Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem zaaknummer: HAA 16/3775 uitspraak van de meervoudige kamer van 4 mei 2018 in de zaak tussen [X] , wonende te [Z] , eiseres, en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2013 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd (hierna: IB/PVV), berekend naar een verzamelinkomen (belastbaar inkomen uit werk en woning) van € 62.024. In hetzelfde geschrift is tevens een beschikking belastingrente tot een bedrag van € 645 bekendgemaakt. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan eiseres. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2018 te Haarlem. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Vogelzang en F.H.M. van Hooff. Overwegingen Feiten 1. Eiseres is geboren op [#1] en woonachtig te [Z] . Zij is sinds 8 september 2008 als zelfstandig ondernemer ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel met als activiteitenomschrijving ‘het begeleiden, steunen en verzorgen van terminale patiënten en andere zorgbehoevenden’. 2. Voor de jaren 2010 tot en met 2012 is aan eiseres op grond van een door haar ingevuld aanvraagformulier en zonder onderzoek door verweerder een Verklaring arbeidsrelatie winst uit onderneming (hierna: VAR-wuo) verstrekt. Voor het jaar 2013 is met dagtekening 3 september 2012 automatisch een VAR-wuo afgegeven. Bij beschikking van 15 oktober 2013 heeft verweerder eiseres bericht dat hem gebleken is dat de feiten en omstandigheden zoals vermeld in het aanvraagformulier zijn gewijzigd en dat in verband daarmee voormelde verklaring bij beschikking geldend van 15 oktober 2013 tot en met 31 december 2013 wordt herzien in een Verklaring arbeidsrelatie loon uit dienstbetrekking (hierna: VAR-loon). Eiseres heeft tegen deze beschikking geen bezwaar gemaakt. 3. Eiseres heeft in 2013 in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) of de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (hierna: WMO) zorg in natura verleend voor [A] (via [B] ), Stichting [C] (via [C2] B.V.) en [D] en daarmee inkomsten verworven. Deze instellingen zijn ieder aangemerkt als toegelaten zorginstelling in de zin van de Wet toegelaten zorginstellingen (hierna: WTZi). Zij beschikken ieder tevens over een certificering voor harmonisatie kwaliteitsbeoordeling in de zorg (hierna: HKZ-certificering). Daarnaast heeft eiseres in 2013 inkomsten uit loondienst verworven met werkzaamheden voor Stichting [E] . 4. Eiseres heeft op 31 maart 2014 aangifte IB/PVV 2013 gedaan naar een verzamelinkomen (belastbaar inkomen uit werk en woning) van € 37.851 dat als volgt is opgebouwd: Netto omzet [A] € 4.472 Stichting [C] € 28.368 [D] € 7.274 Stichting [E] € 21.910 + Totaal netto omzet € 62.024 € 62.024 Kosten € 10.731 -/- Winst uit onderneming € 51.293 Zelfstandigenaftrek € 7.280 -/- € 44.013 MKB- winstvrijstelling € 6.162 -/- Belastbare winst/verzamelinkomen € 37.851 5. Verweerder heeft eiseres bij brieven van 12 december 2014 en 16 juni 2015 verzocht om informatie over de ingediende aangifte. Eiseres heeft bij brieven met bijlagen door verweerder ontvangen op respectievelijk 15 juli, 6 augustus en 2 september 2015 gereageerd. 6. Verweerder heeft bij brief van 4 september 2015 een voornemen tot afwijking van de aangifte aangekondigd. De aanslag IB/PVV 2013 is met dagtekening 28 oktober 2015 in afwijking van de aangifte vastgesteld. Daarbij zijn de door eiseres in de aangifte opgevoerde kosten en ondernemersfaciliteiten gecorrigeerd. Het hiertegen gerichte bezwaarschrift is door verweerder bij uitspraak van 21 juni 2016 ongegrond verklaard. Geschil 7. In geschil is of eiseres haar werkzaamheden als zorgverlener voor [A] , Stichting [C] en [D] als zelfstandig ondernemer of in dienstbetrekking heeft verricht, meer in het bijzonder of zij aanspraak kan maken op aftrek van kosten en op de ondernemersfaciliteiten. 8. Eiseres stelt dat zij met voormelde werkzaamheden in 2013 als zelfstandig ondernemer winst uit onderneming heeft genoten. Zij voert daartoe aan dat zij ingeschreven staat in het handelsregister van de Kamer van Koophandel, dat zij meer dan drie opdrachtgevers heeft per boekjaar, dat verweerder een VAR-wuo 2013 heeft afgegeven en haar werkzaamheden nooit zijn gewijzigd en dat personen die dezelfde werkzaamheden uitoefenen door verweerder wel als ondernemer worden aangemerkt. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag tot een berekend naar een verzamelinkomen (belastbaar inkomen uit werk en woning) van € 37.851 en dienovereenkomstige vermindering van de beschikking belastingrente. 9. Verweerder stelt dat eiseres alleen loon uit (fictieve) dienstbetrekking heeft genoten. Hij voert daartoe aan dat de arbeidsrelaties van eiseres niet aan de vereisten voor ondernemerschap maar wel aan de vereisten voor privaatrechtelijke dienstbetrekkingen voldoen. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Beoordeling van het geschil Winst uit onderneming 10. Gelet op de rangorderegeling van artikel 2.14, eerste lid, van de Wet IB 2001, zal de rechtbank eerst nagaan of eiseres winst uit onderneming geniet. Ingevolge artikel 3.8 van de Wet IB 2001 is winst uit onderneming het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit een onderneming. 11. Van een onderneming in de zin van de Wet IB 2001 is sprake indien door middel van een organisatie van arbeid en kapitaal aan het maatschappelijke productieproces wordt deelgenomen met het oogmerk om, en in de (redelijke) verwachting, daarmee een positief resultaat (winst) te behalen. Voorts is voor een onderneming kenmerkend dat de werkzaamheden onafhankelijk (en niet in een gezagsverhouding) worden verricht en dat de belastingplichtige ondernemersrisico loopt. Op eiseres rust de last feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat haar activiteiten in de onderhavige periode een onderneming vormden. 12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van winst uit onderneming. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. 12.1 Blijkens artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel j, van de AWBZ (tekst geldend in 2013) wordt onder een zorgaanbieder verstaan: een instelling of persoon die zorg als bedoeld in artikel 6 van de AWBZ verleent. Onder een instelling wordt blijkens artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel e, ten eerste, van de AWBZ verstaan: een instelling in de zin van de WTZi. 12.2 Op grond van artikel 10, eerste lid, van de AWBZ wendt de verzekerde die zijn aanspraak op zorg tot gelding wil brengen zich daartoe tot een zorgaanbieder naar eigen keuze, met wie de zorgverzekeraar waarbij hij is ingeschreven tot dat doel een overeenkomst als bedoeld in artikel 15 van de AWBZ heeft gesloten. Een aanspraak als bedoeld in de vorige volzin kan uitsluitend tot gelding worden gebracht bij een zorgaanbieder die is gevestigd binnen het grondgebied van het Europese deel van Nederland, de staten behorende tot de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte of van Zwitserland en die de zorg waarop aanspraak bestaat levert binnen het desbetreffende grondgebied. 12.3 Op grond van artikel 5, eerste lid, van de WTZi (tekst geldend in 2013) moet een organisatorisch verband dat behoort tot een bij AMvB aangewezen categorie van instellingen die zorg verlenen waarop aanspraak bestaat ingevolge artikel 6 van de AWBZ of ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet, voor het verlenen van die zorg een toelating hebben van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Blijkens het tweede lid kan aan instellingen met een winstoogmerk slechts toekenning worden verleend, indien die instelling behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie. 12.4 Voor het fiscale ondernemerschap is van belang of eiseres, als zorgverlener, voldoende zelfstandigheid bezit. Eiseres heeft de AWBZ-zorg in natura uitsluitend verricht via bemiddeling van [A] , Stichting [C] en [D] . 12.5 Vast staat dat eiseres in 2013 niet rechtstreeks en buiten [A] , Stichting [C] en [D] om met patiënten zorgovereenkomsten heeft gesloten. Uit de beschikbare informatie, waaronder de toepasselijke wetgeving, de overgelegde stukken en de door eiseres ter zitting gegeven toelichting, kan de rechtbank niet afleiden dat eiseres voldoende zelfstandig was in haar werkzaamheden om tot ondernemerschap te kunnen concluderen. Vooropgesteld moet worden dat de toepasselijke wetgeving meebrengt dat eiseres de zorg niet onder eigen naam, voor eigen verantwoordelijkheid en voor eigen risico aan de patiënten kan hebben aangeboden, nu deze zorg alleen door toegelaten zorginstellingen kan worden aangeboden en eiseres geen toegelaten zorginstelling is. Blijkens de overgelegde ‘Spelregels binnen [D] ’ blijkt dat eiseres zich diende te houden aan de zorgplannen die met de patiënten zijn opgesteld en aan de Leveringsvoorwaarden Zorg Zonder Verblijf, het Kwaliteitskader Norm Verantwoorde Zorg en/of het Kwaliteitskader Verantwoorde Hulp bij het Huishouden en de HKZ-rubrieken 1 tot en met 3. Blijkens de overgelegde Algemene Voorwaarden voor zorg van ActiZ en BTN vond de zorgverlening aan de cliënten van [A] , Stichting [C] en [D] plaats aan de hand van een zorgleefplan dat in samenspraak tussen zorginstelling en cliënt werd opgesteld. Ter zitting heeft eiseres nog toegelicht dat de zorginstelling eindverantwoordelijk was voor de behandeling, dat de zorginstelling bepaalde hoe zij haar werk moest doen, dat zij zich aan het zorgplan diende te houden en dat een verpleegkundige van de zorginstelling haar eventuele voorstellen voor een wijziging in de behandeling moest accorderen. Voorts heeft eiseres toegelicht dat zij slechts haar gewerkte uren aan de zorginstelling doorgaf en dat deze de financiële afrekening verzorgde aan de hand van tarieven waarover eiseres niet kon onderhandelen. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat zij bij haar werkzaamheden ondernemersrisico liep. De risico’s geen opdrachten te krijgen of niet betaald te worden als zij een administratieve fout had gemaakt of als ter plaatse alleen geconstateerd kon worden dat de patiënt was overleden zijn geen ondernemersrisico’s. Ook oproep- of uitzendkrachten lopen immers dergelijke risico’s. 13. Uit het voorgaande volgt dat in 2013 van ondernemerschap in de zin van de Wet IB 2001 geen sprake is. Gelijkheidsbeginsel 14. Eiseres heeft haar stelling dat personen die dezelfde werkzaamheden uitoefenen door verweerder wel als ondernemer worden aangemerkt niet onderbouwd. Daarmee heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat haar een beroep op het gelijkheidsbeginsel toekomt. Loon uit dienstbetrekking 15. Ingevolge artikel 3.81 van de Wet IB 2001 in samenhang met artikel 10 van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964), voor zover hier van belang, is loon al wat uit een dienstbetrekking wordt genoten. Op verweerder rust de last aannemelijk te maken dat eiseres met de zorgaanbieders arbeidsovereenkomsten is aangegaan. 16. Bij deze beoordeling is maatgevend of is voldaan aan de eisen van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek, waarvoor als vereisten gelden: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.