← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2018:4589

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 17/2732 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 12 april 2018 in de zaak tussen [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. E.W.M. Aalsma), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon, verweerder (gemachtigde: B. van Yperen). Procesverloop Bij brief van 6 september 2016 heeft verzoeker verweerder verzocht de door hem geleden omzetderving ten bedrage van € 6.937,66 te vergoeden. Verweerder heeft dit verzoek aangemerkt als een verzoek om vergoeding van schade zoals bedoeld in artikel 8:90, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en heeft bij e-mail van 26 april 2017 aan verzoeker bericht geen aanleiding te zien schadevergoeding toe te kennen. Verzoeker heeft de rechtbank vervolgens verzocht verweerder te veroordelen tot schadevergoeding zoals bedoeld in artikel 8:90, eerste lid, van de Awb. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april

  1. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af. Overwegingen
  2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
  3. Bij besluit van 25 mei 2016 heeft verweerder aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd waarbij verzoeker - kort samengevat - is gelast om het gebruik van het hotel De Haan te staken totdat verzoeker de beschikking heeft over een omgevingsvergunning brandveilig gebruik. Een dergelijke omgevingsvergunning heeft verzoeker op 18 mei 2016 aangevraagd en deze is op 5 september 2016 verleend.
  4. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de last onder dwangsom van 25 mei 2016 onrechtmatig is geweest ten aanzien van het gebruik van de eerste verdieping van het hotel, omdat hij ten aanzien van deze verdieping reeds beschikte over een omgevingsvergunning brandveilig gebruik.
  5. Vaststaat dat tegen de last onder dwangsom geen rechtsmiddelen zijn aangewend zodat in beginsel van de rechtmatigheid van deze last moet worden uitgegaan.
  6. In het kader van deze verzoekschriftprocedure is aan de orde het antwoord op de vraag of verweerder bij de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding terecht ervan is uitgegaan dat met de onherroepelijkheid van de last onder dwangsom ook de rechtmatigheid vaststaat.
  7. Verzoeker betoogt dat hem de formele rechtskracht van het besluit niet kan worden tegengeworpen, omdat verweerder de onrechtmatigheid van de last heeft erkend. Verzoeker heeft daarbij verwezen naar het besluit van 7 juli 2016 waarbij aan verzoeker weer toestemming is gegeven om de eerste verdieping te gebruiken.
  8. Dat betoog faalt. Anders dan verzoeker leest de rechtbank in het besluit van 7 juli 2016 geen erkenning van de onrechtmatigheid van de last onder dwangsom. In dit besluit wordt naar het oordeel van de rechtbank uitsluitend gemotiveerd aangegeven waarom verzoeker de eerste verdieping weer in gebruik mag nemen. Ook al zou verzoeker moeten worden gevolgd in zijn betoog, dan nog heeft die erkenning niet plaatsgevonden voor het verstrijken van de termijn voor het indienen van bezwaar, te weten op 6 juli 2016 (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1004). Dat de brandweer reeds op 4 juli 2016 heeft geconstateerd dat de eerste verdieping weer in gebruik kon worden genomen kan niet op één lijn worden gesteld met een erkenning. Ook om die reden treft het betoog van verzoeker geen doel.
  9. Omdat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzitter, mr. M.P. de Valk, mr. E.B. de Vries – van den Heuvel, leden, in aanwezigheid van mr. M. van Excel, griffier, op 12 april
  10. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.