Rechtbank noord-holland Meervoudige wrakingskamer zaaknummer: C/15/274253 / HA RK 18/84 Beslissing van 26 juni 2018 op het verzoek van: [verzoeker] wonende te Amsterdam, verzoeker (gemachtigde: mr. E. Doornbos), strekkende tot wraking van mr. G.H. de Soeten, mr. A.A. Fase en mr. B. van Walderveen, hierna te noemen; de rechters. 18/84 Procesverloop Bij faxbericht van 17 april 2018 heeft verzoeker de rechters verzocht de behandeling van het beroep met zaaknummer HAA 16/1284 op 17 april 2018 aan te houden wegens ziekte van de gemachtigde. Dit verzoek is afgewezen. Op 17 april 2018 heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend. De rechters hebben niet in de wraking berust en hebben schriftelijk op het wrakingsverzoek gereageerd. Op 21 juni 2018 is het wrakingsverzoek ter zitting van de wrakingskamer behandeld. Verzoeker en de rechters zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De beoordeling
- Wraking van een rechter is slechts mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan kan sprake zijn indien de rechter jegens een partij vooringenomen is of indien de vrees van een partij daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Bij de beoordeling daarvan moet voorop staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (HR 24 oktober 1995 NJ 1996, 484). Uit artikel 36 en 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het vermoeden van onpartijdigheid volgt dat de verzoeker concrete feiten en omstandigheden moet aanvoeren waaruit objectief afgeleid moet worden dat de rechter jegens een partij vooringenomen is of de vrees van een partij dat dat zo is objectief gerechtvaardigd is. Met inachtneming hiervan overweegt de wrakingskamer het volgende.
- De strekking van het instrument van de wraking is gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid en tegen de schijn van rechterlijke partijdigheid. Uit deze strekking vloeit voort dat het wrakingsinstrument niet is bedoeld als rechtsmiddel om een processuele beslissing aan te vechten. Het afwijzen van een verzoek om uitstel betreft een dergelijke processuele beslissing.
- Een processuele beslissing levert in beginsel op zichzelf geen feit of omstandigheid op zoals bedoeld in artikel 36 en 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dit is alleen dan anders indien een dergelijke beslissing of de motivering daarvan een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert (subjectieve partijdigheid), althans dat de bij een partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (objectieve partijdigheid). De wrakingskamer is van oordeel dat dit hier niet het geval is, nu dergelijke bijzondere omstandigheden gesteld noch gebleken zijn. Een wellicht voor verzoeker onwelgevallige beslissing is op zichzelf nog geen aanwijzing van subjectieve of objectieve partijdigheid van de rechter. Het wrakingsverzoek zal dan ook worden afgewezen. Beslissing De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking af. Deze beslissing is gegeven door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, mr. J.J. van Dijk en mr. A.A.F. Donders, rechters, in aanwezigheid van mr. J.J. Graanstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juni
- griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: