← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2018:2689

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Sectie Familie & Jeugd Locatie Alkmaar Meervoudige strafkamer Parketnummers: 15/800418-17 + 15-871091-16 (TUL) Uitspraakdatum: 27 februari 2018 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 februari 2018 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] , thans gedetineerd in het [Justitieel Complex] . De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. G. Visser en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. G.M. Terlingen, advocaat te Hoorn, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks [datum] te [plaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen (de inhoud van) een kluis en/of een of meerdere andere goed(eren) van zijn, verdachtes, en/of zijn, mededaders, gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] en/of [slachtoffer] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, en/of tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] en/of [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van (de inhoud van) een kluis en/of een of meerdere andere goed(eren) van zijn, verdachtes, en/of zijn, mededaders, gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] toebehoorde, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, naar de woning gelegen op of aan de [adres] is toegegaan, waarna, hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s): - op het raam van bovengenoemde woning heeft/hebben gebonkt en/of geklopt en/of - ( vervolgens) (nadat de deur was open gedaan) met (een) bivakmuts(en) op de woning is/zijn binnen gegaan en/of - tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of [slachtoffer] heeft/hebben geduwd en/of die [slachtoffer] en/of [slachtoffer] heeft/hebben vastgepakt en/of die [slachtoffer] op de grond heeft/hebben gegooid en/of - die [slachtoffer] en/of [slachtoffer] de woorden heeft/hebben toegevoegd: "De kluis, anders vermoord ik je", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3Bewijs 3.

  1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het als eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde. 3.2 Standpunt van de verdediging De raadsman is van mening dat, gelet op de bekennende verklaring van verdachte, het als tweede alternatief/cumulatief ten laste gelegde kan worden bewezen. Uit de bewijsmiddelen volgt, aldus de raadsman, dat door de daders wordt gevraagd om afgifte van de kluis, hetgeen wijst op een poging tot afpersing. 3.
  2. Vrijspraak De rechtbank is van oordeel dat het als eerste alternatief/cumulatief ten laste gelegde -kort gezegd- het medeplegen van de poging tot diefstal met geweld en bedreiging met geweld, niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank zal verdachte hiervan vrijspreken. 3.
  3. Redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het als tweede alternatief/cumulatief ten laste gelegde op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen (integrale) vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten: - de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd; - het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte met nummer [nummer] d.d. [datum] , inhoudende de verklaring van [slachtoffer] (dossierpagina’s 19 en 20); - het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor met nummer [nummer] d.d. [datum] , inhoudende de verklaring van [slachtoffer] (dossierpagina’s 24 t/m 26); - het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor met nummer [nummer] d.d. [datum] , inhoudende de verklaring van [slachtoffer] (dossierpagina’s 36 en 37); - het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen met bijlagen met nummer [nummer] d.d. [datum] , inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant] (dossierpagina 22); - de letselrapportage van Forensische Geneeskunde GGD Hollands Noorden betreffende mevrouw [slachtoffer] , d.d. [datum] (dossierpagina 27 t/m 28). bewijsoverweging Door verdachte is verklaard dat hij geen geweld heeft gebruikt tegen de slachtoffers. Voor zover verdachte daarmee heeft betoogd dat geen sprake is van het medeplegen van de geweldshandelingen overweegt de rechtbank het volgende. Verdachte is, na voorafgaand overleg, samen met zijn medeverdachten voorzien van bivakmutsen de woning van het echtpaar [slachtoffer] - [slachtoffer] binnengedrongen om de afgifte van een kluis te bewerkstelligen. Gelet op het voorafgaande overleg en de gezamenlijke uitvoering op [datum] is er sprake van medeplegen. Overigens is dat ook niet door verdachte betwist. Onder deze omstandigheden is het toegepaste geweld in de woning tegen aangevers ook toe te rekenen aan verdachte, al zou dit geweld zijn toegepast door zijn mededaders. 3.
  4. Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het als tweede alternatief/cumulatief ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op [datum] te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] en/of [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van (de inhoud van) een kluis die aan die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] toebehoorde, met zijn mededaders naar de woning, gelegen aan de [adres] , is toegegaan, waarna, hij, verdachte en/of zijn mededader(s): - op het raam van bovengenoemde woning heeft/hebben gebonkt en - vervolgens, nadat de deur was open gedaan, met bivakmutsen op de woning zijn binnen gegaan en - tegen het lichaam van die [slachtoffer] en [slachtoffer] heeft/hebben geduwd en die [slachtoffer] en/of [slachtoffer] heeft/hebben vastgepakt en die [slachtoffer] op de grond heeft/hebben gegooid en - die [slachtoffer] de woorden heeft/hebben toegevoegd: "De kluis, anders vermoord ik je", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging. Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 4Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten Het tweede alternatief/cumulatief bewezenverklaarde levert op: Poging tot afpersing terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar. 5Strafbaarheid van verdachte Verdachte is strafbaar, omdat – mede gelet op de conclusies van het hierna onder 6.3 nader te bespreken psychologische rapport – geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6Motivering van de sanctie 6.
  5. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank het sanctierecht voor meerderjarigen zal toepassen en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van voorarrest. 6.
  6. Standpunt van verdachte/de verdediging De raadsman heeft oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 á 9 maanden en een voorwaardelijke gevangenisstraf bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het niet om een voltooid misdrijf gaat maar om een poging en dat alles erop wijst dat het een redelijk impulsieve daad is geweest en geen goed voorbereide woningoverval. 6.
  7. Oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte en zijn medeverdachten hebben zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig feit. Aan het begin van de avond zijn ze, voorzien van bivakmutsen, de woning van een bejaard echtpaar binnengedrongen. Bij het naar binnen gaan hebben ze de 80-jarige bewoonster opzij geduwd en zijn ze naar de woonkamer gerend waar ze de 83-jarige bewoner hebben gedreigd te vermoorden als hij niet zou zeggen waar de kluis was. De man is hierbij vastgepakt en tegen de grond gewerkt. Door het kranige optreden van de bewoners, die het gevecht zijn aangegaan met de daders, hebben de daders de woning uiteindelijk zonder buit moeten verlaten. Beide slachtoffers hebben de overval als zeer bedreigend ervaren. Ze zijn overvallen in hun eigen woning, een plek waar zij zich juist veilig zouden moeten voelen. Dat deze gebeurtenis een grote impact op hen heeft gehad waarvan zij nog steeds nadelige gevolgen ondervinden, blijkt wel uit de slachtofferverklaring die ter zitting is voorgelezen. Verdachte en zijn medeverdachten hebben bij hun handelen blijkbaar enkel hun eigen financieel gewin voor ogen gehad en hebben in het geheel niet stilgestaan bij de gevolgen voor de slachtoffers. De rechtbank rekent verdachte en zijn medeverdachten dit feit des te meer aan nu het ging om kwetsbare slachtoffers. Dit soort laaghartige misdrijven roepen niet alleen bij het slachtoffer, maar ook bij familie en in de samenleving gevoelens van afschuw, angst en onveiligheid op. Gezien de aard en de ernst van het gepleegde feit acht de rechtbank een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur op zijn plaats. Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op: - het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 18 januari 2018, waaruit blijkt dat verdachte eerder voor soortgelijke delicten door de strafrechter is veroordeeld. Verdachte liep, blijkens voornoemd uittreksel, in een proeftijd ten tijde van het begaan van het onderhavige feit. - het over verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van mevrouw [reclasseringswerker] , reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland, gedateerd 31 januari
  8. - het over verdachte uitgebrachte psychologisch rapport van [GZ-psycholoog] , GZ-psycholoog, gedateerd 24 januari
  9. Uit het onderzoek door de psycholoog is naar voren gekomen dat er bij verdachte geen sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Geadviseerd wordt om het ten laste gelegde, indien bewezen, volledig aan verdachte toe te rekenen. Wel is er sprake van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale trekken. Om de ontwikkeling van verdachte en het algemene risico op toekomstig grensoverschrijdend gedrag te beperken wordt geadviseerd om de begeleiding aan verdachte voort te zetten. Gezien zijn leeftijd ligt een overdracht naar de volwassen reclassering voor de hand. Verdachte dient te worden aangesproken op zijn eigen verantwoordelijkheid en te worden gestimuleerd om zelf (meer) in actie te komen. Zo zal hij zich actief in moeten zetten voor het realiseren van een (volledige) dagbesteding in de vorm van scholing eventueel in combinatie met werk. Daarnaast zal hij meer afstand moeten nemen van zijn antisociale vrienden-/kennissengroep. Er lijkt vooral een praktische en duidelijke aanpak wenselijk, waarbij verdachte onder andere een structurele dagbesteding in de vorm van scholing of werk dient te hebben (en langere tijd vol dient te houden). Daarnaast zal hij meer verantwoordelijkheid moeten nemen voor zijn eigen functioneren. Wat betreft de best passende strafafdoening wordt toezicht door Reclassering Nederland in combinatie met een (deels) voorwaardelijke detentie het best passend geacht. Op basis van de wegingslijst adolescentenstrafrecht komen geen indicaties naar voren te adviseren het minderjarigen strafrecht toe te passen. De reclassering adviseert eveneens toepassing van het volwassenenstrafrecht. Er is geen sprake van een verstandelijke beperking bij verdachte en daarnaast zijn er nauwelijks tot geen mogelijkheden voor pedagogische beïnvloeding vanuit de ouders of andere verzorgenden. Een aanpak vanuit de volwassen reclassering, waarbij verdachte wordt aangesproken op zijn verantwoordelijkheid en wordt gewezen op de consequenties van zijn gedrag wordt wenselijk geacht. De jeugdreclassering die eerder bij verdachte betrokken was, geeft aan dat een volwassen aanpak op dit moment het meest passend is. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarbij acht de rechtbank het met het oog op het beperken van het recidiverisico van belang dat verdachte op zijn pad naar volwassenheid en zelfstandigheid wordt ondersteund en begeleid door Reclassering Nederland. Gelet op de rol van verdachte acht de rechtbank deze straf, waarbij aan verdachte een fors voorwaardelijk deel wordt opgelegd en waarbij hij langdurig wordt begeleid, meer passend dan de door de officier van justitie geëiste geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf. 7vorderingen benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel A. De benadeelde partij mevrouw [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.850,-- ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. Standpunt van de officier van justitie: De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het door de benadeelde partij gevorderde bedrag in zijn geheel kan worden toegewezen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Zij heeft de rechtbank voorts verzocht daarbij de hoofdelijkheidsclausule op te nemen. Standpunt van de verdediging: De raadsman heeft verzocht het toe te wijzen bedrag te matigen tot een bedrag van € 1.000,-. Oordeel van de rechtbank: Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij ontvankelijk in de vordering. Voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het tweede alternatief/cumulatief bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden is door de verdediging niet betwist. De rechtbank acht het gevorderde bedrag billijk gelet op de ernst van het feit, de leeftijd van de slachtoffers en de grote impact die het handelen van de daders heeft gehad op de slachtoffers. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om het gevorderde bedrag te matigen en zal de vordering toewijzen tot het gevorderde bedrag van € 1.850,--, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf [datum] tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien één van de mededaders dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd. Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil. schadevergoedingsmaatregel De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: poging tot het medeplegen van afpersing] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. B. De benadeelde partij de heer. [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.850,-- ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. Standpunt van de officier van justitie: De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het door de benadeelde partij gevorderde bedrag in zijn geheel kan worden toegewezen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Zij heeft de rechtbank voorts verzocht daarbij de hoofdelijkheidsclausule op te nemen. Standpunt van de verdediging: De raadsman heeft verzocht het toe te wijzen bedrag te matigen tot een bedrag van € 1.000,-. Oordeel van de rechtbank: Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij ontvankelijk in de vordering. Voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het tweede alternatief/cumulatief bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden is door de verdediging niet betwist. De rechtbank acht het gevorderde bedrag billijk gelet op de ernst van het feit, de leeftijd van de slachtoffers en de grote impact die het handelen van de daders heeft gehad op de slachtoffers. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om het gevorderde bedrag te matigen en zal de vordering toewijzen tot het gevorderde bedrag van € 1.850,--, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf [datum] tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien één van de mededaders dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd. Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil. schadevergoedingsmaatregel De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: poging tot het medeplegen van afpersing] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. 8Vordering tot tenuitvoerlegging Bij vonnis van 20 december 2016 in de zaak met parketnummer 15/871091-16 heeft de meervoudige kamer jeugdstrafzaken bij deze rechtbank verdachte ter zake van -kort gezegd- het medeplegen van diefstal met geweld, diefstal met bedreiging met geweld, afpersing en diefstal, veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 109 dagen waarvan zestig dagen voorwaardelijk. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 13 januari 2017 aan verdachte toegezonden. De bij voornoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 4 januari 2017 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd. De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat de voorwaardelijke jeugddetentie alsnog ten uitvoer zal worden gelegd. De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is. De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, niet heeft nageleefd. 7Toepasselijke wettelijke voorschriften De artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 45 en 317 van het Wetboek van Strafrecht zijn van toepassing. 8Beslissing De rechtbank: Verklaart niet bewezen wat aan verdachte als eerste cumulatief/alternatief ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij. Verklaart bewezen dat verdachte het tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor onder 3.
  10. weergegeven. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij. Bepaalt dat het tweede cumulatief/alternatief bewezen verklaarde het hierboven onder
  11. vermelde strafbare feit oplevert. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) MAANDEN. Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 10 (tien) MAANDEN niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren. Stelt als algemene voorwaarden dat veroordeelde: - zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen. Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde: - zich zal melden bij Reclassering Nederland, locatie Alkmaar, Drechterwaard 102 en zich zal houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft. Veroordeelde dient daartoe contact te blijven onderhouden met Reclassering Nederland, zolang en zo frequent als genoemde instelling dit noodzakelijk acht. Geeft opdracht aan Reclassering Nederland, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Benadeelde partijen Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot het gevorderde bedrag van € 1.850,-- (duizend achthonderd vijftig euro), bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf [datum] tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de mededaders is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd. Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken. Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.850,-- (duizend achthonderd vijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf [datum] tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 9 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft. Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de mededaders aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij. Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot het gevorderde bedrag van € 1.850,-- (duizend achthonderd vijftig euro), bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf [datum] tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de mededaders is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd. Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken. Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.850,-- (duizend achthonderd vijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf [datum] tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 9 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft. Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de mededaders aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij. Vordering tot tenuitvoerlegging Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/871091-16 en gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 60 (zestig) dagen, opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer jeugdstrafzaken van 20 december
  12. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. Ph. Burgers, voorzitter, mr. D.H. Steenmetser-Bakker en mr. H.H.E. Boomgaart, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier M. Woudman, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 februari
  13. Mr. Burgers en mr. Steenmetser-Bakker zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.