RECHTBANK HAARLEM Wrakingskamer zaaknummer: C/15/279626/HA RK 18/173 Beslissing van 8 november 2018 op het verzoek van: [verzoeker] , verzoeker, Strekkende tot wraking van: mr. S.K.A. Efstratiades, hierna te noemen: de rechter. 1Procesverloop 1.1 Bij schriftelijk verzoek van 25 september 2018, door de rechtbank ontvangen op 26 september 2018, heeft verzoeker de wraking verzocht van de rechter, in de bij deze rechtbank, sector bestuursrecht, aanhangige zaak met zaaknummers 18/318 en 18/319, hierna te noemen: de hoofdzaken. 1.2 De rechter heeft niet in de wraking berust en heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd. 1.3 Verzoeker en de rechter zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 30 oktober
- De rechter heeft van de geboden gelegenheid gebruik gemaakt. Verzoeker is niet verschenen. 2Het standpunt van verzoeker. Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek aangevoerd, dat “ten onrechte geen uitstel is verleend voor de behandeling van het onderzoek ter zitting van de verzetprocedure op 21 september 2018, waardoor hij zich niet tijdig en adequaat heeft kunnen voorbereiden”. Verzoeker heeft bij faxbericht van 26 oktober 2018 gereageerd op de schriftelijke reactie van de rechter van 2 oktober 2018 op het wrakingsverzoek en aangevoerd dat “de rechter in haar schriftelijke reactie zelfs niet heeft verweerd/geantwoord op het toetsingselement “de schijn van” partijdigheid en vooringenomenheid”. 3Beoordeling 3.
- Op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. In het eerste lid van artikel 8:16 van de Awb is bepaald dat het wrakingverzoek moet worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden op grond waarvan verzoeker meent dat de rechterlijke onpartijdigheid schade lijdt aan hem bekend zijn geworden. 3.
- Verzoeker heeft in zijn wrakingsverzoek meerdere namen van medewerkers van deze rechtbank genoemd. Voor zover verzoeker daarmee zou hebben bedoeld ook deze medewerkers te wraken, stelt de rechtbank voorop dat gezien artikel 8:15 van de Awb het verzoek uitsluitend kan zien op de rechter die de zaak behandelt. Het verzoek kan dus ook geen betrekking hebben op de gehele rechtbank, voor het geval verzoeker dat zou hebben bedoeld. 3.
- De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of verzoeker in zijn verzoek tot wraking van de rechter ontvankelijk is. 3.
- Uit de stukken van het geding in de hoofdzaken blijkt dat verzoeker op 19 september 2018 per faxbericht een verzoek heeft ingediend om uitstel van de behandeling van het verzet ter zitting op 21 september
- Per post alsmede per faxbericht van 20 september 2018 is verzoeker meegedeeld dat het verzoek om uitstel is afgewezen en dat de zitting dus zal plaatsvinden op 21 september
- Verzoeker is daar niet verschenen. Nu de feiten en/of omstandigheden die aan het wrakingsverzoek ten grondslag zijn gelegd zich ten laatste op 20 september 2018 hebben voorgedaan, betekent dit dat verzoeker zijn wrakingsverzoek op (of zeer kort na) 20 september 2018 had moeten indienen. Nu het wrakingsverzoek eerst zes dagen na 20 september 2018 is ontvangen, is niet voldaan aan het vereiste dat het tijdig is gedaan. De rechtbank zal het wrakingsverzoek derhalve niet-ontvankelijk verklaren. Aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek komt de rechtbank dan ook niet toe. 3.
- Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat verzoeker geen concrete feiten of omstandigheden heeft aangedragen die tot het oordeel zouden moeten leiden dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienenaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Daar komt bij dat de beslissing die verzoeker kennelijk aanleiding heeft gegeven om het verzoek tot wraking te doen (het niet verlenen van uitstel) niet meer dan een procedurele beslissing is. Dat betekent dat indien verzoeker wel ontvankelijk zou zijn geweest, het verzoek zou zijn afgewezen. 3.
- De rechtbank ziet in hetgeen in r.o. 3.
- is overwogen aanleiding om te bepalen dat volgende verzoeken tot wraking in de hoofdzaken niet in behandeling zullen worden genomen. 4Beslissing De rechtbank: 4.1 verklaart het verzoek om wraking niet-ontvankelijk; 4.2 bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in de hoofdzaken niet in behandeling wordt genomen; 4.3 beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker en de rechter een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden; 4.4 beveelt dat het proces in de hoofdzaken wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek. Deze beslissing is gegeven door mr. E.B. de Vries-van den Heuvel, voorzitter, en mrs. J.J. Dijk en M. Mateman, leden van de wrakingskamer, en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2018 in tegenwoordigheid van mr. J.J. Graanstra als griffier. Rechtsmiddel Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.