RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Privaatrecht Sectie Kanton - locatie Haarlem Zaaknr.: 6694131 \ AO VERZ 18-42 Uitspraakdatum: 4 juni 2018 Beschikking in de zaak van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Facta Aandrijftechniek B.V., gevestigd te Uitgeest verzoekende partij verder te noemen: Facta gemachtigde: mr. A.G. Moeijes tegen [werknemer] , wonende te [woonplaats] verwerende partij verder te noemen: [werknemer] gemachtigde: mr. P.P.J.L. Appelman 1Het procesverloop 1.1. Facta heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [werknemer] heeft een verweerschrift en een tegenverzoek ingediend. 1.2. Op 15 mei 2018 heeft een zitting plaatsgevonden. Beide partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van pleitnotities. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen verder ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting hebben Facta en [werknemer] bij brieven van 7 respectievelijk 9 mei 2018 nog stukken toegezonden. 2De feiten 2.1. Facta houdt zich bezig met het repareren, onderhouden, inspecteren en verkopen van rotating equipment en alle aanverwante producten en diensten. 2.2. [werknemer] , geboren [in 1966] , is op 30 november 1992 in dienst getreden bij Facta. De laatste functie die [werknemer] vervulde, is die van eerste monteur binnendienst, met een salaris van € 2.552,30 bruto per maand exclusief vakantietoeslag. 2.3. Eind juli 2011 heeft de leidinggevende van [werknemer] , [leidinggevende 1] (hierna: [leidinggevende 1] ), een eerste gesprek met [werknemer] gevoerd omtrent zijn functioneren dan wel werkhouding en hebben zij ter verbetering hiervan afspraken met elkaar gemaakt. Op 29 september 2011, 7 juni 2012, 14 juni 2012, 5 oktober 2012 hebben vervolggesprekken plaatsgevonden. 2.4. Naar aanleiding van een incident heeft [directeur] , directeur Facta, op 8 oktober 2012 telefonisch contact opgenomen met [werknemer] en met hem afgesproken dat hij een week vrij zou nemen om de gemoederen tot rust te laten komen. 2.5. Bij brief van 12 juli 2013 heeft Facta [werknemer] een laatste officiële waarschuwing gegeven, met als reden dat [werknemer] op 11 juli 2013 het uitvoeren van een werkopdracht heeft geweigerd. Daarbij is aan [werknemer] medegedeeld dat indien er in de komende tijd geen verbetering wordt waargenomen in zijn werkhouding of er zich nog een incident voordoet, [werknemer] zal worden ontslagen. 2.6. Medio 2015 is een eerste verbetertraject gestart, met als verbeterpunten (samengevat): focussen op eigen werk, volledig invullen van dossiers, foutloos werken en verhogen werktempo. Deze punten zouden tweewekelijks met [werknemer] worden besproken. 2.7. Op 17 september 2015 is [werknemer] door [leidinggevende 1] in het kader van een beoordelingsgesprek beoordeeld met een 1,7 (waarbij 1= onvoldoende, 2= voldoende, 3= goed, 4= zeer goed). [leidinggevende 1] heeft daarbij aangegeven dat de afgelopen maanden sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. [werknemer] ervaart dit niet zo. 2.8. Op 5 juli 2017 is een tweede verbetertraject opgestart, waarbij de verbeterpunten (werken conform procedures, orde en netheid op de werkplek, plannen en organiseren, flexibiliteit, klantgerichtheid, samenwerken en kwaliteitsgerichtheid) gedurende een periode van drie maanden tussentijds zouden worden geëvalueerd. 2.9. Bij brief van 29 november 2017 heeft [leidinggevende 1] aan [werknemer] het volgende geschreven: ‘(…) Op 5 juli 2017 zijn we met elkaar een verbetertraject ingegaan met uiteindelijk doel een werkbare en prettig werkomgeving en samenwerken. Met vaste regelmaat, iedere twee weken m.u.v. de vakantieperiode, hebben we vervolgens een evaluatiegesprek gehouden. (…) Inmiddels hebben we al op 2 november jl. kunnen concluderen dat er geen reden is om de voortgangsgesprekken in te plannen. Het gaat goed. (…) Vandaag is de laatste formele afspraak geweest. Ik ben blij dat we het traject vandaag positief kunnen afronden (…).’ 2.10. Per 1 januari 2018 is de afdeling van [werknemer] in twee groepen gesplitst en is [werknemer] onder de leiding geplaatst van [leidinggevende 2] (hierna: [leidinggevende 2] ). 2.11. In de derde week van januari 2018 is door Facta een camera opgehangen in de werkplaats waar – onder andere – [werknemer] werkzaam was. [werknemer] heeft hiertegen bezwaar gemaakt en een klacht ingediend. De camera is op 5 februari 2018 door Facta verwijderd. 2.12. Op 8 februari 2018 zijn de ramen bij de werkplek van [werknemer] vervangen door matglas. [werknemer] heeft hierover zijn onvrede geuit. 3Het verzoek 3.1. Facta verzoekt de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, sub a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 3, sub e, dan wel sub d, sub g, of sub h, BW, zonder toekenning van de transitievergoeding of enige andere vergoeding aan [werknemer] en zonder inachtneming van een opzegtermijn. 3.2. Aan dit verzoek legt Facta ten grondslag dat sprake is van – kort gezegd – (ernstig) verwijtbaar handelen zijdens [werknemer] , dan wel van disfunctioneren, een verstoorde arbeidsverhouding of van omstandigheden die zodanig zijn dat van Facta redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ter onderbouwing daarvan heeft Facta naar voren gebracht dat [werknemer] door zijn negatieve werkhouding al jaren een negatieve invloed heeft op het bedrijf. Er zijn vanaf 2011 meerdere verbetertrajecten ingezet, maar zonder resultaat. Diverse leidinggevenden geven aan dat zij geen plaats meer voor [werknemer] zien in het team. Voor Facta is de maat vol. 4Het verweer en het tegenverzoek 4.1. [werknemer] stemt in met de ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst, met dien verstande dat als einddatum (primair) 1 januari 2019 wordt aangehouden, dan wel (subsidiair) dat rekening wordt gehouden met de opzegtermijn van vier maanden. Daarbij verzoekt [werknemer] dat Facta wordt veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding ter hoogte van € 36.973,64 bruto en een billijke vergoeding ter hoogte van € 310.317,16 bruto. Verder verzoekt [werknemer] om Facta te veroordelen tot afgifte van zijn privéspullen en om intern een door [werknemer] opgestelde verklaring te doen uitgaan aan alle medewerkers van Facta, op straffe van een dwangsom. Ten slotte verzoekt [werknemer] om Facta te veroordelen in de kosten van de procedure. 4.2. Voor zover de kantonrechter het verzoek van Facta zal afwijzen dan wel voor het geval Facta haar verzoek zal intrekken, verzoekt [werknemer] bij wijze van tegenverzoek om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding, met dien verstande dat rekening wordt gehouden met, dan wel onder toekenning van, al hetgeen onder 4.1. is beschreven. 4.3. [werknemer] voert hiertoe – kort weergegeven – aan dat ook hij van mening is dat sprake is van een dermate verstoorde arbeidsverhouding zodat zijn terugkeer bij Facta feitelijk onmogelijk is geworden. Deze verstoring is volledig en wellicht zelfs bewust door Facta veroorzaakt, zodat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van Facta jegens [werknemer] . 5De beoordeling in de zaak van het verzoek 5.1. Nu tussen partijen vast staat dat sprake is van een onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding en Facta in het verzoek de keuze omtrent de grond waarop de arbeidsovereenkomst ontbonden dient te worden aan de kantonrechter heeft gelaten, zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding. Er is immers sprake van een redelijke grond voor ontbinding als bedoeld in artikel 7:671b lid 1, sub a, BW, in verbinding met artikel 7:669 lid 3, sub g, BW. 5.2. De kantonrechter ziet, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen reden om te oordelen dat herplaatsing van [werknemer] binnen een redelijke termijn in de rede ligt. 5.3. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8, sub a, BW ontbinden met ingang van 1 november 2018. Dit is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd. De kantonrechter ziet geen aanleiding om – zoals door [werknemer] primair is aangevoerd – de arbeidsovereenkomst te ontbinden per 1 januari 2019. Naar het oordeel van de kantonrechter is de verstoring van de arbeidsverhouding in overwegende mate te wijten aan Facta en kan haar hiervan een ernstig verwijt worden gemaakt, zodat – met toepassing van artikel 7:671b lid 8, sub a, BW – de proceduretijd niet in mindering zal worden gebracht op de opzegtermijn. In het navolgende zal de kantonrechter het oordeel omtrent de ernstige verwijtbaarheid nader onderbouwen. 5.4. Vast staat dat ten aanzien van het functioneren en het gedrag van [werknemer] in 2015 een eerste verbetertraject heeft plaatsgevonden. Ondanks de daarop volgende negatieve beoordelingen heeft Facta, kennelijk, besloten om de situatie na het eerste verbetertraject enige tijd aan te zien, waarna medio 2017 een tweede verbetertraject is opgestart. In november 2017 is het tweede verbetertraject afgerond, waarbij [leidinggevende 1] heeft aangegeven dat er geen reden is om nog voortgangsgesprekken in te plannen. ‘Het gaat goed’, aldus [leidinggevende 1] . Dat de verhouding tussen [werknemer] en [leidinggevende 1] ook na het afronden van het tweede verbetertraject gespannen is gebleven, staat niet ter discussie. 5.5. Per 1 januari 2018 is [werknemer] onder de leiding van [leidinggevende 2] geplaatst. [leidinggevende 2] heeft na twee maanden aangegeven dat er een onwerkbare situatie met [werknemer] is ontstaan. Facta heeft ter zitting verklaard dat zij hierdoor voor de keuze stond om [werknemer] ofwel nog een laatste kans te geven, ofwel om met elkaar om te tafel te gaan om te spreken over een vertrekregeling, ofwel om een ontbindingsprocedure aanhangig te maken. Facta heeft ervoor gekozen om een ontbindingsprocedure aanhangig te maken, omdat het geven van nog een kans aan [werknemer] volgens haar zou leiden tot een onaanvaardbare situatie op de werkvloer nu sprake was van onoverbrugbare problemen met zowel [leidinggevende 1] als [leidinggevende 2] (de enige teamleiders), omdat het gedrag van [werknemer] naar de mening van Facta onverbeterlijk is gebleken en omdat overleg om tot een vertrekregeling te komen door Facta werd ingeschat als kansloos. 5.6. Facta heeft naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zich, nadat aan [werknemer] op 29 november 2017 is medegedeeld dat zijn verbetertraject positief was afgerond, dusdanige incidenten hebben voorgedaan waaruit blijkt dat thans sprake is van omstandigheden die maken dat van Facta niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. In de periode na 29 november 2017 heeft Facta geen enkel gesprek met [werknemer] gevoerd met betrekking tot zijn functioneren of zijn werkhouding. Evenmin heeft [werknemer] in de periode van 29 november 2017 tot 2 maart 2018 (de datum van het verzoekschrift) een brief of waarschuwing van Facta gekregen, waaruit hij zou hebben kunnen of moeten afleiden dat Facta van mening was dat het (toch) niet goed ging met zijn werkhouding en dat voor Facta de maat (bijna) vol was. Dit terwijl uit de overgelegde stukken blijkt dat Facta in de periode vóór 29 november 2017 [werknemer] meermaals heeft aangesproken op zijn functioneren en werkhouding en hem ook heeft gewaarschuwd voor de eventuele gevolgen indien er geen verbetering zou plaatsvinden. Dat na de wissel van leidinggevende is gebleken dat de problemen met de werkhouding van [werknemer] zijn toegenomen, zoals door Facta is gesteld, is dan ook niet aannemelijk gemaakt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting blijkt ook niet dat [leidinggevende 2] [werknemer] heeft aangesproken op zijn functioneren of op zijn werkhouding. 5.7. Het had naar het oordeel van de kantonrechter op de weg van Facta – als werkgeefster – gelegen om te proberen de (naar haar mening ontstane) negatieve verhouding tussen [leidinggevende 2] en [werknemer] te verbeteren. Dit heeft zij nagelaten. In plaats daarvan heeft Facta aan [werknemer] op 2 maart 2018 een vaststellingsovereenkomst overhandigd en op diezelfde datum een ontbindingsverzoek ingediend. Facta heeft naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gedaan om de (volgens haar op dat moment
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.