RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 18/2343 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 juni 2018 in de zaak tussen [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. B.J. Meruma), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Landsmeer, verweerder (gemachtigde: mr. M.C.A.M. Veerman). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam derde partij] , te [woonplaats] . Procesverloop Bij besluit van 20 april 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoeker gelast de gerealiseerde vlonder en de steiger gelegen op en aan het perceel [perceel] te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- ineens. Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen strekkende tot schorsing van het primaire besluit tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni
- Verzoeker is verschenen, vergezeld door zijn partner en bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij is tevens verschenen. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Overwegingen
- Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een bodemgeding niet.
- Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het door verweerder genomen handhavingsbesluit niet onrechtmatig. Daartoe is het volgende van belang.
- Zowel de door verzoeker gebouwde steiger als de vlonder zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Van vergunningsvrije bouwwerken als bedoeld in Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht is geen sprake, zodat voor het realiseren ervan omgevingsvergunning is vereist. Reeds omdat verzoeker beide heeft gerealiseerd zonder de vereiste omgevingsvergunning, is verweerder bevoegd handhavend op te treden.
- Verder heeft verweerder zich in het bestreden besluit ook op het standpunt kunnen stellen dat verweerder niet wegens bijzondere omstandigheden van handhavend optreden had moeten afzien. Van zicht op legalisatie is geen sprake reeds nu verzoeker geen omgevingsvergunning heeft aangevraagd ter legalisering van de steiger en vlonder en ook overigens is niet gebleken dat handhavend optreden zodanig onevenredig is dat verweerder daarvan had moeten afzien. In de door verzoeker (ook reeds in het besluit betrokken, maar eveneens) ter zitting opgevoerde omstandigheid dat een aanpassing nú in de toekomst mogelijk weer ongedaan mag worden gemaakt, waarmee hoge kosten zullen zijn gemoeid, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding te komen tot een andere beslissing.
- Omdat het verzoek is afgewezen, heeft verzoeker nog twee weken na de datum van deze uitspraak om de vlonder en steiger te verwijderen, dan wel de situatie in overeenstemming te brengen met een situatie waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Drenth, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juni
- griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.