dagen waarop bel- en sms-bewegingen hebben plaatsgevonden met het [A PROVIDER] -nummer in de periode maart tot en met 27 juli 2008 vanuit Nederland dan wel vanuit andere landen, dat als volgt kan worden weergegeven: Maand land aantal dagen Maart 2008 meerdere landen 1 Nederland 28 niet bekend 2 April 2008 België 2 meerdere landen 2 Nederland 26 Mei 2008 Duitsland 1 meerdere landen 5 Nederland 19 niet bekend 1 VK 5 Juni 2008 Joegoslavië 7 meerdere landen 5 Nederland 12 niet bekend 6 1 t/m 27 juli 2008 meerdere landen 3 Nederland 15 niet bekend 9] Onze constatering is dat, nu dit nummer in de periode maart tot en met augustus aan de heer [X] gekoppeld kan worden, en er in die dagen veelvuldig vanuit Nederland wordt gebeld, de heer [X] die dagen in Nederland was. Dat Nederland zijn standplaats lijkt te zijn, blijkt ook uit de reisbewegingen: deze zijn altijd vanuit Nederland en men keert vrijwel altijd terug naar Nederland. Tevens is gebleken dat de heer [X] op 16 februari 2008 een contract voor het mobiele nummer [D TELEFOONNUMMER] heeft verlengd bij een [A PROVIDER] -winkel. Dit heeft hij gedaan namens [A BEDRIJF] . Ook op die dag was de heer [X] in Nederland. Opgemerkt wordt dat het desbetreffende telefoonnummer in die jaren in gebruik was bij mevrouw [G] . 4.8 [B PROVIDER] De heer [X] geeft in zijn brief van 14 juni 2011 aan dat hij het mobiele nummer [A TELEFOONNUMMER] gebruikt. Dit abonnement wordt betaald door Stichting [A STICHTING] . Uit ingestelde derdenonderzoek was dit nummer al eerder bij ons bekend als het mobiele nummer van de heer [X] . Uit derdenonderzoek bij [B PROVIDER] blijkt dat dit nummer van 7 juli 2000 tot en met 11 maart 2008 op naam van [X] , [A ADRES] stond. Vanaf 11 maart 2008 tot heden staat het abonnement op naam van Stichting [A STICHTING] , eveneens [A ADRES] . [B PROVIDER] heeft naar aanleiding van het derdenonderzoek de volgende facturen toegestuurd: - januari 2006 t/m maart 2010: gecomprimeerde facturen - april 2010 t/m maart 2011: gedetailleerde facturen De gecomprimeerde facturen geven het aantal gesprekken en SMS-berichten onderscheiden naar binnen- en buitenland (mcl. bedrag en tijdsduur). Op de gedetailleerde facturen is te zien met welke nummers er gebeld is en waar SMS berichten naar verzonden zijn. Ook is te zien vanuit welk land er gebeld is dan wel SMS berichten verstuurd zijn. Overigens is opvallend dat de heer [X] een abonnement heeft bij een Nederlandse provider. Waarom zou iemand een mobiel abonnement, waarop behoorlijk wat bel- en smsbewegingen plaatsvinden, in Nederland nemen, als hij/zij niet in Nederland woont? Vanuit kostenperspectief is dit geen logische beslissing. Zeker, gezien het aantal bel- en smsbewegingen dat met dit nummer plaatsvindt. De heer [X] heeft in correspondentie met de Belastingdienst aangegeven dat hij tevens beschikte over een Brits en Servisch mobiel nummer, maar dat dit prepaidaansluitingen betreffen. Er zijn geen bescheiden overgelegd, waaruit de omvang van de telefoongesprekken op deze aansluitingen blijken. Ondanks dat er slechts gecomprimeerde rekeningen zijn over de jaren 2007 tot en met 2009, is een analyse te maken van het belgedrag van de heer [X] met dit telefoonnummer in de bewuste jaren. Deze analyse levert een opvallend beeld op. In 2007 vond 28% van het totaal aantal gesprekken en sms-jes plaats in het buitenland en 72% in Nederland. In 2008 bedroegen deze percentages 12% respectievelijk 88%. In 2009 vond 82% van het aantal gesprekken en sms-jes in Nederland plaats en 18% in het buitenland. Door het frequente gebruik van het telefoonnummer in zowel Nederland als het buitenland, zijn deze percentages tot stand gekomen op basis van stabiele gegevens en niet gebaseerd zijn op enkele uitschieters in Nederland of het buitenland. Zo ligt in 2007 het totaal aantal gesprekken en sms-jes op 4422. In 2008 en 2009 ligt dit aantal op 2857 respectievelijk 3977. Uit de facturen van [B PROVIDER] is af te leiden dat de heer [X] elke maand in 2007, 2008 en 2009 zowel in Nederland als in/vanuit het buitenland belt/is gebeld dan wel berichten zijn verzonden danwel mb’s heeft verbruikt. Dit betekent dat de bewering van de heer [X] in zijn brief van 14 juni 2011 dat hij een of twee keer per drie maanden naar Nederland komt en bij elkaar opgeteld niet meer dan 30 nachten per jaar verblijft, niet ondersteund wordt door de telefoonrekeningen. Datzelfde geldt voor de uitspraak van de heer [B] dat [X] nauwelijks in Nederland verbleef in 2009. Het is niet aannemelijk dat in 2007 de 3197 gesprekken/sms-jes hebben plaatsgevonden/zijn verzonden in maximaal 30 nachten. Dit geldt ons inziens ook voor het jaar 2008. Het is in onze visie onvoldoende aannemelijk dat in 2008 de 2524 gesprekken/sms-jes hebben plaatsgevonden/zijn verzonden in maximaal 30 nachten. Ten aanzien van 2009 is aangegeven dat de heer [X] nauwelijks in Nederland zou zijn. De constatering dat in dat jaar 3256 uitgaande gesprekken zijn gevoerd danwel sms-jes verzonden vanuit Nederland in verhouding tot 721 inkomende en uitgaande gesprekken danwel sms-jes vanuit het buitenland, maakt die stelling onvoldoende aannemelijk. Voor de volledigheid merken wij op dat onder “binnenland” alleen uitgaand bel- en smsverkeer wordt gerekend en onder “buitenland” zowel inkomend als uitgaand bel- en smsverkeer. In zoverre is het beeld nog enigszins vertekend, in die zin dat als het inkomende bel- en smsverkeer in Nederland erbij opgeteld zou worden, het aandeel binnenland nog hoger zou komen te liggen. 4.9 Dokter en ziekenhuis Naar aanleiding van betalingen door mevrouw [G] aan huisarts [E] is bij deze huisarts een derdenonderzoek ingesteld gericht op de woonplaats van de heer [X] . In het systeem van de dokter komt een mijnheer [X] voor. Het adres en geboortedatum zijn echter gelijk aan die van de heer [X] : [X] [B ADRES] [GEBOORTEDATUM] Volgens het systeem van de huisarts heeft de heer [X] in 2008 op de volgende data een bezoek gebracht aan de praktijk. Hierbij heeft de heer [X] contant een passanten tarief afgerekend: - 8-12-2008 - 11-11-2008 - 29-8-2008 ( in het systeem staat dit geregistreerd onder het account van mevrouw [G] , volgens de huisarts betrof dit echter een bezoek van de heer [X] ). Gesteld kan worden dat de heer [X] op deze dagen in ieder geval in Nederland was. Naar aanleiding van betalingen door de heer [X] aan ziekenhuis [NAAM ZIEKENHUIS] is aldaar een derdenonderzoek ingesteld. Bij [NAAM ZIEKENHUIS] zijn de stamgegevens en de uitgereikte facturen en bankrekeningnummers waarvan betaling heeft plaatsgevonden opgevraagd. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat door ons geen andere gegevens zijn opgevraagd en ook geen andere dan de opgevraagde gegevens zijn verstrekt door [NAAM ZIEKENHUIS] . Bij [NAAM ZIEKENHUIS] is de heer [X] geregistreerd met de volgende NAW-gegevens: Geb [GEBOORTEDATUM] [B ADRES] Engeland Tel: [A TELEFOONNUMMER] Er is geen zorgverzekeraar bekend. Huisarts: [E] Ingangsdatum: 1-1-2008 [NAAM ZIEKENHUIS] heeft een kopie van twee facturen van respectievelijk 28 oktober 2008 en 24 februari 2009 aan de heer [X] overhandigd. De behandelingen hebben blijkens de facturen plaatsgevonden op 9 oktober 2008 en 17 december 2008. Geconcludeerd kan worden dat de heer [X] in 2008 jegens het behandelend ziekenhuis een adres in het Verenigd Koninkrijk opgeeft als woonadres. Uit de overhandigde facturen valt op te maken dat de heer [X] in ieder geval op 9 oktober 2008 en 17 december 2008 in Nederland was om een behandeling te ondergaan. 4.10 Lidmaatschap [A MERK] Motorbegeleidingsteam Uit mutaties op de bankrekening van de heer [X] is gebleken dat hij betrokken is bij een vereniging: [A MERK] Motorbegeleidingsteam. Bij deze vereniging is een derdenonderzoek ingesteld met als doel informatie te vergaren over de woonplaats van de heer [X] . Na het opleggen van de aanslag op 14 december 2010 is door de Belastingdienst een derdenonderzoek ingesteld bij [A MERK] Motorbegeleidingsteam. Uit dit derdenonderzoek is naar voren gekomen dat de heer [X] (tenminste) in de jaren 2007 tot en met 2010 actief lid is geweest van het [A MERK] Motorbegeleidingsteam. De heer [X] heeft bij de vereniging de volgende contactgegevens achtergelaten: - Ledenlijst 2007 tot en met 2009 De heer [X] staat op de ledenlijsten 2007 tot en met augustus 2009 van het [A MERK] Motorbegeleidingsteam met de volgende gegevens: [G ADRES] [A TELEFOONNUMMER] [E-MAILADRES] Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat dit het pand is, dat tot en met 2004 door mevrouw [G] werd gehuurd. - Ledenlijst juni en augustus 2009 Motor gegevens: type Kenteken bouwjr meldc. [A TYPE] [B KENTEKEN] 2005 1080 Verzekeringsgegevens: verz. mij. soort verz. waarde [B VERZEKERING] bep.c. datum in Basis verkeersr. jasje 15-11-2003 23-11-2003 volledig ja - Ledenlijst 22 februari 2011 Op de meest recent ontvangen ledenlijst, welke op 22 februari 2011 is ontvangen, is het adres [B ADRES] genoemd als adres van de heer [X] . Het mobiele nummer en het emailadres zijn ongewijzigd. De motor met kenteken [B KENTEKEN] staat nog in de lijst. De motor met kenteken [B KENTEKEN] staat van 9-4-2008 tot en met 17-03-2011 op naam van KMAR Motorbegeleidingsteam CV en is door de heer [X] verzekerd bij [A VERZEKERING] . Uit verhoren afgenomen door twee opsporingsambtenaren van de FIOD en correspondentie met de Belastingdienst blijkt dat deze motor door [A BEDRIJF] BV aan de heer [X] ter beschikking is gesteld. De heer [X] is in de onderzochte jaren 2007 tot en met 2010 actief lid, wat tot uitdrukking komt in het aantal malen dat hij deelneemt aan een motortour en het aantal vergaderingen dat hij bezoekt. In 2007 heeft de heer [X] deelgenomen aan de volgende activiteiten van de motorclub: Datum Evenement [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2007 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2007 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2007 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2007 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2007 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2007 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2007 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2007 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2007 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2007 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2007 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2007 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2007 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2007 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2007 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2007 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2007 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2007 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2007 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2007 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2007 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2007 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2007 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2007 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2007 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2007 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2007 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2007 IN NEDERLAND] In 2008 heeft de heer [X] deelgenomen aan de volgende activiteiten van de club: Datum Evenement [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2008 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2008 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2008 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2008 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2008 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2008 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2008 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2008 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2008 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2008 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2008 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2008 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2008 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2008 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2008 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2008 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2008 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2008 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2008 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2008 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2008 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2008 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2008 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2008 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2008 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2008 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2008 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2008 IN NEDERLAND] In 2009 heeft de heer [X] deelgenomen aan de volgende activiteiten van de motorclub: Datum Evenement [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2009 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2009 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2009 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2009 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2009 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2009 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2009 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2009 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2009 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2009 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2009 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2009 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2009 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2009 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2009 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2009 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2009 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2009 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2009 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2009 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2009 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2009 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2009 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2009 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2009 IN NEDERLAND] [DIVERSE EVENEMENTEN IN 2009 IN NEDERLAND] Op deze dagen in de jaren 2007 tot en met 2009 was de heer [X] aldus in Nederland aanwezig. 4.17 Parkeerbewegingen in Nederland Uit mutaties op de bankrekening van de heer [X] is gebleken dat hij gebruik maakt van de diensten van ParkLine ten behoeve van betaald parkeren in Nederland. Om meer informatie te verzamelen over de woonplaats van de heer [X] is, na het opleggen van de aanslagen, een derdenonderzoek ingesteld. Indien iemand een abonnement bij Parkline heeft, dient de klant het mobiele nummer waarmee wordt ingebeld door te geven aan ParkLine. Iedere klant heeft een TPK-transponderkaart (een pasje). ParkLine houdt per TPK bij welke parkeerbewegingen er zijn. Uit het derdenonderzoek is naar voren gekomen dat de heer [X] bij ParkLine met de volgende gegevens geregistreerd staat: Start abonnement: 21 maart 2002 Adres t/m factuur van 2 maart 2008: [F ADRES] Adres sinds factuur van 3 april 2008: [B ADRES] [C TELEFOONNUMMER] [A TELEFOONNUMMER] email: rekening: [A REKENINGNUMMER] De heer [X] heeft bij ParkLine zijn gegevens een aantal malen gewijzigd: - 27 juni 2009: kenteken gewijzigd van [I KENTEKEN] naar [J KENTEKEN] via een SMS van [A TELEFOONNUMMER] ; - 8 september 2009: kenteken gewijzigd van [J KENTEKEN] naar [I KENTEKEN] , via een SMS van [A TELEFOONNUMMER] ; - 17 mei 2010: abonnementsvorm gewijzigd van per maand naar per parkeeractie met ingang van 1 juni 2010; - op 9 juni 2010 is parkeerkaart 224152 vervangen door 467334, dit in verband met vermissing. Ten behoeve van de vervanging van de parkeerkaart heeft de heer [X] twee telefoontjes gepleegd met ParkLine. Deze gesprekken zijn door ParkLine opgenomen. Wij hebben deze opnamen van ParkLine ontvangen. Uit het gesprek op 17 mei 2010 blijkt dat de heer [X] zijn parkeerkaart kwijt is en een nieuwe wenst te ontvangen. Deze moet worden opgestuurd naar het adres in het Verenigd Koninkrijk. Ons valt aan dit gesprek op dat de heer [X] ruim anderhalve minuut nodig heeft om zich de postcode van dit adres te herinneren. Dit roept bij ons de vraag op of de heer [X] feitelijk op dat adres woont. In het gesprek geeft hij nog aan dat alles gestolen is (paspoort etc) en dat hij voorlopig niet kan internetten. Het maandabonnement wordt omgezet in een abonnement betalen per parkeeractie. In het systeem van Parkline gaat dit per 31 mei 2010 in. Vervolgens vindt een gesprek plaats op 9 juni 2010. De heer [X] geeft aan dat hij in Nederland is en zijn parkeerkaart nog steeds niet ontvangen heeft. Hij heeft gebruik gemaakt van het aanbod de kaart dezelfde dag nog op te halen in Den Haag. De heer [X] heeft in de jaren 2007, 2008 en 2009 regelmatig gebruik gemaakt van de Parkline parkeerkaart: Maand jaar #dagen 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 geparkeerd 2007 29 3 12 1 1 2 1 1 4 2 2 2008 14 5 2 1 1 1 1 1 2 2009 11 1 2 1 3 3 1 2 1 Ten aanzien van het mobiele nummer [C TELEFOONNUMMER] is te zien dat de heer [X] deze ten behoeve van Parkline enkel gebruikt heeft in de periode van 19 maart 2008 t/m 7 augustus 2008. Voor en na deze periode gebruikt de heer [X] het telefoonnummer [A TELEFOONNUMMER] . Op basis van de parkeerbewegingen kan worden geconstateerd dat de heer [X] in ieder geval in 2007 29 dagen in Nederland was, in 2008 14 dagen en in 2009 11 dagen. 4.12 [G BEDRIJF] Uit een ingesteld derdenonderzoek bij [G BEDRIJF] is gebleken dat de gegevens van de heer [X] zijn opgenomen in het kader van de aanschaf van een [D MERK] met kenteken [J KENTEKEN] . De auto is in gebruik bij de heer [X] . Uit gegevens van [G BEDRIJF] blijkt dat op 19 september 2009 pechhulp is verleend op een adres nabij de Boulevard van Scheveningen. Gezien het feit dat de [J ADRES] vrijwel grenst aan de boulevard en de auto in gebruik is bij de heer [X] , gaan wij ervan uit dat deze melding is gedaan door de heer [X] en dat hij deze dag in Nederland aanwezig was. 4.13 [E BEDRIJF] Op 9 februari 2009 heeft de heer [X] een bezoek gebracht aan [E BEDRIJF] en een contract afgesloten voor de huur van een opslagbox. Op 20 juli 2009 is er een grotere box gehuurd. Elke klant dient een formulier met NAW-gegevens in te vullen. De heer [X] heeft de volgende gegevens ingevuld: [X] [B ADRES] Telefoonnummer 1: [A TELEFOONNUMMER] Telefoonnummer 2: [B TELEFOONNUMMER] Mail: [E-MAILADRES] In het systeem is het volgende vastgelegd over de aard van de opslag:”Dhr [X] huurt [C NUMMER] voor de opslag van huisraad uit zijn appartement hier (hij woont zelf nu in engeland) en nog spullen van bedrijf van zijn vriend. Hij wil geen automatische incasso maar maakt er een automatische maandelijkse overboeking van.” Het is opvallend dat de heer [X] in februari 2009 bij de huur van een box een adres opgeeft in het Verenigd Koninkrijk en aangeeft zelf in Engeland te wonen, terwijl hij richting de Belastingdienst aangeeft in 2009 in Servië te hebben gewoond. [E BEDRIJF] reikt aan klanten een pas uit, waarmee klanten gedurende de openingstijden toegang hebben tot het pand en de gehuurde ruimte. Ook worden bezoeken van klanten geregistreerd. Hieruit blijkt dat de heer [X] op de volgende dagen in 2009 een bezoek heeft gebracht aan de opslagruimte: Maand jaar #dagen 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 bezocht 2009 38 8 3 3 1 4 4 8 2 2 3 4.14 Partner en kinderen Uit diverse derdenonderzoeken is gebleken dat de partner van de heer [X] , mevrouw [G] tot en met 2009 woonde in Nederland. Deze bevindingen sluiten aan bij hetgeen mevrouw [G] heeft verklaard tegenover twee opsporingsambtenaren van de FIOD; dat zij in 2007 en 2008 in Nederland woonde en eind 2009 naar Servië is verhuisd. Tevens blijkt dat uit de door mevrouw [G] met de Belastingdienst gesloten vaststellingsovereenkomst van 22 april 2013. Mevrouw [G] is in [MAAND EN JAARTAL] van [C] , de zoon van de heer [X] , bevallen. De heer [X] heeft tevens een dochter, [Q] , die ook in Nederland woont. Volgens de gegevens in BVR heeft zij altijd in de [L ADRES] gewoond. Zij woont daar anno 2013 nog steeds. 4.15 Bankrekening [B BANK] Tijdens de bezwaarfase heeft de heer [X] afschriften overhandigd van een, op zijn naam gestelde, bankrekening bij de Britse bank [B BANK] . Op deze rekening zijn een aantal mutaties die duiden op aanwezigheid in het Verenigd Koninkrijk, zoals stortingen, opnamen en betalingen met de bankpas. Wij hebben geconstateerd dat op een aantal dagen mutaties op de bankrekening zijn, die duiden op aanwezigheid in het Verenigd Koninkrijk, terwijl uit derdenonderzoek gebleken is dat de heer [X] die dag in Nederland was. Bijvoorbeeld op 30 april 2007. Op die dag was de heer [X] motorbegeleider voor een koninginnedag-evenement. Tegelijkertijd zijn er op de bankrekening met rentedatum 30 april 2007 twee betalingen met de bankpas. Hieruit leiden wij af dat de datum die op de bankafschriften van [B BANK] is vermeld, niet altijd de feitelijke datum van de daadwerkelijke betaling is. Ook is mogelijk dat de bankpas door iemand anders dan de heer [X] gebruikt is. Uit de bankafschriften blijkt dat de heer [X] een aantal dagen in het Verenigd Koninkrijk was in 2007 tot en met 2009: Maand jaar #dagen 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 mutaties UK 2007 22 8 0 3 3 1 3 2 1 0 0 1 0 2008 9 0 1 1 0 0 0 1 1 0 3 0 2 2009 17 0 0 0 3 2 1 4 0 1 2 3 1 NB voor 2010 hebben we gegevens ontvangen tot en met februari 2010; in januari en februari is er elke maand 1 mutatie die duidt op aanwezigheid in het Verenigd Koninkrijk. 4.16 Samenvatting Op basis van de ingestelde derdenonderzoeken en de informatie verstrekt door de heer [X] en mevrouw [G] zelf, hebben wij een schema opgesteld waarin is aangegeven of de heer [X] in de jaren 2007, 2008 en 2009 in Nederland of in het buitenland verbleef. (…) Van de dagen die wij hebben kunnen duiden (…) blijkt dat de heer [X] het merendeel in Nederland verbleef. Dit schema levert het volgende beeld op: (…) [rechtbank: volgt een schema waarin de aanwezigheid van eiser (in Nederland, buitenland dan wel onbekend) het jaar 2008 staat vermeld, dat als volgt kan worden weergegeven: 2008 in Nederland in buitenland Onbekend januari 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31 februari 6, 12, 16, 17, 20, 27 1, 2, 3, 4, 5, 7, 8, 9, 10, 11, 13, 14, 15, 18, 19, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 28, 29 maart 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 26, 27, 28, 29, 30, 31 25 april 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 27, 28, 29, 30 24, 25, 26 mei 1, 2, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 26, 27, 28, 29, 30, 31 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 25 juni 1, 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 24, 25, 26, 28, 30 7, 22, 23, 27, 29 juli 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 19, 20, 21, 22 1, 3, 4, 18 2, 5, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31 augustus 6, 7, 12, 23, 28, 29, 31 1, 2, 3, 4, 5, 8, 9, 10, 11, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 24, 25, 26, 27, 30 september 21, 26, 28 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 22, 23, 24, 25, 27, 29, 30 oktober 9, 24, 31 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 25, 26, 27, 28, 29, 30 november 11, 16, 22 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 12, 13, 14, 15, 17, 18, 19, 20, 21, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30 december 8, 15, 17 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 16, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31 ] Ten aanzien van het jaar 2008 merken wij op dat wij aan de hand van de bankafschriften van de [B BANK] -rekening van de heer [X] geconstateerd hebben, dat hij in 2008 9 dagen in het Verenigd Koninkrijk aanwezig was. Omdat wij de exacte datum van de mutaties niet vast hebben kunnen stellen, zijn deze dagen niet in bovenstaand schema verwerkt. [rechtbank: volgt een schema waarin de aanwezigheid van eiser (in Nederland, buitenland dan wel onbekend) in het jaar 2009 staat vermeld, dat als volgt kan worden weergegeven: 2009 in Nederland in buitenland Onbekend januari 6, 9 1, 2, 3, 4, 5, 7, 8, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31 februari 3, 7, 9, 10, 11, 12, 13, 18, 23, 26 1, 2, 4, 5, 6, 8, 14, 15, 16, 17, 19, 20, 21, 22, 24, 25, 27, 28 maart 7, 10, 13, 18, 21, 23, 25, 26, 27, 29, 30 1, 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9, 11, 12, 14, 15, 16, 17, 19, 20, 22, 24, 28, 31 april 3, 4, 6, 9, 14, 17, 19, 23, 26, 28, 30 1, 2, 5, 7, 8, 10, 11, 12, 13, 15, 16, 18, 20, 21, 22, 24, 25, 27, 29 mei 9, 17, 20 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 18, 19, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31 juni 5, 8, 12, 14, 15, 24, 27 1, 2, 3, 4, 6, 7, 9, 10, 11, 13, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 25, 26, 28, 29, 30 juli 6, 10, 11, 12, 15, 16, 18, 20, 22, 24, 25, 28 1, 2, 3, 4, 5, 7, 8, 9, 13, 14, 17, 19, 21, 23, 26, 27, 29, 30, 31 augustus 2, 3, 6, 12, 16, 18, 23, 31 1, 4, 5, 7, 8, 9, 10, 11, 13, 14, 15, 17, 19, 20, 21, 22, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30 september 1, 2, 3, 4, 8, 9, 15, 16, 19, 22, 23, 27, 28 5, 6, 7, 10, 11, 12, 13, 14, 17, 18, 20, 21, 24, 25, 26, 29, 30 oktober 2, 29, 31 1, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 30 november 4, 6, 9, 26 1, 2, 3, 5, 7, 8, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 27, 28, 29, 30 december 2, 23, 27, 28 1, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 24, 25, 26, 29, 30, 31 Ten aanzien van het jaar 2009 merken wij op dat wij aan de hand van de bankafschriften van de [B BANK] -rekening van de heer [X] geconstateerd hebben, dat hij in 2009 17 dagen in het Verenigd Koninkrijk aanwezig was. Omdat wij de exacte datum van de mutaties niet vast hebben kunnen stellen, zijn deze dagen niet in bovenstaand schema verwerkt. 5Conclusie woonplaats Bij het opleggen van de aanslag IB 2007 en 2006 is de Belastingdienst ervan uitgegaan dat de heer [X] woonachtig was in het Verenigd Koninkrijk. Naar aanleiding van het gemaakte bezwaar is nader onderzoek verricht naar de woonplaats van de heer [X] . Hierbij is tevens informatie betrokken welke is verkregen uit het door de FIOD ingestelde strafrechtelijke onderzoek. Bij het opleggen van de aanslag inkomstenbelasting 2009 is uitgegaan van een binnenlandse belastingplicht. In reactie op het voornemen tot het opleggen van deze ambtshalve aanslag is aangegeven dat de heer [X] in dat jaar nauwelijks in Nederland was en in Servië woonde. Op basis van dezelfde gegevens is eind 2012 een navordering IB 2007 en 2008 opgelegd op basis van een binnenlandse belastingplicht. In correspondentie met de Belastingdienst geven zowel de heer [B] als de heer [X] aan dat de heer [X] in 2007 en 2008 niet in het Verenigd Koninkrijk heeft gewoond. Deze uitspraken worden ons inziens bevestigd middels bevindingen welke wij hebben verkregen uit (na 14 december 2010) ingestelde derdenonderzoeken en de verklaringen van betrokkenen tegenover de FIOD dat de heer [X] ergens in 2006 of 2007 een adres in Servië heeft, dat bij de Servische overheid als zijn adres bekend is. De heer [X] geeft aan dat hij in ieder geval vanaf 2007 verblijft aan de [Z] , als hij niet in het Verenigd Koninkrijk verblijft. Met uitzondering van drie of vier maanden na de geboorte van zoon [C] op [B GEBOORTDATUM] . In die periode verbleef hij voornamelijk aan de [J ADRES] in Nederland. Tegelijkertijd stelt de heer [X] dat hij ervoor waakt om meer dan 90 dagen in het Verenigd Koninkrijk te verblijven. Dit duidt erop dat de heer [X] meent te zeggen dat hij feitelijk in Servië verblijft vanaf 2007, met uitzondering van de geschetste periode van drie tot vier maanden na de geboorte van zijn zoon. Ons inziens is echter onvoldoende aannemelijk geworden dat de heer [X] in 2007, 2008 en 2009 in Servië woonachtig was:  de heer [X] heeft in Nederland bij diverse bedrijven en instanties een woonadres opgegeven, welk adres ook betrekking heeft op de jaren 2007 en 2008. Geen enkele keer hebben wij geconstateerd dat daarbij een adres in Servië opgegeven.  de heer [X] kan geen documentatie overhandigen waaruit blijkt dat hij in 2007 en/of 2008 woonruimte tot zijn beschikking had in Servië. Hij zou kunnen verblijven in een door mevrouw [G] gehuurde woning. Mevrouw [G] heeft echter tegenover de FIOD verklaard dat zij eind 2009 definitief naar Servië is vertrokken en in 2007 en 2008 voornamelijk in Nederland verbleef. Uit haar bankrekening blijken geen betalingen van huur van een pand in Servië.  de heer [X] en mevrouw [G] hebben in de zomer van 2008 enkele weken in een hotel in [A PLAATS] hebben verbleven. Dit hotel bevond zich op nog geen acht kilometer van de door [X] beschreven woonadressen van hemzelf en/of mevrouw [G] . De reis naar Servië vond plaats vanuit Nederland. Na afloop van het verblijf is men ook teruggereisd naar Nederland.  de heer [X] kan geen enkel document overhandigen waaruit blijkt dat in 2007 en 2008 een aanvraag voor een permanente verblijfstatus in behandeling was. Slechts een tijdelijk visum voor het voorjaar van 2011 is ons overhandigd. Ook staat vast dat de heer [X] in Servië geen belasting betaalt over zijn (wereld)inkomen. De heer [X] stelt dat hij, afgezien van enkele maanden in 2007, hooguit 30 nachten per jaar in Nederland verblijft. In 2009 zou hij nauwelijks in Nederland zijn geweest. Gezien de centrale plaats die Nederland inneemt in het leven van de heer [X] achten wij dit onvoldoende aannemelijk:  De partner van de heer [X] en zijn kinderen woonden in 2007, 2008 en 2009 in Nederland;  De heer [X] huurt in de bewuste jaren een woning in Nederland aan het [F ADRES] in Nederland. Ook staat hem de woning aan de [J ADRES] , eigendom van zijn partner, ter beschikking;  Voormalig werknemers van [A BEDRIJF] gaven aan dat hij in 2004, 2005 en 2006 in Nederland woonde, terwijl hij wilde doen voorkomen dat hij in het Verenigd Koninkrijk woonde;  De heer [X] veroorzaakte in 2007 overlast in de [J ADRES] met het stallen van zijn motor;  De hobby van de heer [X] is auto’s en motoren. De heer [X] heeft de beschikking over een groot aantal Nederlandse kentekens, welke hij in privé heeft verzekerd. Dit betreft ook voertuigen welke niet op zijn naam staan. Ook is hij actief lid van een motorclub in Nederland. Uit de boetes die met de kentekens gereden worden is aannemelijk dat de heer [X] regelmatig in Nederland rijdt. De heer [X] heeft tevens in Nederland een abonnement op de Wegenwacht;  De heer [X] heeft een abonnement bij ParkLine ten behoeve van parkeren in Nederland, hieruit blijken een behoorlijk aantal parkeerbewegingen in Nederland;  De heer [X] beschikt over een Nederlands mobiel abonnement. Hiermee wordt behoorlijk veel gebeld en dan met name vanuit Nederland. In 2007 is van de in totaal 4443 gesprekken/sms-jes 3197 gesprekken/sms-jes in Nederland verbruikt. In 2008 bedragen deze aantallen 2875 respectievelijk 2542. In de eerste helft van 2008 maakte de heer [X] daarnaast gebruik van een mobiel abonnement van [A PROVIDER] , uit de gedetailleerde facturen is af te leiden dat de heer [X] in die periode hoofdzakelijk in Nederland verbleef. In 2009 liggen deze aantallen op 3256 versus 721.  Dokters- en ziekenhuisbezoek heeft in 2008 in Nederland plaatsgevonden. Middels diverse derdenonderzoeken hebben wij gepoogd inzicht te krijgen in de dagen dat de heer [X] in Nederland danwel het buitenland verbleef. Het bleek niet mogelijk om van alle dagen in 2007, 2008 en 2009 in kaart te brengen waar de heer [X] verbleef. Over het jaar 2007 hebben wij dit van 69 dagen vast kunnen stellen: 57 dagen in Nederland en 12 in het buitenland. Daarnaast hebben wij geconstateerd dat er sprake was van 22 dagen in het Verenigd Koninkrijk, daarvan kunnen wij echter niet de exacte datum vaststellen. De heer [X] heeft zelf aangegeven dat hij in verband met de geboorte van zijn zoon in 2007 drie tot vier maanden voornamelijk in Nederland heeft doorgebracht. Voor 2008 hebben wij 161 dagen kunnen vaststellen, waarvan er 132 in Nederland zijn doorgebracht en 29 in het buitenland. Daarnaast hebben wij geconstateerd dat er sprake was van 9 dagen in het Verenigd Koninkrijk, daarvan kunnen wij echter niet de exacte datum vaststellen. Ten aanzien van 2009 hebben wij 88 dagen kunnen vaststellen, welke allemaal betrekking hebben op activiteiten in Nederland. Daarnaast hebben wij geconstateerd dat er sprake was van 17 dagen in het Verenigd Koninkrijk, daarvan kunnen wij echter niet de exacte datum vaststellen. Tevens hebben wij op basis van belgedrag van de heer [X] vastgesteld dat hij in 2007, 2008 en 2009 hoofdzakelijk in Nederland gebeld heeft. Gezien het aantal gesprekken en sms-jes, dat in Nederland verbruikt is, is voldoende aannemelijk dat de heer [X] hoofdzakelijk in Nederland verbleef. Samengevat is onze conclusie dat bij het opleggen van de aanslag IB 2008 ten onrechte uit gegaan is van het Verenigd Koninkrijk als woonplaats. Ons inziens is voldoende aannemelijk dat de heer [X] in 2007, 2008 en 2009 woonachtig was in Nederland, mede doordat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de heer [X] in het Verenigd Koninkrijk en/of Servië heeft gewoond. De heer [X] heeft geen bescheiden kunnen overhandigen, waaruit blijkt dat hij in deze landen heeft gewoond. Uit derdenonderzoeken blijkt dat de heer [X] absoluut meer in Nederland verblijft dat de 30 nachten die hij stelt maximaal in Nederland te verblijven. Wij concluderen dan ook dat voldoende aannemelijk is dat de heer [X] in 2007 en 2008 voornamelijk in Nederland heeft verbleven.” 13. Ter zitting heeft verweerder in aanvulling op onderdeel 4.16 van het woonplaatsmemo een schema overgelegd van de plaatsen waar eiser in 2007 op basis van verkregen informatie moet hebben verbleven. Het schema is aangevuld op basis van nadere, door eiser gegeven informatie. Verweerder heeft dit als volgt toegelicht: “Hieronder heb ik opgenomen een nieuwe woonplaatskalender, waarbij ik de input van de gemachtigde voor zover zij aanleiding gaf te veronderstellen dat eiser een bepaalde extra dag in het Verenigd Koninkrijk verbleef, heb geoormerkt [dikgedrukt]. Dat heeft elf nieuwe dagen in het Verenigd Koninkrijk opgeleverd, waarvan zes dagen aansluiten bij de periodes waarin eiser volgens de belastingdienst vakantie aan het vieren was in het Verenigd Koninkrijk.” Dit schema kan als volgt worden weergegeven: 2007 in Nederland in buitenland onbekend januari 9, 13, 14, 25, 30 8 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 10, 11, 12, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 26, 27, 28, 29, 31 februari 1, 2, 5, 6, 9, 10, 13, 16, 18, 23, 26, 27 3, 4, 7, 8, 11, 12, 14, 15, 17, 19, 20, 21, 22, 24, 25, 28 maart 5, 8, 9, 12, 17, 31 26 1, 2, 3, 4, 6, 7, 10, 11, 13, 14, 15, 16, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 27, 28, 29, 30 april 12, 17, 22, 30 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 13, 14, 15, 16, 18, 19, 20, 21, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29 mei 6, 8, 12, 14, 16, 24, 29 26 1, 2, 3, 4, 5, 7, 9, 10, 11, 13, 15, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 25, 27, 28, 30, 31 juni 1, 2, 27 15, 18, 19 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 16, 17, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 28, 29, 30 juli 10, 11, 12, 14, 20 2, 16, 24, 25, 29, 30, 31 1, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 13, 15, 17, 18, 19, 21, 22, 23, 26, 27, 28 augustus 13, 28 1, 2, 3, 6, 8 4, 5, 7, 9, 10, 11, 12, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 29, 30, 31 september 18, 19 1, 6, 8, 10, 13 2, 3, 4, 5, 7, 9, 11, 12, 14, 15, 16, 17, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30 oktober 7, 16, 18, 19, 25 1, 2, 3, 4, 5, 6, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 17, 20, 21, 22, 23, 24, 26, 27, 28, 29, 30, 31 november 21, 22, 24 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 23, 25, 26, 27, 28, 29, 30 december 8, 13, 23 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 9, 10, 11, 12, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30 Verweerder heeft hierover gezegd: “ Ook uit deze aangepaste kalenders blijkt nog steeds dat eiser slechts korte periodes in het Verenigd Koninkrijk verbleef.” 14. Eiser heeft vanaf 2003 de huur betaald van een pand aan het [F ADRES] . 15. Er is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld waarbij eiser is aangemerkt als verdachte. Eiser heeft in het kader van dat onderzoek over het beschikken van gelden uit de kluis van [C BEDRIJF] tegenover de FIOD op 9 november en op 2 en 14 december 2011 het volgende verklaard: “Mijn inkomsten bestaan uit de opbrengsten van de door mij of [C BEDRIJF] verkochte vennootschappen. [A BEDRIJF] incasseert het geld en vervolgens haal ik het contante geld uit de kluis en verder maakt [A BEDRIJF] per bank geld aan mij over en aan [C BEDRIJF] . Kijk maar door [C BEDRIJF] heen, dat is gewoon [X] , [X] en [C BEDRIJF] zijn gewoon één. Zoals ik al zei, [C BEDRIJF] is mijn vehikel.” (verklaring V02-02) en “ [C BEDRIJF] Ltd richt Ltd’s op, verkoopt ze in Nederland, betaalt hiervoor provisie aan [A BEDRIJF] , de contante omzet die ik in ontvangst neem bij [A BEDRIJF] , ongeveer € 300.000 per jaar, zijn inkomsten van [C BEDRIJF] Ltd (....)” (verklaring V02-06) en “Heel veel contanten van de contanten die ik bij [A BEDRIJF] heb opgehaald heb ik contant gestort op mijn bankrekening in Luxemburg. Ook heb ik [A BEDRIJF] wel geld naar deze bankrekening bancair laten overboeken. (…) Nu ik het allemaal zo zie, heb ik volgens mij wel eens gezien dat erin totaal € 850.000,- op mijn privérekening in Luxemburg stond. Middels dat briefje dat u mij toont heb ik € 750.000,- laten overboeken en ik denk nu dat er toen nog ongeveer € 100.000,- over was. En dat geld heb ik dit jaar contant opgenomen. Een gedeelte van dit geld zal ik hebben uitgegeven en de rest ligt in mijn huis aan de [Z] . Een gedeelte daarvan is de € 25.000,- waarover ik heb gesproken met [G] en waar ik net over verklaard heb. De rest van het geld heb ik ook verstopt aan de [Z] , maar daarvan weet [G] niet waar het ligt” (verklaring V02-07) 16. Eiser is door rechtbank Den Haag op 4 september 2013 veroordeeld voor onder meer het feitelijk leiding geven aan het opzettelijk doen van onjuiste aangiften door [A BEDRIJF] . Het vonnis luidt voor zover hier van belang als volgt (waarbij de voetnoten en de verwijzingen naar de betreffende bewijsmiddelen zijn weggelaten; eiser is in het vonnis aangeduid als ’verdachte’): “3 Bewijsoverwegingen 3.1 Inleiding [A BEDRIJF] B.V. (hierna ook: [A BEDRIJF] ) houdt zich met name bezig met de verkoop van bedrijfsstructuren en de instandhouding hiervan. Deze structuren bestonden veelal uit een Nederlandse Commanditaire vennootschap (CV) met een stichting als commanditaire vennoot en een Engelse Limited als beherend vennoot met boven deze Limited een trustvennootschap. Deze Limiteds worden in Engeland opgericht door [C BEDRIJF] Ltd. (hierna: [C BEDRIJF] ). Verdachte is eigenaar en bestuurder van [C BEDRIJF] Ltd. Deze Limited is door verdachte opgericht en is gevestigd in Engeland. Medeverdachte [A] is statutair bestuurder en economisch eigenaar van [A BEDRIJF] , gevestigd te Den Haag. In de periode van 1 mei 2006 tot en met 19 januari 2010 is door [R] , in zijn hoedanigheid van belastingadviseur van [A BEDRIJF] , digitaal aangifte Vennootschapsbelasting gedaan ten name van [A BEDRIJF] over de jaren 2004 tot en met 2008. De aangiften Vennootschapsbelasting (hierna ook: de aangiften) zijn door [R] gedaan op basis van bankafschriften die hem ter beschikking werden gesteld. De verkoop van bedrijfsstructuren door [A BEDRIJF] vindt zowel tegen contante als girale betaling plaats. Alle verkopen zijn af te leiden uit het verkoopadministratiesysteem Document Center Online (hierna: DCO). Uit een vergelijking van deze informatie met de aangiften volgt dat de contante verkopen bij de aangiften niet als omzet zijn opgegeven. Verdachte was degene die de contanten - die vanaf februari 2005 in het pand van [A BEDRIJF] in een kluis werden bewaard - ophaalde en meenam. Deze contante gelden zijn door verdachte in geen enkel land als omzet of inkomen opgegeven. Verdachte heeft veel van de contante gelden die hij bij [A BEDRIJF] ophaalde, gestort op een privérekening in Luxemburg. Verdachte gaf aan dat op enig moment een bedrag van € 820.000,00 op zijn privérekening in Luxemburg stond. Verdachte heeft, ten behoeve van zijn levensonderhoud, van deze bankrekening geld opgenomen. Ook heeft verdachte (een deel van) deze gelden meegenomen naar Servië en daar verstopt in pakketjes van € 100.000,00. Onder verdachte is tijdens een doorzoeking in de woning aan de [J ADRES] op 9 november 2011 een bedrag van € 5.375,00 in beslag genomen. Over het bovengenoemde, waarvan onderdelen in de tenlastelegging zijn terug te vinden, bestaat geen discussie. De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging in zoverre wettig en overtuigend kan worden bewezen en grondt dat oordeel op de redengevende inhoud van de bewijsmiddelen waarnaar in de voetnoten wordt verwezen. (…) 3.4 De beoordeling van de tenlastelegging 3.4.1 Feit 1 Ter beantwoording van de vraag of de aangiften over de jaren 2004 tot en met 2008 onjuist en/of onvolledig zijn, dient de rechtbank eveneens de vraag te beantwoorden wat de juridische een financiële verhouding was tussen [A BEDRIJF] en [C BEDRIJF] . Vervolgens dient de rechtbank te beslissen of [A BEDRIJF] strafbaar is en of verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen. 3.4.1.1 Zijn de aangiften Vennootschapsbelasting onjuist en/of onvolledig? De verklaringen in het dossier betreffende de verhouding tussen [A BEDRIJF] en [C BEDRIJF] Volgens verdachte werden de Limiteds in Engeland opgericht door [C BEDRIJF] en vonden de verkopen van de bedrijfsstructuren voor rekening en risico van [C BEDRIJF] plaats. [A BEDRIJF] zou daarbij als tussenpersoon hebben gefungeerd. De prijzen van de bedrijfsstructuren werden volgens verdachte door [C BEDRIJF] bepaald. Op grond van een tussen [A BEDRIJF] en [C BEDRIJF] opgemaakte vertegenwoordigingsovereenkomst zou [A BEDRIJF] voor de verkopen een provisie ontvangen van [C BEDRIJF] van zeventig procent van de omzet. Voor wat betreft de omzet uit ontvangsten voor de administratieve instandhouding van de structuren, contributies en overige verplichtingen met betrekking tot Companies House (de Engelse Kamer van Koophandel) zou [A BEDRIJF] dertig procent van de omzet krijgen van [C BEDRIJF] , aldus verdachte. Door deze provisies had [C BEDRIJF] volgens verdachte een vordering op [A BEDRIJF] . Er werd contant afgerekend, aldus verdachte. Verdachte heeft ter terechtzitting verder het standpunt ingenomen dat zowel de contante betalingen bij [A BEDRIJF] alsook de girale betalingen op de bankrekening van [A BEDRIJF] volledig toekwamen aan [C BEDRIJF] . Nadat in 2005 door [A BEDRIJF] een kluis was aangeschaft, werd deze door verdachte of in zijn opdracht geleegd, zodat verdachte steeds de inhoud van de kluis ontving. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij steeds de volledige inhoud van de kluis meenam. Getuige [S] - de bedrijfsleider van [A BEDRIJF] - heeft verklaard dat de wijze van betalen beslissend was voor de vraag of de klant aan [A BEDRIJF] of aan [C BEDRIJF] betaalde. Indien de klant zijn aankoop per bank afrekende, werd er betaald aan [A BEDRIJF] . Als contant werd afgerekend kwam dit geld toe aan [C BEDRIJF] . Medeverdachte [A] heeft verklaard dat verdachte zich altijd over het contante geld ontfermde, ook voordat de kluis er stond. De verklaringen en bevindingen in het dossier betreffende de aangiften Getuige [T] , die voor de Belastingdienst het boekenonderzoek heeft uitgevoerd, heeft verklaard dat zij heeft bevonden dat er bij [A BEDRIJF] over de jaren 2004 tot en met 2008 sprake is van niet aangegeven omzet die ziet op contant ontvangen bedragen. In de ingediende aangiften Vennootschapsbelasting over de jaren 2004 tot en met 2008 werd de contante omzet, die in het DCO was terug te vinden, niet meegenomen, zo verklaarde [R] . Volgens de berekening van de FIOD gaat het over de jaren 2004 tot en met 2008 om een totaalbedrag van € 1.810.579,00 aan omzet dat niet in de aangiften is verantwoord. De kosten die in verband met afdrachten aan [C BEDRIJF] in de aangiften over de jaren 2005 tot en met 2008 zijn opgenomen, en die van invloed zijn op de winst en derhalve op de af te dragen vennootschapsbelasting, bedragen € 433.207,00. Het door de Belastingdienst berekende nadeel over de jaren 2004 tot en met 2008 bedraagt € 633.810,00. De conclusie van de rechtbank De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting allereerst vast dat [C BEDRIJF] in Engeland, behalve het oprichten van Limiteds en het versturen van post, geen feitelijke werkzaamheden verrichtte en geen administratie voerde. Uit het dossier blijkt dat verdachte in 2003 tegenover de Engelse Belastingdienst schriftelijk heeft aangegeven dat er binnen [C BEDRIJF] geen handel en geen financiële transacties plaatsvonden en in de toekomst ook niet zullen plaatsvinden. [C BEDRIJF] staat in Engeland derhalve als slapend (‘dormant’) geregistreerd. De rechtbank overweegt dat dit zich niet laat rijmen met de verklaringen van verdachte, inhoudende dat [C BEDRIJF] via [A BEDRIJF] bedrijfsstructuren verkocht, er een overeenkomst was tussen [C BEDRIJF] en [A BEDRIJF] betreffende de te betalen provisie en verdachte wel salaris uit [C BEDRIJF] ontving. De rechtbank stelt vast dat verdachte en zijn medeverdachte weliswaar stellen dat is afgesproken dat [A BEDRIJF] bepaalde provisies zou ontvangen van [C BEDRIJF] , dan wel vice versa, maar dat tussen [A BEDRIJF] en [C BEDRIJF] nooit daadwerkelijk is afgerekend. Verdachte heeft immers steeds alle contante omzet onder zich genomen en bovendien werden per bank onder vermelding van afdrachten aan [C BEDRIJF] ook bedragen aan verdachte overgemaakt. Gesteld noch gebleken is dat verdachte vervolgens weer provisiegelden aan [A BEDRIJF] heeft betaald. Voorts stelt de rechtbank vast dat van de betalingen aan [C BEDRIJF] geen facturen of onderliggende stukken in de administratie van [A BEDRIJF] zijn opgenomen (AH-020). Van de contante omzet, die verdachte steeds mee nam, zijn evenmin onderliggende stukken aangetroffen. Gebleken is dat door [A BEDRIJF] bedragen op rekeningen van [C BEDRIJF] , verdachte of derden werden overgemaakt, die door [R] werden geboekt als afdrachten aan [C BEDRIJF] (AH-020). Betreffende de schuld van [A BEDRIJF] aan [C BEDRIJF] op de balans van [A BEDRIJF] stelt de rechtbank vast dat er geen stukken in de boekhouding zijn aangetroffen waaruit blijkt op welke wijze deze schuld is bepaald. Verdachte kon hierover desgevraagd ook geen uitsluitsel geven. Evenmin zijn facturen, specificaties, afrekeningen of andere bescheiden aangetroffen met betrekking tot de op de balans vermelde schuld aan [C BEDRIJF] (AH-017). Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen legitieme reden om de omzet aan de hand van de wijze van betalen - contant of giraal - toe te rekenen aan [A BEDRIJF] dan wel [C BEDRIJF] . Het is immers van tweeën een: de verkoopopbrengst van de structuren die zijn verkocht moet of volledig als omzet worden beschouwd van [A BEDRIJF] of - zoals door verdachte gesteld - van [C BEDRIJF] . De rechtbank oordeelt echter dat deze omzet volledig moet worden toegerekend aan [A BEDRIJF] . Dit volgt uit het feit dat het naar de uiterlijke verschijningsvorm verkopen door [A BEDRIJF] betrof, alle girale betalingen op een bankrekening van [A BEDRIJF] binnenkwamen en [A BEDRIJF] deze girale betalingen ook daadwerkelijk als omzet heeft opgegeven. Daarbij is [C BEDRIJF] volgens verdachte zelf slapend, betaalt [C BEDRIJF] ook geen omzetbelasting en is niet gebleken dat [C BEDRIJF] provisie betaalt aan [A BEDRIJF] . Dit betekent dat de contante geldstroom, die niet in de aangiften is verwerkt, voor rekening en risico van [A BEDRIJF] komt en dat de schuldpositie tussen [A BEDRIJF] en [C BEDRIJF] fictief is. Zowel de niet verantwoorde contante omzet als de opgave van fictieve kosten heeft naar het oordeel van de rechtbank geleid tot onjuiste en onvolledige aangiften over de jaren 2004 tot en met 2008. De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de aangiften over de jaren 2004 tot en met 2008 onjuist en onvolledig zijn gedaan doordat een te laag bedrag aan belastbare winst en een te laag belastbaar bedrag in deze aangiften zijn opgenomen. Dat in het controlerapport, dat in het kader van het fiscale traject is opgemaakt en geen deel uitmaakt van het strafdossier, de aangifte over het jaar 2004 niet is meegenomen en er aan [A BEDRIJF] voor de jaren 2007 en 2008 geen navorderingsaanslagen zijn opgelegd, doet hier niet aan af, nu door de FIOD ook over deze jaren het fiscale nadeel is berekend en voldoende is onderbouwd. (…) 3.4.1.3 Is sprake van feitelijk leidinggeven door verdachte? (…) De bevindingen en verklaringen in het dossier Verdachte heeft ontkend feitelijk leiding te hebben gegeven aan het indienen van de onjuiste en onvolledige aangiften Vennootschapsbelasting. De rechtbank overweegt ten aanzien van de feitelijke rol van verdachte binnen [A BEDRIJF] als volgt. [A] heeft op advies van verdachte [A BEDRIJF] opgericht. De naam van de vennootschap is door verdachte bedacht. Verdachte heeft eveneens [C BEDRIJF] in Engeland opgericht, terwijl [C BEDRIJF] daar als ‘dormant’ staat geregistreerd. [C BEDRIJF] voerde geen boekhouding. De vertegenwoordigingsovereenkomst tussen [C BEDRIJF] en [A BEDRIJF] is blijkens de aantekeningen van [R] eenzijdig en achteraf door verdachte opgesteld. Bovendien zijn er geen onderliggende stukken aangetroffen betreffende de afrekeningen tussen [C BEDRIJF] en [A BEDRIJF] en aangaande de schuld van [A BEDRIJF] aan [C BEDRIJF] . Voorts staat in de aangetroffen en in beslag genomen aantekeningen van [R] het volgende: ‘Vragen [X] 2005. Schuld aan Engeland per 31-12-’05 opnemen want er is veel winst in 2005’. Verdachte heeft verklaard dat hij met [R] overleg heeft gehad over de schuldpositie tussen [C BEDRIJF] en [A BEDRIJF] en het eens was met de schuldpositie die is bepaald. Verdachte was de persoon die de contanten ophaalde en hij kreeg bovendien, blijkens de verklaring van [S] , een uitdraai uit het DCO waarin de omzetgegevens en de wijze van betaling stonden vermeld. Uit het dossier blijkt verder dat verdachte zich tegenover derden presenteerde als de contactpersoon en woordvoerder van [A BEDRIJF] . In de administratie van [A BEDRIJF] zijn facturen en correspondentie aangetroffen gericht aan verdachte of waarin de naam van verdachte als referentie of contactpersoon wordt genoemd. Er is voorts een visitekaartje van [A BEDRIJF] aangetroffen waarop staat: ‘Mr. [X] ’. Het dossier bevat een brief van de Haagse Hogeschool, gericht aan [A BEDRIJF] , ter attentie van verdachte, waarin verdachte wordt bedankt voor de aan een student geboden mogelijkheid om zijn afstudeeropdracht bij [A BEDRIJF] te volbrengen. Onder verdachte zijn voorts een tweetal bankpassen in beslag genomen die op naam staan van respectievelijk [A] [A BEDRIJF] B.V. en [A] Mr. [U] en Partners. Voorts is in de administratie van [A BEDRIJF] een factuur aangetroffen van [P] B.V. aan [A BEDRIJF] B.V., [X] betreffende een APK-keuring van een [E MERK] met het kenteken [I KENTEKEN] . Op de factuur van [H BEDRIJF] betreffende deze auto staat als berijder [A BEDRIJF] /verdachte vermeld. Getuige [S] verklaarde de bekeuringen van verdachte via [A BEDRIJF] te betalen. Van de bankrekening van [A BEDRIJF] zijn voorts betalingen gedaan aan de partner van verdachte, [G] . [A] heeft verklaard dat hij niet wist hoeveel er betaald is aan [G] en waarvoor de betalingen zijn verricht. Verdachte haalde de contante omzet op bij [A BEDRIJF] . [R] heeft verklaard dat hij vaak telefonisch contact had met verdachte. [A] verwees [R] door naar verdachte. [R] verklaarde dat de balansposten schulden [C BEDRIJF] met [A] , en wellicht ook met verdachte werden besproken. Het geschatte bedrag werd door [R] voorgelegd aan zowel [A] als verdachte. De resultaten van de aangiften en de jaarrekening besprak [R] met verdachte of [A] , of met beiden. [R] verklaarde dat verdachte bepalend is binnen [A BEDRIJF] . Getuige [L] , die in de periode van 31 oktober 2005 tot en met 29 maart 2006 bij [A BEDRIJF] heeft gewerkt, verklaarde dat hij via verdachte bij [A BEDRIJF] is gaan werken, met verdachte een gesprek voerde en dat de afspraken over werktijden en bedrijfsvoering via verdachte liepen. Van verdachte kreeg [L] een werkinstructie. [L] verklaarde dat verdachte wilde dat [L] voor zichzelf zou beginnen en zich zou laten inhuren door [A BEDRIJF] . Verdachte zat volgens [L] in de grote directeurskamer en [A] zat in een kamertje achteraf. Verdachte was bijna dagelijks op kantoor. Volgens [L] was verdachte de leidinggevende en had hij de touwtjes in handen. Getuige [K] , die vanaf april 2004 tot en met oktober 2005 voor [A BEDRIJF] heeft gewerkt, heeft verklaard dat verdachte hem voorstelde om voor [A BEDRIJF] te komen werken op provisiebasis. Verdachte betaalde [K] contant uit, uit zijn eigen portemonnee. Volgens [K] is verdachte de man achter [A BEDRIJF] en worden met hem alle afspraken gemaakt. Getuige [V] verklaarde dat [K] in januari 2005 met hem contant opnam en hem vroeg of hij met hem wilde samenwerken bij [A BEDRIJF] . Volgens [V] dicteerde verdachte aan [K] wat er moest gebeuren. [T] verklaarde dat verdachte feitelijk de leiding had bij [A BEDRIJF] , aangezien hij optrad jegens belangrijke crediteuren of bij belangrijke gebeurtenissen voor [A BEDRIJF] , een aanspreekpunt was in een conflict tussen [A BEDRIJF] en een fiscaal marketing team uit Brabant, hij afspraken maakte over betalingsregelingen, in auto’s van [A BEDRIJF] reed en deze privé verzekerde, en hij met een pasje van [A BEDRIJF] naar het buitenland reisde. De conclusie van de rechtbank (…) De rechtbank is op basis van voornoemde bewijsmiddelen van oordeel dat de feitelijke positie van verdachte dusdanig was dat hij kan worden aangemerkt als feitelijk leidinggevende van [A BEDRIJF] . De rechtbank is voorts van oordeel dat de betrokkenheid van verdachte bij de bij de Belastingdienst ingediende onjuiste en onvolledige aangiften is aan te merken als feitelijk leidinggeven aan deze verboden gedragingen. Verdachte was immers degene die de contante geldstroom, die niet in de aangiften werd verantwoord, bij [A BEDRIJF] ophaalde. Bovendien zijn in de aangiften ten onrechte fictieve kosten ten aanzien van [C BEDRIJF] en privé-uitgaven van verdachte als zakelijke kosten geboekt. Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank de constructie tussen [C BEDRIJF] en [A BEDRIJF] uitgedacht en opgericht ten einde de belastingheffing te minimaliseren. (…) 3.5 De bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat: 1. [A BEDRIJF] B.V. op tijdstippen gelegen in de periode van 1 mei 2006 tot en met 19 januari 2010, telkens te 's-Gravenhage en Apeldoorn, telkens tezamen en in vereniging met (een) ander(en), telkens opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten digitale aangiften Vennootschapsbelasting ten name van [A BEDRIJF] B.V. over de jaren 2004 en 2005 en 2006 en 2007 en 2008 (D-115), telkens onjuist en onvolledig heeft gedaan, immers hebben die [A BEDRIJF] B.V. en haar mededader(
  3. s)telkens opzettelijk op de naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te 's-Gravenhage en Apeldoorn toegezonden aangiften vennootschapsbelasting ten name van [A BEDRIJF] B.V. over genoemde jaren telkens een te laag bedrag aan belastbare winst en een te laag belastbaar bedrag, opgegeven, terwijl die feiten er telkens toe strekten dat telkens te weinig belasting werd geheven, aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte telkens tezamen en in vereniging met (een) ander(en), telkens feitelijke leiding heeft gegeven; (…)” 17. Het gerechtshof Den Haag heeft in hoger beroep in zijn arrest van 23 december 2016 het vonnis van de rechtbank bevestigd onder aanvulling en verbetering van gronden en daartoe - voor zover hier van belang - het volgende overwogen: “In zijn eerste verklaring op 9 november 2011, pag. 343 e.v., heeft de verdachte tegenover de FIOD, onder meer, verklaard: Ik heb behoorlijke bemoeienis met [A BEDRIJF] , ze huren een pand van mij en ze verkopen mijn producten. Ik heb wel geld in ontvangst genomen van [A BEDRIJF] , maar dat was het geld dat aan [C BEDRIJF] toekomt wegens de aan [A BEDRIJF] (het hof benadrukt: aan [A BEDRIJF] geleverde, dus niet aan de uiteindelijke afnemer) geleverde vennootschappen. Een deel van de klanten van [A BEDRIJF] betaalt contant. Voordat de kluisprocedure werd ingesteld rekende ik met [K] of [A] contant af voor het deel dat aan [C BEDRIJF] toekwam. Op 11 november 2011 heeft de verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris (pag. 433 e.v.), onder meer, verklaard: Ik heb ontzettend veel te maken met [A BEDRIJF] en doe daar veel zaken mee. Ik heb niets te maken met de boekhouding, administratie, papieren en cijfers van [A BEDRIJF] (toevoeging hof: hetgeen het hof overigens onaannemelijk acht). [A BEDRIJF] verkoopt mijn producten, Engelse vennootschappen. Ik richt Engelse vennootschappen op. Ik doe daar geen financiële administratie voor. Ik richt vennootschapsstructuren op. Een Nederlandse ondernemer wil daarmee aan de slag en wordt daar dan directeur van. [A BEDRIJF] richt de vennootschapsstructuur in en vult de formulieren in. Formulieren in de zin van de overdracht van aandelen. Engeland stelt de eis dat de vennootschap in Engeland gevestigd blijft. Ik regel de jaarrekeningen in Engeland. Het bankpasje van [A BEDRIJF] dat bij mij thuis werd aangetroffen heb ik doelbewust in mijn bezit. Met het pasje monitor ik de rekening van [A BEDRIJF] . Ik kan zien of er genoeg geld op de rekening staat om mij te betalen. [A BEDRIJF] betaalt de vennootschappen. Als er tegen mij wordt gezegd dat er geen geld is om mij te betalen, dan wil ik dat zelf wel zien. Ik ben niet in dienst van [A BEDRIJF] , ik ben een leverancier. Ik heb al meer dan een jaar niets betaald gekregen van [A BEDRIJF] . Op een gegeven moment waren [S] , [A] en ik bij elkaar en zei ik dat ik wilde zien dat er daadwerkelijk zo weinig geld op de rekening stond. Ik zei hen dat ik dat in de gaten wilde houden of dat zo zou blijven. Daar hadden zij geen bezwaren tegen. Ik regel vennootschappen en die worden betaald door [A BEDRIJF] . De vennootschappen worden met een hele hoop tegelijk afgerekend. Naar het oordeel van het hof komt uit de eigen verklaringen van de verdachte, afgelegd in november 2011, onmiskenbaar naar voren dat de onderlinge verhoudingen tussen [C BEDRIJF] en [A BEDRIJF] zodanig waren dat [A BEDRIJF] als juridisch zelfstandig handelende partij - en niet voor rekening van [C BEDRIJF] - de door [C BEDRIJF] opgerichte – en als plankvennootschap aanwezige – Limiteds, althans de aandelen daarin, verkocht aan de uiteindelijke afnemers. De verdachte heeft het erover dat [A BEDRIJF] hem, althans [C BEDRIJF] , dient te betalen voor de door [C BEDRIJF] kennelijk (ook naar zijn mening: feitelijk) aan [A BEDRIJF] geleverde en door [A BEDRIJF] doorverkochte Limiteds, hetgeen niet past bij het thans verkondigde uitgangspunt dat de gehele opbrengst uit de doorverkochte vennootschappen zou toekomen aan [C BEDRIJF] als verkopende partij, in welk geval het immers zou gaan om de vraag op welke provisie [A BEDRIJF] ten opzichte van [C BEDRIJF] recht heeft. Voor de stelling dat [A BEDRIJF] economisch (en fiscaal) gezien als (onzelfstandige) vertegenwoordiger van [C BEDRIJF] optrad en dat de gehele opbrengst rechtstreeks aan [C BEDRIJF] toekwam, bieden derhalve ook de eigen verklaringen van de verdachte geen, althans onvoldoende, steun. De door de raadsvrouw als productie 1 overgelegde koop- en verkoopovereenkomst, die overigens dateert van vóór de ten laste gelegde periode, doet daaraan onvoldoende afbreuk en leidt het hof niet tot een ander oordeel. Ook de verklaring van getuige [W] , op 1 december 2015 afgelegd ten overstaan van de raadsheer-commissaris, biedt geen steun voor de stelling dat [A BEDRIJF] als verkoper van bedrijfsstructuren optrad namens en voor rekening van de verdachte/ [C BEDRIJF] waar hij, onder meer, zakelijk weergegeven, verklaart: U vraagt mij of de naam [X] mij iets zegt. Ja, dat is een zakenpartner waar wij zaken mee deden. Wij, kantoor [A BEDRIJF] , deden zaken met [X] . U vraagt mij wat mijn functie was. Adviseur. Ik verkocht bedrijfsconstructies die [A BEDRIJF] aanbood. [A BEDRIJF] was in de korte periode van mijn dienstverband de rechtspersoon die mij in dienst had. U vraagt mij of ik met [X] te maken had. Nauwelijks. U vraagt mij of ik kan vertellen wat de zakelijke relatie was van [X] ten opzichte van [A BEDRIJF] . Een groot gedeelte van de bedrijfsstructuren die geleverd werden door [A BEDRIJF] werden opgezet door het bedrijf in Engeland waar [X] directeur van was. U vraagt mij of de naam [C BEDRIJF] mij iets zegt. Ja, dat is de oprichter van de Limiteds, in [C PLAATS] . U vraagt mij of ik afrekende met klanten. Ja. U vraagt mij of dat ook in cash ging. Ja. U vraagt mij of de kwitanties wel eens op naam van [C BEDRIJF] werden uitgeschreven. Dat weet ik niet. De rol van [X] was dat hij via [C BEDRIJF] producten leverde. Ik ben ervan overtuigd dat hij de grondlegger was van de constructie als bedenker. De getuige [K] heeft op 4 december 2015 ten overstaan van de raadsheer-commissaris, onder meer, zakelijk weergegeven, verklaard: Ik heb voor [A BEDRIJF] gewerkt van april 2004 tot ongeveer oktober 2005. Omdat ik wel iets afwist van vennootschappen heeft [X] mij voorgesteld om voor hem te komen werken. Zo ben ik Limiteds gaan verkopen. Ik meen dat [X] van die twee Limiteds, die de plankvennootschappen oprichtten, zelf aandeelhouder was. [X] en ik hadden een percentage van 2,5 afgesproken voor iedere Ltd. die ik verkocht. De contante omzet gaf ik altijd aan [X] . [X] betaalde mijn provisie in contanten uit. Het was voor mij zo dat [A BEDRIJF] de toko van [X] was. Zo heb ik dat altijd ervaren. Beide getuigenverklaringen bieden, naar het oordeel van het hof, geen steun voor de in hoger beroep door de verdediging ingenomen stelling dat [A BEDRIJF] de bedrijfsstructuren verkocht als onzelfstandige vertegenwoordiger van [C BEDRIJF] en dat de opbrengsten om die reden rechtstreeks toekwamen aan [C BEDRIJF] . Naar het oordeel van het hof biedt de verklaring van [K] wel ondubbelzinnige steun voor de stelling dat de verdachte de feitelijke leiding uitoefende over [A BEDRIJF] .“ 18. Tegen voormelde uitspraak van het gerechtshof Den Haag is beroep in cassatie ingesteld. Aanslagregeling en bezwaar 19. Op 3 april 2009 is eiser een aangiftebiljet ib/pvv en zvw 2006 uitgereikt. Op 24 juni 2009 is een aanmaning verstuurd om alsnog het aangiftebiljet in te vullen en te retourneren. Ondanks de aanmaning is er geen aangifte ingediend. Met dagtekening 25 november 2009 zijn ambtshalve aanslagen ib/pvv en zvw voor het jaar 2006 opgelegd. Op 7 februari 2011 heeft verweerder het bezwaar tegen deze aanslagen ontvangen. 20. Op 3

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.