RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf Locatie Haarlem Enkelvoudige raadkamer Registratienummer: 18-001910 Parketnummer: 15/720024-15 Uitspraakdatum: 30 april 2018 Beschikking (art. 552a Sv.) 1Ontstaan en loop van de procedure Op 20 februari 2018 is op de griffie van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, ingekomen een klaagschrift van mr. G.Th. Offreins, gemachtigde van [klager] zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland, domicilie kiezende te (1171 VC) Badhoevedorp, Sloterweg 303, ten kantore van mr. G.Th Offreins, advocaat. Het klaagschrift strekt tot opheffing van het daarop gelegde beslag, met last tot teruggave aan klager van een geldbedrag van € 25.570,-. Op 16 april 2018 is dit klaagschrift op een openbare zitting in raadkamer behandeld. Klager is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. G.Th Offreins, voornoemd. Ook is verschenen de beslagene [U]. Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. M.A. van den Heuvel. 2Feiten en standpunten Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken. Op 26 augustus 2014 is onder [U] voornoemd geldbedrag inbeslaggenomen. Twee dagen later, op 28 augustus 2014, heeft klager als onderdeel van een met de officier van justitie getroffen schikking afstand gedaan van het geldbedrag, onder de vermelding dat het geld niet zijn eigendom was. Klager heeft zich op 4 september 2014 gemeld bij de politie en verklaard dat het onder [U] in beslag genomen geld zijn eigendom was. Op 16 september 2014 heeft de raadsman van [U] zich tot het Openbaar Ministerie gewend, met verzoek om de strafvervolging tegen [U] te laten herleven, omdat zijn eerdere instemming met de transactie op onjuiste informatie berustte. [U] zou de afstandsverklaring niet goed hebben begrepen. Op 25 september 2014 is klager zelf als verdachte van witwassen verhoord en heeft hij onder meer zijn verklaring over de eigendom van het geld herhaald. De raadsman van klager heeft in raadkamer ter aanvulling op het klaagschrift aangevoerd dat het klaagschrift tijdig is ingediend, namelijk binnen 2 jaren na het sepotbericht van de officier van justitie van 22 november 2017; klager eigenaar van het geld is, zodat het klaagschrift gegrond dient te worden verklaard en een last tot teruggave aan klager dient te worden gegeven. De officier van justitie heeft verklaard zich te verzetten tegen teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag aan klager en heeft daartoe aangevoerd dat: primair: klager in het klaagschrift niet ontvankelijk dient te worden verklaard omdat de twee jaarstermijn is overschreden, te rekenen vanaf 26 augustus 2014, de datum van inbeslagname van het geldbedrag; en subsidiair: niet aannemelijk is geworden dat klager de eigenaar van het geld is, zodat het klaagschrift ongegrond dient te worden verklaard. 3De beoordeling 3.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.