← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2018:5117

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf Locatie Alkmaar Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/860250-15 (P) Uitspraakdatum: 19 juni 2018 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 5 juni 2018 in de zaak tegen: [verdachte] geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [woonplaats] De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.G.T. Kramer en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. B. Hartman, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: Primair hij op of omstreeks 12 april 2015 in de gemeente Alkmaar tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte(n): - (telkens) zijn/hun penis(sen) in de vagina van die [slachtoffer] geduwd en/of gebracht, en/of - een vinger in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd en/of gebracht en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(

  1. en)en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(
  2. en)uit de volgende omstandigheden: - het aanbieden van grote hoeveelheden alcohol aan die [slachtoffer] , waarna die [slachtoffer] erg dronken is geworden, en/of - dat die [slachtoffer] een licht verstandelijke beperking heeft, waardoor die [slachtoffer] minder goed weerstand kon bieden tegen die verdachte(
  3. n)en/of de handelingen van die verdachte(n), en/of - het (fysieke) overwicht van een groep jongens (die ouder is dan die [slachtoffer] ) in de woning van medeverdachte [medeverdachte 2] , terwijl die [slachtoffer] het enige meisje was, en/of - het met kracht vastpakken en/of vasthouden van de benen en/of het lichaam van die [slachtoffer] , en/of aldus heeft hij verdachte en/of een of meer van zijn medeverdachte(
  4. n)een bedreigende situatie voor die [slachtoffer] doen ontstaan; Subsidiair hij op of omstreeks 12 april 2015 in de gemeente Alkmaar, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met [slachtoffer] , van wie hij, verdachte en/of een of meer van zijn medeverdachte(n), wist(
  5. en)dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn/haar geestvermogens leed dat deze niet of onvolkomen in staat was zijn/haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, immers was die [slachtoffer] zwaar onder invloed van alcoholhoudende drank een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte(n): - zijn/hun penis(sen) in de vagina van die [slachtoffer] geduwd en/of gebracht, en/of - een vinger in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd en/of gebracht; Meer Subsidiair hij op of omstreeks 12 april 2015 in de gemeente Alkmaar, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte(n): - zijn/hun penis(sen) in de vagina van die [slachtoffer] geduwd en/of gebracht, en/of - een vinger in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd en/of gebracht. 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3Standpunten van partijen 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde medeplegen van verkrachting en tot bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde medeplegen van seksueel binnendringen bij een persoon die verkeert in een staat van verminderd bewustzijn. Zij heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, onder oplegging van de algemene voorwaarden en de bijzondere voorwaarden zoals opgenomen in het reclasseringsrapport d.d. 31 mei 2018, met aftrek van de periode dat verdachte in voorarrest heeft verbleven. Omdat er volgens de officier van justitie ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank de voorwaarden dadelijk uitvoer zal verklaren. Met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank de teruggave hiervan aan verdachte zal gelasten. 3.2. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft gepleit voor vrijspraak voor het primair ten laste gelegde feit en heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat sprake was van dwang als bedoeld in art. 242 Sr, laat staan van (bedreiging met) geweld tegen aangeefster [slachtoffer] . Met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde seksueel binnendringen bij een persoon die verkeert in een staat van verminderd bewustzijn, is de raadsman van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van dit feit, met uitzondering van het medeplegen. Uit de bewijsmiddelen volgt volgens de raadsman niet dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten die was gericht op seksueel contact met aangeefster. De raadsman heeft de rechtbank verzocht af te zien van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de duur van het voorarrest te boven gaat en in plaats daarvan een werkstraf en een forse voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. 4Oordeel van de rechtbank 4.1. Vrijspraak De rechtbank acht, gelijk het standpunt van de officier van justitie en de verdediging, niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen aangeefster heeft verkracht zoals primair ten laste is gelegd. Voor bewezenverklaring van (het medeplegen van) verkrachting is vereist dat komt vast te staan dat verdachte (en zijn medeverdachten) door gebruik van geweld of een andere feitelijkheid, dan wel het dreigen daarmee, aangeefster heeft (hebben) gedwongen tot het dulden van seksuele handelingen. De rechtbank acht dit niet bewezen. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde medeplegen van verkrachting. 4.2. Redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat. 4.3. Bewijsmotivering Medeplegen De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden gekwalificeerd indien sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de betrokkenen en de bewezenverklaarde intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Op basis van de inhoud van het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting, stelt de rechtbank vast dat verdachte, medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op 12 april 2015 gezamenlijk aangeefster [slachtoffer] hebben opgehaald en hebben meegenomen naar het verblijf van medeverdachte [medeverdachte 2] . [slachtoffer] was op dat moment reeds onder invloed van alcohol en heeft in de kamer van [medeverdachte 2] nog meer sterke drank gedronken, waarna zij op enig moment “out” is gegaan en op bed is gaan liggen. Vervolgens is door de vier jongens gedurende enige tijd gesproken over seks met [slachtoffer] en zijn zij met z’n vieren om het bed gaan staan waarop [slachtoffer] lag te slapen. Verdachte heeft de knoopjes van de kleding van [slachtoffer] losgemaakt, haar broek is uitgetrokken en medeverdachte [medeverdachte 2] heeft [slachtoffer] gevingerd. Dit alles gebeurde terwijl alle vier de jongens bij het bed stonden. Vervolgens hebben achtereenvolgens verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] geslachtsgemeenschap met [slachtoffer] gehad waarbij zij hun penis in de vagina van [slachtoffer] hebben gebracht. Terwijl verdachte en [medeverdachte 3] seks hadden met [slachtoffer] , waren telkens alle jongens in de ruimte aanwezig en hebben zij gezien wat er gebeurde. Geen van hen heeft een ander tegengehouden of de situatie doen stoppen. Integendeel, op het moment dat de ene jongen klaar was, ging een andere jongen verder. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat hierdoor wel degelijk sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering van het delict. Immers, alle jongens hebben seksuele handelingen gepleegd met [slachtoffer] en hebben elkaar daarvoor de ruimte geboden, klaarblijkelijk op basis van een stilzwijgende afspraak om “om de beurt” hun gang te gaan met [slachtoffer] . De kamer van medeverdachte [medeverdachte 2] is van beperkte afmeting, waarvan het slaapgedeelte deels is afgeschermd door een dekbed. Op het moment van het seksueel binnendringen van het lichaam heeft telkens noch verdachte, noch één van medeverdachten zich gedistantieerd of ingegrepen, terwijl men op de hoogte was van wat zich achter het dekbed afspeelde.De rechtbank acht het tenlastegelegde medeplegen daarom bewezen. Beoordeling artikel 243 Sr Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 243 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) moet worden beoordeeld of aangeefster ten tijde van de seksuele handelingen verkeerde in een staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht. Uit het verhandelde ter terechtzitting en de stukken van het dossier kan de rechtbank niet afleiden dat [slachtoffer] ten tijde van de seksuele handelingen voortdurend volledig buiten bewustzijn was of dat zij in een fysiek weerloze toestand verkeerde. De rechtbank acht wel bewezen dat [slachtoffer] verkeerde in een staat van verminderd bewustzijn. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met het opnemen van het bestanddeel verminderd bewustzijn in artikel 243 Sr heeft beoogd strafbaar te stellen het plegen van seksuele handelingen, waaronder het seksueel binnendringen, met iemand die verkeert tussen waakzaamheid en geheel van de wereld zijn, waarbij van degene die verminderd bewust is in redelijkheid niet kan worden verwacht dat hij of zij weerstand biedt aan de seksuele verlangens van een ander. Op grond van de bewijsmiddelen concludeert de rechtbank dat [slachtoffer] op de bewuste avond in een zodanige staat van dronkenschap verkeerde, dat zij niet voldoende in staat was haar wil te bepalen of kenbaar te maken omtrent dan wel weerstand te bieden tegen de handelingen van de verdachten. Dat dit kenbaar was voor hen, volgt uit het feit dat [slachtoffer] na gebruik van sterke drank moest overgeven en vervolgens in slaap is gevallen, terwijl pogingen om haar wakker te maken naar zeggen van de verdachten geen resultaat hadden. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de verklaring van verdachte dat hij niet de indruk had dat [slachtoffer] niet merkte of vervelend vond wat er gebeurde omdat zij in zijn beleving “communiceerde”. 4.4. Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat hij op 12 april 2015 in de gemeente Alkmaar, tezamen en in vereniging met anderen, met [slachtoffer] , van wie hij, verdachte en zijn medeverdachten, wisten dat deze in staat van verminderd bewustzijn verkeerde, immers was die [slachtoffer] zwaar onder invloed van alcoholhoudende drank, handelingen heeft gepleegd die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers hebben verdachte en zijn medeverdachten: - hun penis(sen) in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en - een vinger in de vagina en tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] gebracht. Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 5Kwalificatie en strafbaarheid van het feit: Het subsidiair bewezenverklaarde levert op: met iemand van wie hij weet dat zij in staat van verminderd bewustzijn verkeert, handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar. 6Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar. 7Motivering van de hoofdstraffen Bij de beslissing over de hoofdstraffen die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich, samen met drie anderen, schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van de destijds 15 jaar oude [slachtoffer] . Dit misbruik bestond uit het met hun penis penetreren en het vingeren van haar vagina, terwijl verdachte en zijn medeverdachten wisten dat [slachtoffer] zo dronken was dat zij daar geen weerstand tegen kon bieden. Aldus hebben verdachte en zijn medeverdachten een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het jonge en kwetsbare slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke delicten langdurig de nadelige gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Klaarblijkelijk hebben verdachte en zijn medeverdachten zich uitsluitend laten leiden door hun wens tot bevrediging van hun seksuele verlangens, zonder zich ook maar een moment te bekommeren om de seksuele integriteit en het welzijn van [slachtoffer] . Verdachte en zijn medeverdachten hebben schaamteloos gebruik gemaakt van de gelegenheid die zich voordeed, zonder ook maar een moment stil te staan bij de mogelijke consequenties van hun handelen. De rechtbank rekent dit verdachte zeer ernstig aan. Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op: - het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 1 mei 2018, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld, maar niet vanwege een zedendelict. - het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 31 mei 2018 van S. Blokdijk, als reclasseringswerker, verbonden aan GGZ Reclassering Fivoor. Het voorlichtingsrapport houdt onder meer het volgende in: Sinds augustus 2015 is betrokkene niet meer veroordeeld. Sinds 2016 heeft betrokkene zijn sociaal-maatschappelijke integratie enigszins vergroot. Hij beschikt over stabiele huisvesting en is een opleiding gestart. Een eventuele detentie zou deze vooruitgang doorkruisen. Er is nog wel sprake van mogelijk zorgelijk middelengebruik en psychische en persoonlijkheidsproblematiek. Behandeling voor de gediagnosticeerde PTSS heeft nog niet plaatsgevonden. GGZ Reclassering Fivoor acht deze behandeling gericht op PTSS nog van toegevoegde waarde. Geadviseerd wordt de navolgende bijzondere voorwaarden op te leggen: - Meldplicht; - Behandelverplichting - meewerken aan referentencontacten, huisbezoeken en urinecontroles. Hoewel de ernst van het feit zonder meer een langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsstraf rechtvaardigt, is oplegging hiervan thans, drie jaren na het plegen van het feit, niet langer opportuun. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte, ten tijde van het feit een jong volwassene van 21 jaar, in de tussentijd geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd en inmiddels zijn leven een positieve wending heeft gegeven. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf gelijk aan de periode dat verdachte in voorarrest heeft verbleven moet worden opgelegd. Daarnaast acht de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, alsmede een werkstraf van de maximale duur passend en geboden. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zal de rechtbank naast de algemene voorwaarden ook de bijzondere voorwaarden koppelen, zoals opgenomen in het reclasseringsadvies van 31 mei 2018. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van de situatie dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom zal de rechtbank de vordering tot dadelijke uitvoerbaarheid van het toezicht en de voorwaarden afwijzen. 8Beslissing omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen De onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten 1. stk GSM-toestel kl: zwart SAMSUNG 537794 2. 1.00 stk GSM-toestel SAMSUNG GT-S5360 537798 3. 1.00 stk GSM-toestel kl: zwart LG 537800 4. 1.00 stk GSM-toestel NOKIA RH-59 537806 5. 1.00 stk GSM-toestel ALCATEL 537813 6. 1.00 stk GSM-toestel BLACKBERRY CURVE 537816, dienen te worden teruggegeven aan verdachte. 9Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel 9.1 De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.000,00 ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het handelen van verdachte zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. 9.2. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij integraal hoofdelijk kan worden gewezen, met oplegging van de strafvergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Wetboek van Strafrecht. 9.3. De raadsman van verdachte heeft primair aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat zij door een definitieve uitkering door het Schadefonds Geweldsmisdrijven geen schade meer heeft. Subsidiair heeft de raadsman zich met betrekking tot de hoogte van de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Wel heeft hij in geval van vrijspraak van het medeplegen de rechtbank verzocht de betalingsverplichting niet hoofdelijk op te leggen en enkel ¼ van het bedrag toe te wijzen in de zaak tegen verdachte. 9.4. De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade rechtstreeks voortvloeit uit het subsidiair bewezenverklaarde feit. Vergoeding van de schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. 9.5 Blijkens een brief van 7 juni 2017 heeft de benadeelde partij een bedrag van € 5.000,00 uitgekeerd gekregen van het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat deze uitkering er niet aan in de weg staat om hetzelfde bedrag in een strafprocedure via een verzoek tot schadevergoeding in te dienen. In artikel 6, tweede lid, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven is bepaald dat het Schadefonds een uitkering kan toekennen met als voorwaarde dat de door het slachtoffer ontvangen vergoeding als bedoeld in het eerste lid - schade die het slachtoffer op een andere manier heeft kunnen verhalen op de dader - waarvan het fonds na uitkering kennis krijgt, alsnog in mindering kan worden gebracht op de uitkering aan het slachtoffer. Uit de voornoemde brief van het Schadefonds blijkt ook dat het slachtoffer het Schadefonds op de hoogte moet stellen als zij geld van anderen krijgt, bijvoorbeeld van de dader. Het Schadefonds bekijkt vervolgens of de uitkering moet worden terugbetaald. Zoals door de Hoge Raad in een arrest van 20 april 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AO3452) al is geoordeeld heeft het niet-ontvankelijk verklaren van de benadeelde partij in gevallen waarin het Schadefonds Geweldsmisdrijven reeds een bedrag heeft uitgekeerd, het onwenselijk effect dat de schadeveroorzaker niet wordt veroordeeld tot het betalen van de schadevergoeding, maar (een deel van) de schade feitelijk voor rekening van de Staat blijft. 9.6 De vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 april 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd. Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil. schadevergoedingsmaatregel De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen [kort gezegd: het in vereniging seksueel binnendringen van het lichaam van iemand van wie hij weet dat zij in staat van verminderd bewustzijn verkeert] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. 10Toepasselijke wettelijke voorschriften De volgende wetsartikelen zijn van toepassing: artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 243, 248 van het Wetboek van Strafrecht. 11Beslissing De rechtbank: Verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij. Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4 weergegeven. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij. Bepaalt dat het subsidiair bewezen verklaarde feit de hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) DAGEN. Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) MAANDEN met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren. Stelt als algemene voorwaarden dat verdachte: zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen. Stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte: zich zal houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft. Daartoe moet de veroordeelde binnen 5 dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zich melden bij GGZ Reclassering Fivoor, gevestigd te Heerhugowaard, Stationsplein 21, waarna de veroordeelde zich moet blijven melden zo frequent en zo lang als GGZ Reclassering Fivoor dit nodig acht; wordt verplicht zich te laten behandelen voor PTSS door GGZ Noord-Holland Noord of een soortgelijke instelling; wordt verplicht mee te werken aan referentencontacten, huisbezoeken en urinecontroles, waarbij hij zich dient te houden aan de opdrachten van de reclassering die in het kader van het toezicht op de naleving van deze voorwaarde noodzakelijk zijn. Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht). Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 240 (tweehonderdveertig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis. Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro), bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 april 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door één (van
  6. de)medeverdacht(
  7. en)is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd. Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken. Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 april 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van
  8. de)medeverdachte(
  9. en)aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij. Gelast de teruggave aan verdachte van: 1. stk GSM-toestel kl: zwart SAMSUNG 537794 2. 1.00 stk GSM-toestel SAMSUNG GT-S5360 537798 3. 1.00 stk GSM-toestel kl: zwart LG 537800 4. 1.00 stk GSM-toestel NOKIA RH-59 537806 5. 1.00 stk GSM-toestel ALCATEL 537813 6. 1.00 stk GSM-toestel BLACKBERRY CURVE 537816. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.B. Littooy, voorzitter, mr. J. van Beek en mr. P. de Mos, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier D.H. Geuze, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 juni 2018.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.