← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2018:5246

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Privaatrecht Sectie Kanton - locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 6218920 \ CV EXPL 17-7042 Uitspraakdatum: 20 juni 2018 Beschikking in de zaak van: [de passagier] wonende te [woonplaats] verzoekende partij verder te noemen: de passagier gemachtigde: mr. P.N. Meijer (DAS) tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht Air France gevestigde te Roissy CDG Cedex (Frankrijk) verwerende partij verder te noemen: Air France gemachtigde: P. Frühling 1Het procesverloop Dit verloop blijkt uit: het vorderingsformulier (formulier A), ingekomen ter griffie op 24 juli 2017; het aangepaste vorderingsformulier, ingekomen ter griffie op 23 augustus 2017; het antwoordformulier (formulier C), ingekomen ter griffie op 18 januari

  1. 2De feiten 2.
  2. De passagier heeft met Air France een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan Air France de passagier diende te vervoeren op 7 april 2017 van Amsterdam naar Parijs en vervolgens van Parijs naar Bangui (Centraal Afrikaanse Republiek) met vluchtnummer AF
  3. De geplande vertrektijd vanuit Parijs was 10.20 uur (lokale tijd) en de geplande aankomsttijd te Bangui was 15.55 uur (lokale tijd). 2.
  4. Vlucht AF775 is vertraagd uitgevoerd en doorgevlogen naar Yaounde (Kameroen) om vervolgens de volgende dag naar Bangui door te vliegen. De passagier is hierdoor bijna 14 uur later op de eindbestemming te Bangui aangekomen dan volgens het oorspronkelijke vluchtschema was gepland. 2.
  5. De passagier heeft compensatie van Air France gevorderd in verband met voornoemde vertraging. 2.
  6. Air France heeft geweigerd tot betaling over te gaan. 3Het verzoek en het verweer 3.
  7. De passagier verzoekt Air France te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 april 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en tot betaling van de proceskosten. 3.
  8. De passagier baseert haar vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat Air France vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is haar te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 600,
  9. Daarnaast maakt de passagier aanspraak op betaling door Air France van de wettelijke rente. 3.
  10. Air France betwist de vordering. Op haar verweer wordt - voor zover relevant - bij de beoordeling van het geschil ingegaan. 4De beoordeling 4.
  11. De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. 4.
  12. Vast staat dat de passagier met een vertraging van meer dan drie uur is aangekomen op de eindbestemming te Bangui, zodat Air France op grond van de Verordening in beginsel gehouden is de compensatie als bedoeld in de Verordening te voldoen. Dit is anders indien Air France kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening. Volgens overweging 14 van de considerans van de Verordening kunnen dergelijke omstandigheden zich met name voordoen in geval van politieke onstabiliteit, weersomstandigheden die uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen, beveiligingsproblemen, onverwachte vliegveiligheidsproblemen en stakingen die gevolgen hebben voor de vluchtuitvoering van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert. 4.
  13. Air France voert in dit verband aan dat de vlucht van Parijs naar Bangui met 2 uur en 9 minuten werd vertraagd ten gevolge van verschillende passagiers die niet kwamen opdagen (“no shows”) en ten gevolge daarvan is doorgevlogen naar Yaounde (Kameroen) omdat de faciliteiten in Bangui ontbreken om te landen in het donker. Air France heef ter onderbouwing hiervan verwezen naar productie 1 bij haar verweer, te weten de vluchtfiche van de vlucht. Voorts heeft Air France verwezen naar de uitleg van de fiche (productie 2 bij het verweer). Daarin staat volgens Air France vrij vertaald “dat de vertraging impliceerde dat men niet tijdens de dag kon landen wat heeft geleid tot de vlucht CDG-NSI”. Ook heeft Air France verwezen naar het rapport van de “chef de quart” van 7 april 2017, overgelegd als productie 3, waarin vrij vertaald volgens Air France staat dat de vlucht met 1 uur en 53 minuten werd vertraagd “omwille van het te lang zoeken naar de bagages en het niet kunnen opstijgen voor de luchtvaartnacht naar Bangui”. Air France voert aan dat de “no shows” ertoe leidden dat de bagage vanwege veiligheidsredenen van boord gehaald moesten worden en dat zij hierop geen invloed heeft. Het is volgens Air France uiterst gevaarlijk om bagage mee te nemen die niet kan worden toegewezen aan een bepaalde passagier. Zij heeft zich beroepen op eerdere vonnissen van deze rechtbank, waarin is geoordeeld dat “no shows” een buitengewone omstandigheid opleveren. 4.
  14. De kantonrechter oordeelt dat indien een of meerdere “no-shows” ertoe leiden dat de ingecheckte bagage van boord moet worden gehaald, er sprake is van een vliegveiligheids- dan wel beveiligingsprobleem dat niet inherent is aan de normale uitoefening van de activiteit van de luchtvaartmaatschappij. Air France heeft echter niet aangetoond dat bij onderhavige vlucht sprake was van “no shows”. Dit blijkt niet uit het vluchtfiche, noch uit andere door Air France overgelegde stukken. In het (niet gepubliceerde) vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 februari 2016 (4315687 CV EXPL 15-19128) was sprake van een OCC-rapport waarin “Airline Delay Code” 3 stond vermeld, hetgeen betekende “missing checked-in passenger”. Deze codes waren volgens de betreffende luchtvaartmaatschappij via internet te controleren. In het onderhavige geval heeft Air France een vluchtfiche overgelegd. De daarin vermelde IATA-code DL 86 staat volgens Air France voor “Immigration, Customs, Health”. De IATA-code 96 staat volgens Air France voor “Operations, re-routing, diversion, consolidation, aircraft change for reasons other than technical”. Deze laatste code

(96)kan de kantonrechter niet in het vluchtfiche teruglezen. Uit deze code en de toelichting daarop van Air France kan niet worden afgeleid dat sprake was van “no shows” van ingecheckte passagiers. Hetzelfde geldt voor de code “DL 86”. Dat in het rapport van de “chef de quart” staat vermeld dat er “lang naar bagage moest worden gezocht”, is onvoldoende om vast te kunnen stellen dat er sprake was van “no shows” van ingecheckte passagiers noch hoe lang deze vertraging zou hebben geduurd. Gelet hierop is niet komen vast te staan wat de precieze oorzaak is geweest van de vertraging van 2 uur en 9 minuten, dan wel van 1 uur en 53 minuten en of er sprake was van een vliegveiligheids- dan wel beveiligingsprobleem dat niet inherent was aan de normale uitoefening van de activiteit van Air France. Air France heeft voorts aangevoerd dat de vertraging het gevolg was van de wachttijden bij de verplichte veiligheidscontroles wegens een personeelstekort op “AMS” en dat luchthaveninstanties het nodig achten om veiligheidscontroles uit te voeren ten gevolge van een verhoogd veiligheidsrisico. Onduidelijk is in hoeverre een personeelstekort op “AMS” heeft geleid tot de vertraging van de vlucht vanaf Parijs. Voor zover Air France heeft bedoeld dat er op de luchthaven te Parijs sprake was veiligheidscontroles vanwege een verhoogd veiligheidsrisico en dat deze langer duurden vanwege een personeelstekort, dan heeft Air France dit in het geheel niet onderbouwd. 4.
  1. De passagier heeft niet betwist dat de vlucht vervolgens in het donker zou moeten landen in Bangui, maar dat de faciliteiten van de luchthaven van Bangui zodanig zijn dat dit niet mogelijk was. Zij meent echter dat dit geen buitengewone omstandigheid oplevert. Dit kan naar het oordeel van de kantonrechter in het midden blijven. Van belang is of de vlucht in het donker in Bangui diende te landen ten gevolge van een vertraging die is toe te rekenen aan een buitengewone omstandigheid. Niet in geschil is dat de vlucht zonder die vertraging voor het donker in Bangui was aangekomen (de geplande aankomsttijd was om 15:55 uur lokale tijd). Zoals hiervoor is overwogen, heeft Air France echter niet aangetoond dat de vlucht, anders dan was gepland, in het donker in Bangui zou moeten landen ten gevolge van een buitengewone omstandigheid. 4.
  2. Aangezien de buitengewone omstandigheid niet is komen vast te staan, komt de kantonrechter niet toe aan de beantwoording van de vraag of de vertraging ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet kon worden voorkomen. Nu Air France voor het overige geen verweer heeft gevoerd, zal de vordering tot betaling van de hoofdsom worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar. 4.
  3. De proceskosten komen voor rekening van Air France omdat zij ongelijk krijgt. 4.
  4. Op verzoek van de passagier zal een certificaat betreffende een beslissing in de Europese procedure voor geringe vorderingen of een gerechtelijke schikking aan deze beschikking worden gehecht. 5De beslissing De kantonrechter: 5.
  5. veroordeelt Air France tot betaling aan de passagier van € 600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 7 april 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; 5.
  6. veroordeelt Air France tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagier tot en met vandaag worden begroot op € 78,00 aan griffierecht en € 100,00 aan salaris gemachtigde. Deze beschikking is gewezen door mr. L.M. de Vries, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.